,Inhoudsopgave
College 1a onderzoek en diagnostiek ............................................................................................ 3
College 1b indicatie en behandeling ............................................................................................ 13
College 1c KTHK en diagnostiek................................................................................................... 15
College 2a prepareren voor composiet ........................................................................................ 21
College 2b hechting aan tandmateriaal ....................................................................................... 22
College 3a microbiologie deel 1 .................................................................................................. 30
College 3b microbiologie deel 2 .................................................................................................. 37
College 4 sealants, glasiomeer en ivoren kruis adviezen .............................................................. 41
College 5 Cariës Profylaxe ........................................................................................................... 47
College 6 composieten................................................................................................................ 53
College 7a gebitsmorfologie in de kindertandheelkunde.............................................................. 62
College 7b Gewoon Gaaf............................................................................................................. 64
College 7a Behandelstrategieën voor cariës in de kindertandheelkunde ...................................... 66
College 8a speeksel, wortelcariës en een beetje spot................................................................... 70
College 8b Verkeerde Mondgewoonten ...................................................................................... 77
College 9a (artikel) ..................................................................................................................... 78
College 9b lifestyle control en cariëspreventie............................................................................. 79
College 10 pijnklachten ten gevolge van caries ............................................................................ 81
College 11 Glasionomeercement, compomeer en amalgaam ....................................................... 87
Werkcollege microbiologie ......................................................................................................... 93
2
,College 1a onderzoek en diagnostiek
Woord Betekenis
Cariës detectie Het opsporen van cariës, bijvoorbeeld door kijken, voelen met een sonde of röntgenfoto’s
Cariës beoordelen Het inschatten hoe ernstig de cariës is: oppervlakkig of diep, actief of inactief.
Cariës assessment Het totaalplaatje van cariës bij een patiënt: hoeveelheid, activiteit, risico en mogelijke
oorzaken.
Cariës diagnostiek Het vaststellen van cariës op basis van detectie, beoordeling en aanvullende middelen
(zoals röntgen).
Cariës etiologie De oorzaak van cariës, zoals bacteriën, suikers, slechte mondhygiëne, weinig fluoride en
speeksel.
Cariës preventie Het voorkomen van cariës, bijvoorbeeld door poetsen met fluoride, dieetadvies en
fluoridebehandelingen.
Cariës behandeling Het aanpakken van cariës: preventief (bijv. fluoride) of herstellend (vulling).
Arrested cariës Andere term voor inactieve cariës.
Residual cariës Cariës die achterblijft na een behandeling (niet volledig verwijderd). Als de vulling het
goed afsluit kan het goed gaan
Recurrent cariës Dit is nieuwe cariës die ontstaat bij of onder een bestaande vulling of kroon.
Hidden cariës Cariës die niet goed zichtbaar is aan de buitenkant, maar wel diep zit (vaak zichtbaar op
röntgen).
Actieve cariës Cariës die nog voortschrijdt. Het oppervlak is vaak ruw en dof.
Oppervlakte laesie Cariës die zich aan de buitenkant van het glazuur bevindt.
Woord Betekenis
Wandlaesie Cariës die zich in de wand van een caviteit of onder een vulling bevindt.
Inactieve cariës Cariës die tot stilstand is gekomen. Het oppervlak is hard en vaak glanzend.
Gedemineraliseerd Mineralen zijn uit het tandweefsel verdwenen (ontkalking).
Gedenatureerd Het organische materiaal (zoals collageen) is beschadigd en niet meer gezond.
Tertiair dentine Extra dentine dat wordt gevormd als beschermingsreactie van de tand.
Peritubulair Het dentine rondom de dentinekanaaltjes, harder gemineraliseerd.
Dentine Het laag onder het glazuur, zachter dan glazuur.
Sclerotisch dentine Harder dentine waarbij de kanaaltjes zijn afgesloten als afweer tegen cariës.
Zuigflescariës Ernstige cariës bij jonge kinderen door langdurig drinken uit een fles met suikerhoudende
drank. (Front elementen en molaren het meest aangetast)
Caviteit Een gaatje in de tand.
Witte vleklaesie Eerste zichtbare teken van cariës: een witte, matte plek door ontkalking.
3
, Primaire cariës Cariës op een plek waar nog nooit een vulling heeft gezeten.
- Primair proces wat verder zijn gang gaat
- Vanuit de oppervlakte opnieuw komen
Secundaire cariës Laag van infectie die verder uitbreidt onder een vulling
Caries profunda Het is een ernstige vorm van tandbederf waarbij de cariës zo ver in de tand is
doorgedrongen dat het dentine bijna de pulpa bereikt.
Glazuurlaesie Een laesie die zich beperkt tot het glazuur.
Cariëslaesie Een beschadigd gebied in tandweefsel door cariës.
Wortelcariës Cariës op de wortel, vaak bij teruggetrokken tandvlees.
Dentinecariës Cariës die is doorgedrongen tot het dentine.
Glazuurcariës Cariës die zich alleen in het glazuur bevindt.
DMFT, dmft Maatstaf voor cariës:
• D/d = decayed (cariës)
• M/m = missing (getrokken door cariës)
• F/f = filled (gevuld)
Hoofdletters = blijvend gebit, kleine letters = melkgebit.
Geconsolideerd Weefsel dat weer verhard en stabiel is geworden.
Predilectieplaatsen Plekken waar cariës vaak ontstaat, zoals fissuren en tussen tanden.
Geïnfecteerd Dentine dat vol bacteriën zit en niet meer te herstellen is.
Geïnfiltreerd Aangetast door zuren of bacteriën, maar nog niet volledig geïnfecteerd.
Reversibel Schade die hersteld kan worden, bijvoorbeeld een witte vleklaesie.
Irreversibel Schade die niet meer herstelt en behandeling vereist.
Wanneer ergens in de mond een cariësproces plaatsvindt, begint dit met het oplossen van een kleine
hoeveelheid hydroxyapatiet uit het glazuur. Dit lijkt een oppervlakkig proces, maar veroorzaakt al direct een
reactie dieper in de tand, namelijk in de pulpa. Daarom is het niet juist om te zeggen dat cariës “nog niet diep
zit”. Op het moment dat er mineralen uit het glazuur oplossen, reageert de tand hier al op, ook al is de laesie
klinisch nog oppervlakkig zichtbaar.
Het oplossen van hydroxyapatiet op zichzelf is niet hetzelfde als cariës. Het is een chemisch proces van
demineralisatie. Cariës ontstaat pas wanneer deze demineralisatie blijft voortduren en bacteriën de kans
krijgen om verder de tand binnen te dringen. Zodra dit gebeurt, kan het dentine hierop reageren door
bijvoorbeeld sclerotisch dentine aan te maken, als een beschermingsmechanisme tegen verdere aantasting.
Wanneer tandplak langere tijd op het glazuur aanwezig blijft, bijvoorbeeld ongeveer vijf weken, kan dit leiden
tot verzuring van de plaque. In een gezonde situatie verloopt dit proces langzaam, maar bij kinderen of bij
wortelcariëslaesies kan dit veel sneller gaan. Door de verzuring lost steeds meer hydroxyapatiet op en ontstaat
er onder de tandplak een witte vleklaesie. Dit is zichtbaar als een doffe, matte plek op het glazuur en wordt
4