Week 1 2
Positive youth development: current perspectives 2
Literatuur WHO 6
Hoorcollege Week 1 7
Week 2 10
Blakemore 10
Galvan 12
Andrews 16
Week 3 17
Granic 17
Jonge-Heese 21
Week 4 24
Cooper 24
Ghelbash 26
Defoe 28
Week 5 30
Salvy 30
Schokkenbroek 33
Week 6 37
Boislard 37
Hernandez 43
Maes 44
Week 7 49
Masten 49
Schmitt 55
Assary 59
Gaspar 63
Week 8 65
Czubaj 65
Van der Wal 69
Boeken 73
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 1 73
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 2 77
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 6 82
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 8 90
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 12 100
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 20 109
Child and adolescent development Chapter 1 113
Child and adolescent development Chapter 3 120
Child and adolescent development Chapter 6 127
Child and adolescent development Chapter 11 136
Child and adolescent development Chapter 12 145
,Week 1
Positive youth development: current perspectives
Positive Youth Development (PYD) richt zich op het benutten van de potentie van
jongeren (10–29 jaar) in plaats van het benadrukken van problemen, tegenover de
traditionele “storm and stress”-benadering van Stanley Hall.
Theoretische wortels van PYD
Deficiëntie Modellen van adolescentie
● Hall: adolescentie = “storm and stress”, jongeren als problemen.
● Freud: adolescentie gevormd door vroege psychoseksuele ontwikkeling.
● Neo-Freudians (Erikson, Horney): benadrukken sociale omgeving i.p.v. seksualiteit.
● Kritiek: deze modellen richten zich op tekortkomingen en pathologie, negeren
menselijke sterktes, kunnen negatieve labeling veroorzaken.
Perspectieven gericht op menselijke sterktes
● Tegenhanger van deficiëntie modellen: focus op ontwikkeling spasticiteit en
diversiteit.
● Humanistische psychologie (Rogers): psychopathologie = onvervulde behoeften;
nadruk op zelfactualisatie.
● Existentiële psychologie: benadrukt mogelijkheden, transcendentie en zingeving.
● Positieve psychologie (Seligman): individuen als actieve agenten die eigen sterke
punten benutten voor geluk en vervulling.
● Conclusie: adolescenten hebben voorkeuren, keuzes en potentieel; PYD richt zich
op het ontdekken en versterken van deze sterktes.
Ecologisch perspectief
● Ontwikkeld eind jaren ’80: nadruk op interactie tussen natuur en nurture.
● Bronfenbrenner: ontwikkeling in meerdere, geneste contexten (school, peers,
gemeenschap).
● Lerner: “relatieve plasticiteit” = positieve ontwikkeling via wederkerige interactie
tussen individu en context.
● Slecht passende omgevingen kunnen adolescenten ontwikkeling belemmeren.
Kernprincipes van PYD-modellen:
1. Focus op de sterktes van jongeren
2. Ontwikkelingsplasticiteit
3. Interne ontwikkelingsbronnen (psychosociale competentie) en externe
ontwikkelingsbronnen (invloed van de gemeenschap)
,Benson’s 40 Developmental Assets
● Theoretische basis: ecologisch perspectief, afstemming van individuele behoeften
met externe kansen en ondersteuning.
● 40 ontwikkelingsassets: 20 interne en 20 externe.
Interne assets
1. Commitment to learning – motivatie en betrokkenheid bij leren, bv.
schoolengagement, huiswerk, lezen voor plezier.
2. Positive values – waarden die gezonde keuzes sturen, bv. zorgzaamheid, integriteit,
verantwoordelijkheid, zelfbeheersing.
3. Social competencies – vaardigheden voor effectieve relaties en aanpassing, bv.
planning, interculturele competentie, conflictoplossing.
4. Positive identity – zelfbewustzijn en gevoel van controle, bv. zelfvertrouwen,
persoonlijke kracht, toekomstvisie.
Externe assets
1. Support – emotionele steun van familie, school en gemeenschap, bv.
familieondersteuning, positieve communicatie, zorgzame omgeving.
2. Empowerment – gevoel van waarde en bijdrage aan gemeenschap, bv. jongeren als
hulpbron, dienstverlening aan anderen, veiligheid.
3. Boundaries and expectations – duidelijke regels en hoge verwachtingen, bv.
familie- en schoolgrenzen, positieve rolmodellen, peer invloeden.
4. Constructive use of time – mogelijkheden voor plezier en vaardigheidsontwikkeling
buiten school, bv. creatieve activiteiten, jongerenprogramma’s, religieuze
gemeenschap.
