Intro IVK samenvatting semester 1
Hst. 1
Veiligheid vroeger: duurzame rust obv trouw/liefde/vriendelijkheid, waarbij een onbezorgd en vrij leven met
bescherming van lijf en bezit werd gegarandeerd door óók begrensde overheid.
Veiligheid nu: effectieve bescherming tegen aantasting van lichamelijke + geestelijke integriteit.
Ramp: zwaar ongeval/gebeurtenis waarbij leven/gezondheid van vele personen + milieu of grote materiele
belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd, waarbij gecoördineerde inzet van
diensten/organisaties van verschillende disciplines vereist is om dreiging weg te nemen/schade te beperken.
Crisis: effect v.e. ramp. Ernstige bedreiging basisstructuren/fundamentele waarden + normen sociaal systeem.
Terrorisme: dreigen/plegen van aanslagen met als doel angst + onrust > politieke doelen behalen.
Openb. Ordeverstoringen: verstoring reguliere verloop v.h. leven in lokale gemeenschap.
Strafzaken met sterke publ. verontw.: al dan niet icm hoge mate van media-aandacht > sterke
maatschappelijke verontwaardiging.
Objectieve vei: feitelijk waargenomen situatie
Subjectieve vei: gebaseerd op gevoel (vei beleving/gevoel)
Fysieke vei: - mate waarin mensen beschermd zijn + voelen tegen persoonlijk leed door
ongevallen/onheil zonder menselijke intentie (vuurwerkramp)
- vaak technisch van aard
Sociale vei: - mate waarin mensen bescherm zijn + voelen tegen persoonlijk leed door misdrijven,
overtredingen + overlast ‘intentioneel’ door anderen begaan (geweld, Taghi)
- tegengaan leefbaarheidsproblemen, ‘beleving + gevoel’
Ongeval: ongewenste gebeurtenis die schade oplevert
Onheil: tot letsel of schade leidend gevaar, met een oorsprong buiten de persoon of zaak
Safety: bescherming tegen fysieke onvei
Security: bescherming tegen sociale onvei
Publieke actoren: gemeenten, provincies, waterschappen, vei regio’s, rijksinspecties, etc.
Rol: toetsend, handhavend, ontwerpend
IVK’er:
Adviserende/coördinerende/aansturende rol > beperken v schade > risico’s analyseren + interventies.
Vijf handelingen: - signaleren + agenderen (ontwik.+ trends > vei vraagstukken)
- analyseren vei vraagstukken (oorzaken risico’s in beeld brengen)
- ontwerpen van maatregelen (risicoreductie + vergroten vei.)
- implementeren van vei maatregelen (samenhangend pakket)
- evalueren v.h. effect vei maatregelen (meer vei door maatregelen?)
Dimensies integrale vei: - tijd
- ruimte (context)
- kennisgebieden (mix aan inzichten)
- sociale netwerken (aanpak door samenwerkende actoren verschillende org.)
Constant adviseren professionals: bij specifieke situaties > risicoreductie + IVK’er gaat er meestal niet zelf over
wat er in een org moet worden gedaan.
Constant onderzoeken: oplossingen vei vraagstukken moeten steeds opnieuw op maat worden gemaakt
,Hst. 2
Werkwerelden: publiek/privaat + sociale/fysieke vei
Publiek: alle org van verschillende overheden (dienen alg. belang)
Privaat: bedrijfsleven (winstoogmerk dmv prod./diensten)
Warme fase: samenwerking tussen org. en professionals tijdens incident
Koude fase: samenwerking die meer structureel voorbereidt op incidenten
Hst. 3
Risico: combinatie vd kans dat een ongewenste gebeurtenis optreedt + ernst vd effecten ervan. Uitgedrukt in:
- Risicobron: element dat afzonderlijk/icm andere elementen de mogelijkheid in zich heeft tot
een risico te leiden.
- Gebeurtenis: optreden van/wijziging in een bepaalde combi van omstandigheden. Een- of meerledig en kan
diverse oorzaken en gevolgen hebben + zelfs een risicobron zijn.
- Gevolg: uitkomst gebeurtenis waardoor doelstellingen worden beïnvloed. (zeker/onzeker, positief/negatief,
direct/indirect, kwalitatief/kwantitatief, escalatie domino/cumulatief).
- Waarschijnlijkheid: kans dat iets gebeurt (objectief/subjectief, kwalitatief/kwantitatief).
