D. van Bergen - “Us Against Them” or “All Humans Are
Equal”: Intergroup Attitudes and Perceived Parental
Socialization of Muslim Immigrant and Native Dutch
Youth
De adolescentie is de periode waarin jongeren hun persoonlijke, sociale en
politieke identiteit ontwikkelen en nieuwe sociale relaties aangaan. Vooral tijdens
de late adolescentie ontwikkelt zich een houding ten opzichte van etnische of
religieuze ‘anderen’ (leden van andere groepen). In dit artikel richten we ons op
de twee tegengestelde standpunten die adolescenten kunnen innemen ten
opzichte van etnisch-religieuze anderen: egalitarisme en
intergroepsantagonisme.
- Egalitarisme= attitudes ten opzichte van de out-group die gebaseerd zijn
op gelijkheid, waarbij anderen als gelijkwaardig worden beschouwd
ongeacht hun etniciteit, cultuur of religie.
- Intergroepsantagonisme= attitudes ten opzichte van leden van de out-
group die worden gekenmerkt door een of meer van de volgende
elementen: vijandigheid, superioriteit, wantrouwen en afwijzing op basis
van etnische of religieuze groepsverschillen.
Belangrijk is dat egalitarisme niet gelijkgesteld mag worden met het idee dat alle
verschillen kritiekloos worden geaccepteerd.
Het sociaal-politieke klimaat van verschillende West-Europese landen, waaronder
Nederland, wordt steeds meer gekenmerkt door polarisatie. Dit heeft geleid
tot (waargenomen) conflicten tussen groepen die uiteindelijk kunnen uitgroeien
tot vijandigheid tussen groepen.
Het is waarschijnlijk dat het klimaat in westerse samenlevingen de opvoeding
van kinderen door moslimouders complexer maakt, met name wat betreft
het onderwijzen van kinderen over cultuur, religie en intergroepsrelaties. Deze
klimaatverandering kan een grote impact hebben op hun kinderen, aangezien
ouders een cruciale positie innemen als referentiegroep, vanwege de
afhankelijkheid van kinderen van hun ouders.
Vanwege machtsongelijkheid tussen de minderheid en de meerderheid
zijn de posities van de groepen verschillend en ongelijk gevormd. Daarom is het
belangrijk om de processen te onderzoeken en te begrijpen waardoor de
(on)gelijkheid tussen ouders en kinderen in antagonistische opvattingen en
egalitarisme verschilt tussen minderheids- en meerderheidsbevolkingen. De
literatuur suggereert dat de etnische socialisatie door ouders bijzonder
belangrijk is voor het ontstaan van antagonisme of egalitarisme bij
jongeren. - -
- Etnische socialisatie door ouders= de processen waarmee ouders hun
waarden en idealen met betrekking tot etniciteit, ras, cultuur, religie en
interetnische groepsrelaties aan hun kinderen doorgeven.
,Ouders kunnen vier etnische socialisatiestrategieën gebruiken om hun
kinderen te onderwijzen over intergroepsrelaties:
1. Culturele socialisatie (overdracht van cultuur, culturele loyaliteiten en
erfgoed),
2. Egalitarisme (benadrukken dat alle mensen gelijk zijn, soms
gecombineerd met het idee dat diversiteit iets waardevols is, ook wel ‘pro-
diversiteit’ genoemd),
3. Vooringenomenheid (benadrukken van ongelijkheid en discriminatie)
4. Wantrouwen (de boodschap om op je hoede te zijn voor de ‘ander’)
De sociale leertheorie is ook relevant. De sociale leertheorie gaat ervan uit dat
kinderen hun vijandige of egalitaire houding ten opzichte van etnisch-religieuze
“anderen” leren door het observeren van het gedrag, de uitingen en
emoties van belangrijke anderen, met name hun ouders. Adolescenten zullen
echter alleen de houding van hun ouders overnemen als ze de uitingen van hun
ouders als betekenisvol ervaren. Wij stellen daarom dat de kwaliteit van de
ouder-kindrelatie een belangrijke modererende factor is in dit proces; dat wil
zeggen, als ouders en adolescenten een slechte relatie hebben, zal er
waarschijnlijk minder overeenkomst zijn tussen de houding van ouders en
kinderen.
