Hoofdstuk 1: Leren, onderwijzen en onderwijspsychologie
• Teachers’ sense of efficacy (zelf-effectiviteit): De overtuiging van
een leraar dat hij of zij zelfs de moeilijkste leerlingen kan bereiken om hen
te helpen leren.
• Onderwijspsychologie: Een discipline die zich bezighoudt met
onderwijs- en leerprocessen, waarbij methoden en theorieën uit de
psychologie worden toegepast.
• Every Student Succeeds Act (ESSA): De Amerikaanse wet uit 2015
die de 'No Child Left Behind Act' verving en staten meer controle gaf over
standaarden en interventies.
• Beschrijvend onderzoek (descriptive studies): Onderzoek met als
doel gebeurtenissen in een specifieke situatie te beschrijven.
• Correlatie: Een getal dat de sterkte en richting van een relatie tussen
twee metingen aangeeft.
• Experimenteel onderzoek: Onderzoek waarbij variabelen worden
gemanipuleerd om oorzaak-gevolgrelaties vast te stellen.
• Quasi-experimenteel onderzoek: Onderzoek waarbij gebruik wordt
gemaakt van bestaande groepen (zoals klassen) in plaats van willekeurige
toewijzing.
• ABAB-design: Een onderzoeksontwerp waarbij een interventie wordt
getest door afwisselend de basisconditie (A) en de interventie (B) toe te
passen.
• Klinisch interview: Een methode die gebruikmaakt van open vragen
om denkprocessen diepgaand te onderzoeken.
• Casestudie: Intensief onderzoek naar één persoon of één specifieke
situatie.
• Etnografisch onderzoek: Een methode waarbij natuurlijk
voorkomende gebeurtenissen in een groep worden bestudeerd om de
betekenis ervan te begrijpen.
• Longitudinaal onderzoek: Onderzoek waarbij dezelfde proefpersonen
gedurende een lange periode (jaren) worden gevolgd.
• Cross-sectioneel (transversaal) onderzoek: Onderzoek waarbij
groepen van verschillende leeftijden op hetzelfde moment worden
vergeleken.
• Micro-genetisch onderzoek: Intensieve studie van cognitieve
processen op het moment dat een verandering daadwerkelijk plaatsvindt.
, • Kwalitatief onderzoek: Exploratief onderzoek gericht op het begrijpen
van betekenis, vaak met behulp van woorden en beelden.
• Kwantitatief onderzoek: Onderzoek dat gebruikmaakt van getallen en
statistieken om relaties of verschillen te meten.
• Statistisch significant: Een resultaat waarbij het onwaarschijnlijk is
dat het op toeval berust.
• Theorie: Een samenhangende set concepten die wordt gebruikt om
gegevens te verklaren en voorspellingen te doen.
• Empirisch: Gebaseerd op systematisch verzamelde gegevens.
Hoofdstuk 2: Cognitieve ontwikkeling
• Ontwikkeling: Ordelijke, adaptieve veranderingen die mensen
doormaken tussen conceptie en dood.
• Biologische rijping: Genetisch geprogrammeerde, natuurlijk
voorkomende fysieke veranderingen.
• Continue vs. discontinue ontwikkeling: De discussie of verandering
een geleidelijk proces is (kwantitatief) of verloopt via abrupte sprongen in
stadia (kwalitatief).
• Sensitieve periodes: Tijden waarin een persoon bijzonder ontvankelijk
is voor bepaalde ervaringen of klaar is om specifieke zaken te leren.
• Neuronen: Zenuwcellen in de hersenen die informatie opslaan en
verzenden.
• Synapsen: De kleine ruimtes tussen neuronen waar chemische
berichten worden verzonden.
• Synaptische plasticiteit: Het vermogen van de hersenen om flexibel
te blijven en zich aan te passen.
• Pruning (snoeien): Het proces waarbij ongebruikte neurale
verbindingen worden verwijderd om de efficiëntie te verhogen.
• Neurogenese: De productie van nieuwe neuronen.
• Myelinisatie: Het bekleden van neuronvezels met een isolerende
vetlaag waardoor de informatieoverdracht sneller verloopt.
• Lateralisatie: De specialisatie van de twee hersenhelften.
• Schema's: De basisbouwstenen van het denken; georganiseerde
systemen van handelingen of gedachten.