Nut & belang Risico: - Vormt het basisbegrip achter veiligheidsdenken
- Inzicht in begrip risico helpt je als vei kundige gedachten te ordenen
*Risicosamenleving: De risico’s zitten ingebakken in het ontwerp van onze samenleving en als het fout gaat, kan
dat wereldwijde effecten hebben (Beck 1986). Confrontatie met de nadelige gevolgen vd moderne welvaart
(bijv. milieuverontreiniging + veiligheidsrisico)
Soorten risico analyse: - kwalitatief: beschrijving van scenario’s
- semi-kwantitatief: grove inschatting
- kwantitatief: expliciete inschatting van kans+effect bij scenario’s
- vlinderdasmodel/risicomoatrix/scenario analyse
Elementen Risico: gevaar/dreiging, blootstelling, kans, gevolg, incidentenverloop (+ feitelijke waarneming bij
objectief R, + gevoel bij subjectief R)
*Formule: risico = blootstelling x kans x gevolg
Onzekerheid: niet (zeker) weten (VUCA model: - vision, understanding, clarity, agility
- volatility, uncertainty, complexity, ambiguity
Maatregel (barriere,control) doel: risicoreductie
Vóór incident: blootstelling + kans verkleinen dmv preventieve maatregelen
Na incident: gevolgen beperken dmv repressieve maatregelen
Onderdelen risico’s: 1. Complexiteit (verbanden tussen oorzaak-gevolg)
2. Onzekerheid (omschrijving kans-gevolg)
3. Ambiguïteit (mate van overeenstemming onderbouwing risicoanalyse)
Risicoproblemen: 1. Eenvoudige: weinig onzekerheden
2. Complexe: moeilijk om veroorzaker schadelijke gevolgen op te sporen
3. Onzekere: gebrek aan kennis om risico’s betrouwbaar te kunnen beoordelen
4. Ambigue: geen overeenstemming in afbakening risico en wat eerlijk + acceptabel is
Risicomanagement: manier van omgaan met een risico
, Erg moeilijk risico’s te meten, want:
1. Meeteenheid die algemeen toepasbaar is, ontbreekt (bestaat niet)
2. Grens aan menselijke vermogen risico’s in te schatten
3. Meten van een risico hangt af van wat we (persoonlijk) waardevol vinden
4. Risico op zichzelf zegt ons niets (context!)
5. Omschrijving risico bepaalt grotendeels hoe we erop reageren (concreet=erg/abstract=ok)
Risico’s inschatten dmv vreesfactor/onbekendheidsfactos (Baruch Fischhoff)
Risicobenadering: werkwijze om tot objectieve (vei)keuzes te komen, waarbij je risico's beoordeelt, adhv kans
van optreden + mogelijke effecten van een ongewenste gebeurtenis
*Stappen: 1. Rijkweidte (context) bepalen
2. Identificeren risico’s
3. Analyseren risico’s
4. Evalueren risico’s
5. Risico beheersingsmaatregelen
Scenariobenadering: ervan uitgaan dat het misgaat > scenario over een bep. incident (voorbereid). Vooral bezig
met preparatie + repressie.
Risico’s inventariseren: lijst maken met onzekerheden mbt behalen van doelstellingen.
Failure mode & effect analysis: brengt in kaart wat het meest fout gaat in de org + wat de fouten zijn met de
meest ernstige gevolgen (FMEA)
Risicoreductie= opbrengst vd maatregelen, opties:
- Arbeidshygiënische strategie: aanpakken bron risico is eerste overweging
- Strategische beleidsopties: 1. Vermijden (richt zich specifiek op blootstelling aan risico)
2. Verminderen (aanpakken vd blootstelling/kans of gevolgen
3. Overdragen (verzekeren/uitbesteden ae ander)
4. Accepteren (overgebleven restrisico zelf dragen)
*Bij te groot risico = stoppen met dat proces
1. Proactie: maatregelen die blootstelling beperken
2. Preventie: maatregelen die de kans beperken
3. Preparatie: gevolgen beperken door goed voorbereid te zijn op een incident, door:
4. Repressie: alarmering en opvolging, en:
5. Nazorg: herstellen + leren
Redenen om controledrift in toom te houden:
- meeste ongelukken gebeuren per ongeluk
- risicoregelreflex (=roep bij elk incident “dit mag in de toekomst nooit meer gebeuren”)
Onveiligheid: mogelijke gevolgen van gevaren op het bereiken van doelen
Hst. 1
Veiligheid vroeger: duurzame rust obv trouw/liefde/vriendelijkheid, waarbij een onbezorgd en vrij leven met
bescherming van lijf en bezit werd gegarandeerd door óók begrensde overheid.
