Juni Algemene Economie Samenvatting
T3 L5
Begrippen
Prijselasticiteit Van De Vraag: Hoeveel de gevraagde hoeveelheid (Qv)
daalt bij een prijsstijging van 1%.
o Vb.: EV
P = 0,21 => Bij een prijsstijging van 2% daalt Qv met 0,42% .
Q 2−Q 1
V ∗100
Q2
o Formule: EP =
P 2−P 1
∗100
P1
o Hoe vlakker de curve hoe elastischer!
Perfecte Inelasticiteit: De curve is verticaal en er is geen verandering in
Qv bij een prijswijziging. Dit wordt benadert door levensnoodzakelijke
goederen. V
Inelasticiteit: EP is kleiner dan 1.
V
Unitaire Elasticiteit: EP is 1, bij een prijsstijging van 1% daalt de Qv ook
V
met 1%.
Elasticiteit: EP is groter dan 1.
Perfecte Elasticiteit: De curve is horizontaal en er altijd een verandering
in Qv bij een prijswijziging. Dit wordt benadert bij verschillende boeren die
beiden aardappelen kweken.
Kruiselingse Elasticiteit: Hiermee weet je hoeveel een prijswijziging bij
goed 1 een wijziging in de gevraagde hoeveelheid meebrengt bij goed 2.
Q 2−Q 1
V ∗100
Q2
o Formule: EP = => !!! met Q van goed 1 en P van
P 2−P 1
∗100
P1
goed 2 !!!
Substitutiegoederen: twee of meer goederen die hetzelfde nut
opleveren.
o Bv.: Een aardappel van boer Jan een aardappel van boerin Heidi.
Complementaire Goederen: twee of meer goederen die
“samenwerken”.
o Bv.: Een Xbox en een Xbox-spel.
V
Inkomenselasticiteit van de vraag (EY): Hoeveel men kan kopen met
een bepaald inkomen.
Inferieure Goederen: Goedkope goederen. (Bv.: Instant Noedels). E Y
Basisgoederen: Goederen die iedereen nodig heeft. (Bv.: kleding). E Y
Luxe Goederen: Goederen die enkel rijke mensen kunnen betalen (Bv.:
Kaviaar). EY
0 <1 1 >1 ∞
1
, 2
T3 L5
Begrippen
Prijselasticiteit Van De Vraag: Hoeveel de gevraagde hoeveelheid (Qv)
daalt bij een prijsstijging van 1%.
o Vb.: EV
P = 0,21 => Bij een prijsstijging van 2% daalt Qv met 0,42% .
Q 2−Q 1
V ∗100
Q2
o Formule: EP =
P 2−P 1
∗100
P1
o Hoe vlakker de curve hoe elastischer!
Perfecte Inelasticiteit: De curve is verticaal en er is geen verandering in
Qv bij een prijswijziging. Dit wordt benadert door levensnoodzakelijke
goederen. V
Inelasticiteit: EP is kleiner dan 1.
V
Unitaire Elasticiteit: EP is 1, bij een prijsstijging van 1% daalt de Qv ook
V
met 1%.
Elasticiteit: EP is groter dan 1.
Perfecte Elasticiteit: De curve is horizontaal en er altijd een verandering
in Qv bij een prijswijziging. Dit wordt benadert bij verschillende boeren die
beiden aardappelen kweken.
Kruiselingse Elasticiteit: Hiermee weet je hoeveel een prijswijziging bij
goed 1 een wijziging in de gevraagde hoeveelheid meebrengt bij goed 2.
Q 2−Q 1
V ∗100
Q2
o Formule: EP = => !!! met Q van goed 1 en P van
P 2−P 1
∗100
P1
goed 2 !!!
Substitutiegoederen: twee of meer goederen die hetzelfde nut
opleveren.
o Bv.: Een aardappel van boer Jan een aardappel van boerin Heidi.
Complementaire Goederen: twee of meer goederen die
“samenwerken”.
o Bv.: Een Xbox en een Xbox-spel.
V
Inkomenselasticiteit van de vraag (EY): Hoeveel men kan kopen met
een bepaald inkomen.
Inferieure Goederen: Goedkope goederen. (Bv.: Instant Noedels). E Y
Basisgoederen: Goederen die iedereen nodig heeft. (Bv.: kleding). E Y
Luxe Goederen: Goederen die enkel rijke mensen kunnen betalen (Bv.:
Kaviaar). EY
0 <1 1 >1 ∞
1
, 2