Inhoud
Toegang tot de collectieve sector........................................................................1
Hoofdstuk 1 – Kennismaking met de collectieve sector...................................1
Hoofdstuk 2 – Onmisbare overheid..................................................................4
Hoofdstuk 3 – Politiek.......................................................................................8
Hoofdstuk 4 – Overheid en economie.............................................................11
Hoofdstuk 5 – Demografische veranderingen / houdbaarheid.......................14
Hoofdstuk 6 – Pensioen..................................................................................17
Hoofdstuk 7 – Het begrotingsbeleid...............................................................20
Hoofdstuk 8 – Inkomsten van de overheid.....................................................24
Voorbeelden essayvragen..............................................................................29
Hoofdstuk 9 – Sociale zekerheid.....................................................................31
Hoofdstuk 10 – Zorg.......................................................................................34
Hoofdstuk 11 – Maatschappelijke kosten-batenanalyses...............................38
Hoofdstuk 12 – Decentrale overheden...........................................................40
Hoofdstuk 13 – Europa...................................................................................42
Hoofdstuk 1 – Kennismaking met de collectieve sector
Collectieve sector
,Alle instellingen waarvan de activiteiten voor het overgrote deel uit de
collectieve middelen worden betaald (belastingen, niet-belastingontvangsten
en premies voor sociale verzekeringen).
De financiering van de c.s. wordt door de wet geregeld met gedwongen
betalingen, zonder rechtstreekse tegenprestatie van de overheid.
Collectievelastendruk
De lastendruk verandert niet alleen door beleidsmaatregelen, maar ook door
veranderingen in de economie.
- VB: Bij een verandering van het aandeel lonen in het bbp. Stel het aandeel
wordt groter, ten koste van het aandeel van het overige inkomen in het bbp,
verhoogt de collectieve lastendruk, doordat looninkomen gemiddeld
zwaarder wordt belast dan het overige inkomen.
BBP - Bruto: omdat de afschrijvingen niet in mindering worden gebracht.
Retributies
Niet-belastingontvangsten, zoals aardgas, paspoorten, boetes, collegegeld,
rioolgeld.
Stabiliteits- en Groeipact
Begrotingssaldo (tekort) 3% van het BBP
Begrotingsschuld 60% van het BBP
De staatsschuld is gelijk aan de schuld van de rijksoverheid.
De overheidsschuld is schuld van de hele collectieve sector.
Waarom zijn schulden ‘fijn’?
- Ruilen over de tijd
- Reactie op hoog spaarsaldo
- Liquiditeit op de markt
Adam Smith
Klassiek, prijsmechanisme laten werken met zo min mogelijk ingrijpen van de
overheid. Producenten die hun eigenbelang nastreven doen vanzelf wat in het
belang van de consumenten is.
Het prijsmechanisme zorgt ervoor dat de totale productie van een land gelijk is
aan de productie die haalbaar is bij de beschikbare hoeveelheden arbeid en
kapitaal.
> Het marktmechanisme zorgt er voor dat er geen leegloop van
productiefactoren plaatsvindt.
Wet van Wagner
De Wet van Wagner stelt dat overheidsuitgaven toenemen naarmate een land
economisch ontwikkelder wordt.
Bij hogere welvaart vraagt de samenleving meer publieke voorzieningen zoals
onderwijs, zorg, infrastructuur en sociale zekerheid.
Wagner voorspelde een geleidelijke stijging van het aandeel overheidsuitgaven
in het bbp, maar in de praktijk verloopt dit vaak schoksgewijs (bijv. door crises).
Plateautheorie
De plateautheorie stelt dat overheidsuitgaven bij crises sterk toenemen, maar
na afloop niet meer terugkeren naar het oude niveau.
,Ze blijven hangen op een hoger plateau.
Dit komt doordat burgers en politiek gewend raken aan een grotere overheid
en hogere belastingdruk.
Gevolg: een sprongsgewijze groei van de overheid in plaats van een
geleidelijke.
Wet van Baumol
De Wet van Baumol (kostenziekte) verklaart dat de arbeidsproductiviteit bij de
overheid en in de dienstensector langzaam groeit, omdat veel werk (zorg,
onderwijs, politie) moeilijk te automatiseren is.
Omdat de lonen wél meestijgen met de markt, maar de productiviteit niet,
stijgen de kosten per eenheid.
Gevolg: overheidsuitgaven nemen vanzelf toe en de overheid wordt relatief
groter, zelfs zonder extra taken.