Veiligheid nu: effectieve bescherming tegen aantasting van lichamelijke + geestelijke integriteit.
Ramp: zwaar ongeval/gebeurtenis waarbij leven/gezondheid van vele personen + milieu of grote materiele
belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd, waarbij gecoördineerde inzet van
diensten/organisaties van verschillende disciplines vereist is om dreiging weg te nemen/schade te beperken.
Crisis: effect v.e. ramp. Ernstige bedreiging basisstructuren/fundamentele waarden + normen sociaal systeem.
Terrorisme: dreigen/plegen van aanslagen met als doel angst + onrust > politieke doelen behalen.
Openb. Ordeverstoringen: verstoring reguliere verloop v.h. leven in lokale gemeenschap.
Strafzaken met sterke publ. verontw.: al dan niet icm hoge mate van media-aandacht > sterke
maatschappelijke verontwaardiging.
Objectieve vei: feitelijk waargenomen situatie
Subjectieve vei: gebaseerd op gevoel (vei beleving/gevoel)
Fysieke vei: - mate waarin mensen beschermd zijn + voelen tegen persoonlijk leed door
ongevallen/onheil zonder menselijke intentie (vuurwerkramp)
- vaak technisch van aard
Sociale vei: - mate waarin mensen bescherm zijn + voelen tegen persoonlijk leed door misdrijven,
overtredingen + overlast ‘intentioneel’ door anderen begaan (geweld, Taghi)
- tegengaan leefbaarheidsproblemen, ‘beleving + gevoel’
Ongeval: ongewenste gebeurtenis die schade oplevert
Onheil: tot letsel of schade leidend gevaar, met een oorsprong buiten de persoon of zaak
Safety: bescherming tegen fysieke onvei
Security: bescherming tegen sociale onvei
Publieke actoren: gemeenten, provincies, waterschappen, vei regio’s, rijksinspecties, etc.
Rol: toetsend, handhavend, ontwerpend
IVK’er:
Adviserende/coördinerende/aansturende rol > beperken v schade > risico’s analyseren + interventies.
Vijf handelingen: - signaleren + agenderen (ontwik.+ trends > vei vraagstukken)
- analyseren vei vraagstukken (oorzaken risico’s in beeld brengen)
- ontwerpen van maatregelen (risicoreductie + vergroten vei.)
- implementeren van vei maatregelen (samenhangend pakket)
- evalueren v.h. effect vei maatregelen (meer vei door maatregelen?)
Dimensies integrale vei: - tijd
- ruimte (context)
- kennisgebieden (mix aan inzichten)
- sociale netwerken (aanpak door samenwerkende actoren verschillende org.)
Constant adviseren professionals: bij specifieke situaties > risicoreductie + IVK’er gaat er meestal niet zelf over
wat er in een org moet worden gedaan.
Constant onderzoeken: oplossingen vei vraagstukken moeten steeds opnieuw op maat worden gemaakt
,Hst. 2
Werkwerelden: publiek/privaat + sociale/fysieke vei
Publiek: alle org van verschillende overheden (dienen alg. belang)
Privaat: bedrijfsleven (winstoogmerk dmv prod./diensten)
Warme fase: samenwerking tussen org. en professionals tijdens incident
Koude fase: samenwerking die meer structureel voorbereidt op incidenten
Hst. 3
Risico: combinatie vd kans dat een ongewenste gebeurtenis optreedt + ernst vd effecten ervan. Uitgedrukt in:
- Risicobron: element dat afzonderlijk/icm andere elementen de mogelijkheid in zich heeft tot
een risico te leiden.
- Gebeurtenis: optreden van/wijziging in een bepaalde combi van omstandigheden. Een- of meerledig en kan
diverse oorzaken en gevolgen hebben + zelfs een risicobron zijn.
- Gevolg: uitkomst gebeurtenis waardoor doelstellingen worden beïnvloed. (zeker/onzeker, positief/negatief,
direct/indirect, kwalitatief/kwantitatief, escalatie domino/cumulatief).
- Waarschijnlijkheid: kans dat iets gebeurt (objectief/subjectief, kwalitatief/kwantitatief).