Effectiviteit van het assets-framework
● Instrumenten ontwikkeld:
○ Attitudes and Behaviors: Profiles of Student Life (A&B)
○ Developmental Assets Profile (DAP)
● Resultaten:
○ Jongeren met meer assets vertonen minder risicogedrag en meer bloei,
ongeacht geslacht, etniciteit, sociaaleconomische status of locatie.
○ Assets in vroege levensfasen hebben positieve effecten op toekomstige
ontwikkeling.
● Voorbeelden van succesvolle implementatie:
○ Building Assets Reducing Risk (BARR): verbeterde academische prestaties
en verminderde uitval.
○ Asset-Getting to Outcomes (AGTO): versterking van gemeenschapscoalities
en systematische preventie van risico’s.
, Lerner’s 5Cs and 6Cs Model
● Theoretische basis: ecologisch perspectief; indicatoren van positieve
jeugdontwikkeling (PYD).
● De 5 Cs:
1. Competence – cognitief, sociaal, academisch en beroepsmatig vermogen.
2. Confidence – gevoel van eigenwaarde en positieve capaciteiten.
3. Connection – positieve relaties met mensen en organisaties.
4. Character – moraal, integriteit en respect voor sociale normen.
5. Caring/Compassion – empathie en zorg voor anderen.
● 6e C – Contribution: ontstaat wanneer de 5 Cs aanwezig zijn.
● Meetinstrumenten: volledige en korte schalen (PYD-SF en PYD-VSF) met goede
psychometrische eigenschappen.
● Toepassing: programma’s richten zich vaak slechts op enkele Cs; alleen het Try
Volunteering programma gebruikt het volledige 5Cs-framework expliciet.
Catalano’s 15 PYD Constructs
● Constructen: bonding, resilience, social competence, emotional competence,
cognitive competence, behavioral competence, moral competence,
self-determination, spirituality, self-efficacy, clear/positive identity, belief in the future,
recognition for positive behavior, opportunities for prosocial involvement, fostering
prosocial norms.
● Toelichting: deze constructen omvatten zowel emotionele, sociale, cognitieve als
morele aspecten van PYD.
● Programma’s: meeste PYD-programma’s richten zich slechts op enkele constructen;
slechts 25 van 77 geïdentificeerde programma’s waren effectief in het bevorderen
van positieve jeugdontwikkeling.
Social Emotional Learning (SEL)
● Definitie: proces dat jongeren helpt sociale en emotionele aspecten van hun leven te
begrijpen, beheersen en uitdrukken.
● Belangrijkste domeinen (CASEL):
1. Self-awareness – zelfinzicht, herkennen van emoties, sterke punten.
2. Self-management – reguleren van gedachten, emoties en gedrag, doelen
stellen.
3. Social awareness – empathie, perspectief nemen, respect voor diversiteit.
4. Relationship skills – gezonde relaties opbouwen en onderhouden.
5. Responsible decision-making – goede keuzes maken in overeenstemming
met normen en waarden.
● Effectiviteit: SEL verbetert academische prestaties, sociale vaardigheden, mentale
gezondheid, vooral voor kwetsbare jongeren; SAFE-principes (Sequenced, Active,
Focused, Explicit) verhogen effectiviteit.
Positive youth development: current perspectives 2
Literatuur WHO 6
Hoorcollege Week 1 7
Week 2 10
Blakemore 10
Galvan 12
Andrews 16
Week 3 17
Granic 17
Jonge-Heese 21
Week 4 24
Cooper 24
Ghelbash 26
Defoe 28
Week 5 30
Salvy 30
Schokkenbroek 33
Week 6 37
Boislard 37
Hernandez 43
Maes 44
Week 7 49
Masten 49
Schmitt 55
Assary 59
Gaspar 63
Week 8 65
Czubaj 65
Van der Wal 69
Boeken 73
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 1 73
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 2 77
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 6 82
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 8 90
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 12 100
International Handbook on Adolescent Health and Development Chapter 20 109
Child and adolescent development Chapter 1 113
Child and adolescent development Chapter 3 120
Child and adolescent development Chapter 6 127
Child and adolescent development Chapter 11 136
Child and adolescent development Chapter 12 145
,Week 1
Positive youth development: current perspectives
Positive Youth Development (PYD) richt zich op het benutten van de potentie van
jongeren (10–29 jaar) in plaats van het benadrukken van problemen, tegenover de
traditionele “storm and stress”-benadering van Stanley Hall.