• Assimilatie: Nieuwe informatie inpassen in bestaande schema's.
• Teachers’ sense of efficacy (zelf-effectiviteit): De overtuiging van
een leraar dat hij of zij zelfs de moeilijkste leerlingen kan bereiken om hen
te helpen leren.
• Onderwijspsychologie: Een discipline die zich bezighoudt met
onderwijs- en leerprocessen, waarbij methoden en theorieën uit de
psychologie worden toegepast.
• Every Student Succeeds Act (ESSA): De Amerikaanse wet uit 2015
die de 'No Child Left Behind Act' verving en staten meer controle gaf over
standaarden en interventies.
• Beschrijvend onderzoek (descriptive studies): Onderzoek met als
doel gebeurtenissen in een specifieke situatie te beschrijven.
• Correlatie: Een getal dat de sterkte en richting van een relatie tussen
twee metingen aangeeft.
• Experimenteel onderzoek: Onderzoek waarbij variabelen worden
gemanipuleerd om oorzaak-gevolgrelaties vast te stellen.
• Quasi-experimenteel onderzoek: Onderzoek waarbij gebruik wordt
gemaakt van bestaande groepen (zoals klassen) in plaats van willekeurige
toewijzing.
• ABAB-design: Een onderzoeksontwerp waarbij een interventie wordt
getest door afwisselend de basisconditie (A) en de interventie (B) toe te
passen.
• Klinisch interview: Een methode die gebruikmaakt van open vragen
om denkprocessen diepgaand te onderzoeken.
• Casestudie: Intensief onderzoek naar één persoon of één specifieke
situatie.
• Etnografisch onderzoek: Een methode waarbij natuurlijk
voorkomende gebeurtenissen in een groep worden bestudeerd om de
betekenis ervan te begrijpen.
• Longitudinaal onderzoek: Onderzoek waarbij dezelfde proefpersonen
gedurende een lange periode (jaren) worden gevolgd.
• Cross-sectioneel (transversaal) onderzoek: Onderzoek waarbij
groepen van verschillende leeftijden op hetzelfde moment worden
vergeleken.
• Micro-genetisch onderzoek: Intensieve studie van cognitieve
processen op het moment dat een verandering daadwerkelijk plaatsvindt.
, • Kwalitatief onderzoek: Exploratief onderzoek gericht op het begrijpen
van betekenis, vaak met behulp van woorden en beelden.
• Kwantitatief onderzoek: Onderzoek dat gebruikmaakt van getallen en
statistieken om relaties of verschillen te meten.
• Statistisch significant: Een resultaat waarbij het onwaarschijnlijk is
dat het op toeval berust.
• Theorie: Een samenhangende set concepten die wordt gebruikt om
gegevens te verklaren en voorspellingen te doen.
• Empirisch: Gebaseerd op systematisch verzamelde gegevens.
Hoofdstuk 2: Cognitieve ontwikkeling
• Ontwikkeling: Ordelijke, adaptieve veranderingen die mensen
doormaken tussen conceptie en dood.
• Biologische rijping: Genetisch geprogrammeerde, natuurlijk
voorkomende fysieke veranderingen.
• Continue vs. discontinue ontwikkeling: De discussie of verandering
een geleidelijk proces is (kwantitatief) of verloopt via abrupte sprongen in
stadia (kwalitatief).
• Sensitieve periodes: Tijden waarin een persoon bijzonder ontvankelijk
is voor bepaalde ervaringen of klaar is om specifieke zaken te leren.
• Neuronen: Zenuwcellen in de hersenen die informatie opslaan en
verzenden.
• Synapsen: De kleine ruimtes tussen neuronen waar chemische
berichten worden verzonden.
• Synaptische plasticiteit: Het vermogen van de hersenen om flexibel
te blijven en zich aan te passen.
• Pruning (snoeien): Het proces waarbij ongebruikte neurale
verbindingen worden verwijderd om de efficiëntie te verhogen.
• Neurogenese: De productie van nieuwe neuronen.
• Myelinisatie: Het bekleden van neuronvezels met een isolerende
vetlaag waardoor de informatieoverdracht sneller verloopt.
• Lateralisatie: De specialisatie van de twee hersenhelften.
• Schema's: De basisbouwstenen van het denken; georganiseerde
systemen van handelingen of gedachten.
• Assimilatie: Nieuwe informatie inpassen in bestaande schema's.