Voor de diepte-interviews hebben we studenten uitgenodigd die tussen de 16 en
22 jaar oud waren, die hadden aangegeven bereid te zijn om geïnterviewd te
worden en die hoog of laag hadden gescoord op twee of meer van de
volgende enquête-items: betrokkenheid bij conflicten of gevechten om
etnische/religieuze redenen, een positieve houding ten opzichte van geweld ter
verdediging van de eigen groep, gevoelens van superioriteit van de eigen groep
en een sociale afstand tot andere groepen (allemaal belangrijk voor
vijandigheid). Met behulp van een narratieve benadering werden jongeren
aangemoedigd om verhalen te delen over hun werkelijke ervaringen, naast het
uiten van hun mening en houding, en om de reacties, het gedrag en de
houding van hun ouders te beschrijven.
Resultaten
Patroon 1. Antagonisme en agressie tussen groepen op basis van superioriteit
binnen de eigen groep en waargenomen onrechtvaardigheid
Jongeren met dit patroon vertoonden een vijandige houding ten opzichte van
buitenstaanders, wat duidelijk werd door hun uitingen van etnische of
religieuze superioriteiten de conflicten die zij waarnamen als gevolg van
tegenstrijdige normen en waarden binnen hun eigen groep en die van
buitenstaanders. Hun verhalen weerspiegelden een sterk onderscheid tussen ‘wij’
en ‘zij’, waarbij zij negatieve eigenschappen toeschreven aan buitenstaanders.
Meerderheidsjongeren:
, - Voelden zich sterk bedreigd door immigranten, die volgens hen in
Nederland te positief werden behandeld
- Immigranten moeten zich aanpassen aan de Nederlandse
samenleving, omdat de ‘normen van de autochtone Nederlanders’ als
superieur worden beschouwd
- Het behouden van een minderheidscultuur en -taal werd door deze
jongeren als ongewenst beschouwd en als een belemmering voor
assimilatie.
Minderheidsjongeren:
- Net als de meerderheid van de jongeren in dit patroon, zagen
minderheidsjongeren hun cultuur en religieuze waarden als beter dan
die van autochtonen
- Voor veel deelnemers had stigmatisering als minderheid en/of moslim hen
ernstig van streek gemaakt en leek het hun gevoel van superioriteit te
hebben versterkt.
- Ze noemden oneerlijke behandeling op school of tijdens hun stage. Hun
(waargenomen) slachtofferschap bracht hen tot de overtuiging dat
minderheden in Nederland worden behandeld als tweederangsburgers
- Jongeren in dit patroon waren er ook van overtuigd dat er fundamentele
verschillen bestaan tussen etnische groepen
- Jongeren in dit patroon waren ook gevoelig voor negatieve
beoordelingen door de Nederlandse meerderheid, en dit leek hun
verwachting van stigmatisering te hebben beïnvloed.
Waargenomen houding van ouders ten opzichte van andere groepen en etnische
socialisatie in patroon 1
Meerderheidsjongeren:
- In de meeste gevallen gaven jongeren aan dat hun ouders ook
negatieve opvattingen hadden over buitenstaanders, waarbij sociale
klasse, vermeende onrechtvaardigheid en wantrouwen, evenals
‘Nederlandse’ of christelijke waarden en assimilerende houdingen een rol
speelden
- Sommige jongeren in dit patroon verklaarden dat hun ouders hen
hadden gewaarschuwd voor immigranten en hun kinderen, in
overeenstemming met een etnische socialisatiestrategie van
wantrouwen
- Negatieve uitspraken van ouders over immigranten hadden een voorbeeld
gesteld voor deze jongeren. Uit de uitleg van de jongeren bleek duidelijk
dat zij deze uitspraken van hun ouders als waar beschouwden.
- Een aantal jongeren in dit patroon (ongeacht hun sociale klasse) meldde
dat hun ouders beweerden dat “correct en fatsoenlijk gedrag” in
contrast stond met wat zij bij moslims waarnamen, en daarmee leken
ouders een voorbeeld te stellen voor hun kinderen.