> Er is een natuurlijke groei bij de overheid, maar de dienstensector kan de
productiviteitsgroei niet aan.
Wagner → groei door welvaart en maatschappelijke vraag
Plateautheorie → groei door crises en gewenning
Baumol → groei door lage productiviteitsgroei bij gelijke lonen
Politieke economie
Misleiding kiezers door politici (beloften zonder prijskaartje).
Uitgavenverhoging levert stemmen op, belastingverhoging en bezuinigen niet.
Lenen leidt tot schuldillusie.
Krimp van de collectieve sector na 1983
> De sterk gestegen internationale mobiliteit van financieel kapitaal, bedrijven
en een deel van de werknemers maakt het voor landen een stuk moeilijker om
hoge belastingtarieven omhoog te houden, wanneer die elders naar beneden
gaan.
> De groei van het aantal uitkeringsontvangers is groot, wordt na 1983 minder
door grotere participatiegraad en sterke groei werkgelegenheid.
> Door de kredietcrisis piekt de collectieve-uitgavenquote, door meer
uitkeringen en een krimp van het bbp.
> Coronacrisis: door de genomen steunmaatregelen en de krimp van het bbp
(noemereffect) stijgt de collectieve-uitgavenquote tot bijna 49%.
De uitgaven worden na een crisis nooit meer zo laag als daarvoor
(Plateau)
Houdbaarheid financieel beleid: de afspraken die we nu hebben, hopende dat
deze de 10 jaar zo kunnen blijven, zonder dat belastingen en premies omhoog
hoeven.
- Bij meewind remt de overheid automatisch
- Bij tegenwind stimuleert de overheid automatisch, door de automatische
conjunctuur stabilisatoren (progressief belastingstelsel, inkomensafhankelijke
uitkeringen)
, Hoofdstuk 2 – Onmisbare overheid
Twee theorema’s van de welvaartseconomie
Een allocatie is Pareto-efficiënt wanneer niemand er beter van kan worden
zonder dat iemand anders er slechter van wordt.
Eerste theorema: prijsmechanisme leidt, in ideale omstandigheden, tot
Pareto-efficiënte uitkomst.
> Hoe? Mensen zullen onderling transacties blijven aangaan, zolang sommigen
daardoor hun positie kunnen verbeteren, zonder dat anderen daar op achteruit
gaan. Mensen gaan geen vrijwillige transacties aan, die voor hen nadelig
uitpakken.
> Marktimperfecties staan Pareto-optimale uitkomst in de weg > overheid is
nodig
Tweede theorema: overheid kan elke gewenste Pareto-efficiënte allocatie
bereiken via herverdeling van middelen, voordat mensen transacties aangaan.
> Nadat deze herverdeling heeft plaatsgevonden, kan de overheid het
prijsmechanisme zijn werk laten doen en is de uitkomst van het economisch
proces efficiënt en rechtvaardig.
> Uitgangspunt is dat de overheid inkomens kan herverdelen zonder dat
gedragseffecten optreden. Dat is natuurlijk onmogelijk.
> Er is afruil tussen efficiëntie en inkomensgelijkheid.
Vormen van marktfalen en marktimperfecties:
1. Collectieve goederen
- Uitsluiten van een individu is onmogelijk
- Niet-rivaliserend, het profijt van de een gaat niet ten koste van de ander
- De markt brengt deze goederen niet voort, omdat er altijd freeriders zijn die
niet meebetalen, dus de bekostiging moet uit collectieve middelen
- Veel goederen zijn tegenwoordig niet meer zuiver collectief, maar neemt de
overheid het beheer van individuele goederen onder zich (afval, riool, etc.)
2. Asymmetrische informatie
- Leidt tot averechtste selectie
- Principaal-agentprobleem
Kort uitgelegd:
Principaal = geeft opdracht, neemt risico.
Agent = voert uit, heeft vaak meer informatie.
Probleem = de agent kan misbruik maken van die informatie of zich niet
helemaal inzetten zoals de principaal wil > verschillende belangen & niet
goed zichtbaar wat de agent doet.
Verband met asymmetrische informatie
Het probleem ontstaat juist doordat er asymmetrische informatie is:
De agent weet meer over zijn eigen inspanningen, gedrag of kwaliteit
dan de principaal.
Hierdoor kan de agent dingen doen die in zijn eigen voordeel zijn, maar
niet in het voordeel van de principaal (bijv. minder hard werken,
risicovollere keuzes maken).