Nut & belang Risico: - Vormt het basisbegrip achter veiligheidsdenken
- Inzicht in begrip risico helpt je als vei kundige gedachten te ordenen
*Risicosamenleving: De risico’s zitten ingebakken in het ontwerp van onze samenleving en als het fout gaat, kan
dat wereldwijde effecten hebben (Beck 1986). Confrontatie met de nadelige gevolgen vd moderne welvaart
(bijv. milieuverontreiniging + veiligheidsrisico)
Soorten risico analyse: - kwalitatief: beschrijving van scenario’s
- semi-kwantitatief: grove inschatting
- kwantitatief: expliciete inschatting van kans+effect bij scenario’s
- vlinderdasmodel/risicomoatrix/scenario analyse
Elementen Risico: gevaar/dreiging, blootstelling, kans, gevolg, incidentenverloop (+ feitelijke waarneming bij
objectief R, + gevoel bij subjectief R)
*Formule: risico = blootstelling x kans x gevolg
Onzekerheid: niet (zeker) weten (VUCA model: - vision, understanding, clarity, agility
- volatility, uncertainty, complexity, ambiguity
Maatregel (barriere,control) doel: risicoreductie
Vóór incident: blootstelling + kans verkleinen dmv preventieve maatregelen
Na incident: gevolgen beperken dmv repressieve maatregelen
Onderdelen risico’s: 1. Complexiteit (verbanden tussen oorzaak-gevolg)
2. Onzekerheid (omschrijving kans-gevolg)
3. Ambiguïteit (mate van overeenstemming onderbouwing risicoanalyse)
Risicoproblemen: 1. Eenvoudige: weinig onzekerheden
2. Complexe: moeilijk om veroorzaker schadelijke gevolgen op te sporen
3. Onzekere: gebrek aan kennis om risico’s betrouwbaar te kunnen beoordelen
4. Ambigue: geen overeenstemming in afbakening risico en wat eerlijk + acceptabel is
Risicomanagement: manier van omgaan met een risico
, Erg moeilijk risico’s te meten, want:
1. Meeteenheid die algemeen toepasbaar is, ontbreekt (bestaat niet)
2. Grens aan menselijke vermogen risico’s in te schatten
3. Meten van een risico hangt af van wat we (persoonlijk) waardevol vinden
4. Risico op zichzelf zegt ons niets (context!)
5. Omschrijving risico bepaalt grotendeels hoe we erop reageren (concreet=erg/abstract=ok)
Risico’s inschatten dmv vreesfactor/onbekendheidsfactos (Baruch Fischhoff)
Risicobenadering: werkwijze om tot objectieve (vei)keuzes te komen, waarbij je risico's beoordeelt, adhv kans
van optreden + mogelijke effecten van een ongewenste gebeurtenis
*Stappen: 1. Rijkweidte (context) bepalen
2. Identificeren risico’s
3. Analyseren risico’s
4. Evalueren risico’s
5. Risico beheersingsmaatregelen
Scenariobenadering: ervan uitgaan dat het misgaat > scenario over een bep. incident (voorbereid). Vooral bezig
met preparatie + repressie.
Risico’s inventariseren: lijst maken met onzekerheden mbt behalen van doelstellingen.
Failure mode & effect analysis: brengt in kaart wat het meest fout gaat in de org + wat de fouten zijn met de
meest ernstige gevolgen (FMEA)
Risicoreductie= opbrengst vd maatregelen, opties:
- Arbeidshygiënische strategie: aanpakken bron risico is eerste overweging
- Strategische beleidsopties: 1. Vermijden (richt zich specifiek op blootstelling aan risico)
2. Verminderen (aanpakken vd blootstelling/kans of gevolgen
3. Overdragen (verzekeren/uitbesteden ae ander)
4. Accepteren (overgebleven restrisico zelf dragen)
*Bij te groot risico = stoppen met dat proces
1. Proactie: maatregelen die blootstelling beperken
2. Preventie: maatregelen die de kans beperken
3. Preparatie: gevolgen beperken door goed voorbereid te zijn op een incident, door:
4. Repressie: alarmering en opvolging, en:
5. Nazorg: herstellen + leren
Redenen om controledrift in toom te houden:
- meeste ongelukken gebeuren per ongeluk
- risicoregelreflex (=roep bij elk incident “dit mag in de toekomst nooit meer gebeuren”)
Onveiligheid: mogelijke gevolgen van gevaren op het bereiken van doelen