- Het idee dat immigranten moesten assimileren in de heersende
cultuur werd in de meeste gezinnen in dit patroon aangetroffen, ongeacht
hun klasseachtergrond
- Jongeren in dit patroon noemden ook invloeden buiten de
gezinscontext met betrekking tot hun opvattingen over immigranten
Equal”: Intergroup Attitudes and Perceived Parental
Socialization of Muslim Immigrant and Native Dutch
Youth
De adolescentie is de periode waarin jongeren hun persoonlijke, sociale en
politieke identiteit ontwikkelen en nieuwe sociale relaties aangaan. Vooral tijdens
de late adolescentie ontwikkelt zich een houding ten opzichte van etnische of
religieuze ‘anderen’ (leden van andere groepen). In dit artikel richten we ons op
de twee tegengestelde standpunten die adolescenten kunnen innemen ten
opzichte van etnisch-religieuze anderen: egalitarisme en
intergroepsantagonisme.
- Egalitarisme= attitudes ten opzichte van de out-group die gebaseerd zijn
op gelijkheid, waarbij anderen als gelijkwaardig worden beschouwd
ongeacht hun etniciteit, cultuur of religie.
- Intergroepsantagonisme= attitudes ten opzichte van leden van de out-
group die worden gekenmerkt door een of meer van de volgende
elementen: vijandigheid, superioriteit, wantrouwen en afwijzing op basis
van etnische of religieuze groepsverschillen.
Belangrijk is dat egalitarisme niet gelijkgesteld mag worden met het idee dat alle
verschillen kritiekloos worden geaccepteerd.
Het sociaal-politieke klimaat van verschillende West-Europese landen, waaronder
Nederland, wordt steeds meer gekenmerkt door polarisatie. Dit heeft geleid
tot (waargenomen) conflicten tussen groepen die uiteindelijk kunnen uitgroeien
tot vijandigheid tussen groepen.
Het is waarschijnlijk dat het klimaat in westerse samenlevingen de opvoeding
van kinderen door moslimouders complexer maakt, met name wat betreft
het onderwijzen van kinderen over cultuur, religie en intergroepsrelaties. Deze
klimaatverandering kan een grote impact hebben op hun kinderen, aangezien
ouders een cruciale positie innemen als referentiegroep, vanwege de
afhankelijkheid van kinderen van hun ouders.
Vanwege machtsongelijkheid tussen de minderheid en de meerderheid
zijn de posities van de groepen verschillend en ongelijk gevormd. Daarom is het
belangrijk om de processen te onderzoeken en te begrijpen waardoor de
(on)gelijkheid tussen ouders en kinderen in antagonistische opvattingen en
egalitarisme verschilt tussen minderheids- en meerderheidsbevolkingen. De
literatuur suggereert dat de etnische socialisatie door ouders bijzonder
belangrijk is voor het ontstaan van antagonisme of egalitarisme bij
jongeren. - -
- Etnische socialisatie door ouders= de processen waarmee ouders hun
waarden en idealen met betrekking tot etniciteit, ras, cultuur, religie en
interetnische groepsrelaties aan hun kinderen doorgeven.
,Ouders kunnen vier etnische socialisatiestrategieën gebruiken om hun
kinderen te onderwijzen over intergroepsrelaties:
1. Culturele socialisatie (overdracht van cultuur, culturele loyaliteiten en
erfgoed),
2. Egalitarisme (benadrukken dat alle mensen gelijk zijn, soms
gecombineerd met het idee dat diversiteit iets waardevols is, ook wel ‘pro-
diversiteit’ genoemd),
3. Vooringenomenheid (benadrukken van ongelijkheid en discriminatie)
4. Wantrouwen (de boodschap om op je hoede te zijn voor de ‘ander’)
De sociale leertheorie is ook relevant. De sociale leertheorie gaat ervan uit dat
kinderen hun vijandige of egalitaire houding ten opzichte van etnisch-religieuze
“anderen” leren door het observeren van het gedrag, de uitingen en
emoties van belangrijke anderen, met name hun ouders. Adolescenten zullen
echter alleen de houding van hun ouders overnemen als ze de uitingen van hun
ouders als betekenisvol ervaren. Wij stellen daarom dat de kwaliteit van de
ouder-kindrelatie een belangrijke modererende factor is in dit proces; dat wil
zeggen, als ouders en adolescenten een slechte relatie hebben, zal er
waarschijnlijk minder overeenkomst zijn tussen de houding van ouders en
kinderen.
Voor de diepte-interviews hebben we studenten uitgenodigd die tussen de 16 en
22 jaar oud waren, die hadden aangegeven bereid te zijn om geïnterviewd te
worden en die hoog of laag hadden gescoord op twee of meer van de
volgende enquête-items: betrokkenheid bij conflicten of gevechten om
etnische/religieuze redenen, een positieve houding ten opzichte van geweld ter
verdediging van de eigen groep, gevoelens van superioriteit van de eigen groep
en een sociale afstand tot andere groepen (allemaal belangrijk voor
vijandigheid). Met behulp van een narratieve benadering werden jongeren
aangemoedigd om verhalen te delen over hun werkelijke ervaringen, naast het
uiten van hun mening en houding, en om de reacties, het gedrag en de
houding van hun ouders te beschrijven.
Resultaten
Patroon 1. Antagonisme en agressie tussen groepen op basis van superioriteit
binnen de eigen groep en waargenomen onrechtvaardigheid
Jongeren met dit patroon vertoonden een vijandige houding ten opzichte van
buitenstaanders, wat duidelijk werd door hun uitingen van etnische of
religieuze superioriteiten de conflicten die zij waarnamen als gevolg van
tegenstrijdige normen en waarden binnen hun eigen groep en die van
buitenstaanders. Hun verhalen weerspiegelden een sterk onderscheid tussen ‘wij’
en ‘zij’, waarbij zij negatieve eigenschappen toeschreven aan buitenstaanders.
Meerderheidsjongeren:
, - Voelden zich sterk bedreigd door immigranten, die volgens hen in
Nederland te positief werden behandeld
- Immigranten moeten zich aanpassen aan de Nederlandse
samenleving, omdat de ‘normen van de autochtone Nederlanders’ als
superieur worden beschouwd
- Het behouden van een minderheidscultuur en -taal werd door deze
jongeren als ongewenst beschouwd en als een belemmering voor
assimilatie.
Minderheidsjongeren:
- Net als de meerderheid van de jongeren in dit patroon, zagen
minderheidsjongeren hun cultuur en religieuze waarden als beter dan
die van autochtonen
- Voor veel deelnemers had stigmatisering als minderheid en/of moslim hen
ernstig van streek gemaakt en leek het hun gevoel van superioriteit te
hebben versterkt.
- Ze noemden oneerlijke behandeling op school of tijdens hun stage. Hun
(waargenomen) slachtofferschap bracht hen tot de overtuiging dat
minderheden in Nederland worden behandeld als tweederangsburgers
- Jongeren in dit patroon waren er ook van overtuigd dat er fundamentele
verschillen bestaan tussen etnische groepen
- Jongeren in dit patroon waren ook gevoelig voor negatieve
beoordelingen door de Nederlandse meerderheid, en dit leek hun
verwachting van stigmatisering te hebben beïnvloed.
Waargenomen houding van ouders ten opzichte van andere groepen en etnische
socialisatie in patroon 1
Meerderheidsjongeren:
- In de meeste gevallen gaven jongeren aan dat hun ouders ook
negatieve opvattingen hadden over buitenstaanders, waarbij sociale
klasse, vermeende onrechtvaardigheid en wantrouwen, evenals
‘Nederlandse’ of christelijke waarden en assimilerende houdingen een rol
speelden
- Sommige jongeren in dit patroon verklaarden dat hun ouders hen
hadden gewaarschuwd voor immigranten en hun kinderen, in
overeenstemming met een etnische socialisatiestrategie van
wantrouwen
- Negatieve uitspraken van ouders over immigranten hadden een voorbeeld
gesteld voor deze jongeren. Uit de uitleg van de jongeren bleek duidelijk
dat zij deze uitspraken van hun ouders als waar beschouwden.
- Een aantal jongeren in dit patroon (ongeacht hun sociale klasse) meldde
dat hun ouders beweerden dat “correct en fatsoenlijk gedrag” in
contrast stond met wat zij bij moslims waarnamen, en daarmee leken
ouders een voorbeeld te stellen voor hun kinderen.
- Het idee dat immigranten moesten assimileren in de heersende
cultuur werd in de meeste gezinnen in dit patroon aangetroffen, ongeacht
hun klasseachtergrond
- Jongeren in dit patroon noemden ook invloeden buiten de
gezinscontext met betrekking tot hun opvattingen over immigranten