Theoretische wortels van PYD
Deficiëntie Modellen van adolescentie
● Hall: adolescentie = “storm and stress”, jongeren als problemen.
● Freud: adolescentie gevormd door vroege psychoseksuele ontwikkeling.
● Neo-Freudians (Erikson, Horney): benadrukken sociale omgeving i.p.v. seksualiteit.
● Kritiek: deze modellen richten zich op tekortkomingen en pathologie, negeren
menselijke sterktes, kunnen negatieve labeling veroorzaken.
Perspectieven gericht op menselijke sterktes
● Tegenhanger van deficiëntie modellen: focus op ontwikkeling spasticiteit en
diversiteit.
● Humanistische psychologie (Rogers): psychopathologie = onvervulde behoeften;
nadruk op zelfactualisatie.
● Existentiële psychologie: benadrukt mogelijkheden, transcendentie en zingeving.
● Positieve psychologie (Seligman): individuen als actieve agenten die eigen sterke
punten benutten voor geluk en vervulling.
● Conclusie: adolescenten hebben voorkeuren, keuzes en potentieel; PYD richt zich
op het ontdekken en versterken van deze sterktes.
Ecologisch perspectief
● Ontwikkeld eind jaren ’80: nadruk op interactie tussen natuur en nurture.
● Bronfenbrenner: ontwikkeling in meerdere, geneste contexten (school, peers,
gemeenschap).
● Lerner: “relatieve plasticiteit” = positieve ontwikkeling via wederkerige interactie
tussen individu en context.
● Slecht passende omgevingen kunnen adolescenten ontwikkeling belemmeren.
Kernprincipes van PYD-modellen:
1. Focus op de sterktes van jongeren
2. Ontwikkelingsplasticiteit
3. Interne ontwikkelingsbronnen (psychosociale competentie) en externe
ontwikkelingsbronnen (invloed van de gemeenschap)
,Benson’s 40 Developmental Assets
● Theoretische basis: ecologisch perspectief, afstemming van individuele behoeften
met externe kansen en ondersteuning.
● 40 ontwikkelingsassets: 20 interne en 20 externe.
Interne assets
1. Commitment to learning – motivatie en betrokkenheid bij leren, bv.
schoolengagement, huiswerk, lezen voor plezier.
2. Positive values – waarden die gezonde keuzes sturen, bv. zorgzaamheid, integriteit,
verantwoordelijkheid, zelfbeheersing.
3. Social competencies – vaardigheden voor effectieve relaties en aanpassing, bv.
planning, interculturele competentie, conflictoplossing.
4. Positive identity – zelfbewustzijn en gevoel van controle, bv. zelfvertrouwen,
persoonlijke kracht, toekomstvisie.
Externe assets
1. Support – emotionele steun van familie, school en gemeenschap, bv.
familieondersteuning, positieve communicatie, zorgzame omgeving.
2. Empowerment – gevoel van waarde en bijdrage aan gemeenschap, bv. jongeren als
hulpbron, dienstverlening aan anderen, veiligheid.
3. Boundaries and expectations – duidelijke regels en hoge verwachtingen, bv.
familie- en schoolgrenzen, positieve rolmodellen, peer invloeden.
4. Constructive use of time – mogelijkheden voor plezier en vaardigheidsontwikkeling
buiten school, bv. creatieve activiteiten, jongerenprogramma’s, religieuze
gemeenschap.
Effectiviteit van het assets-framework
● Instrumenten ontwikkeld:
○ Attitudes and Behaviors: Profiles of Student Life (A&B)
○ Developmental Assets Profile (DAP)
● Resultaten:
○ Jongeren met meer assets vertonen minder risicogedrag en meer bloei,
ongeacht geslacht, etniciteit, sociaaleconomische status of locatie.
○ Assets in vroege levensfasen hebben positieve effecten op toekomstige
ontwikkeling.
● Voorbeelden van succesvolle implementatie:
○ Building Assets Reducing Risk (BARR): verbeterde academische prestaties
en verminderde uitval.
○ Asset-Getting to Outcomes (AGTO): versterking van gemeenschapscoalities
en systematische preventie van risico’s.
, Lerner’s 5Cs and 6Cs Model
● Theoretische basis: ecologisch perspectief; indicatoren van positieve
jeugdontwikkeling (PYD).
● De 5 Cs:
1. Competence – cognitief, sociaal, academisch en beroepsmatig vermogen.
2. Confidence – gevoel van eigenwaarde en positieve capaciteiten.
3. Connection – positieve relaties met mensen en organisaties.
4. Character – moraal, integriteit en respect voor sociale normen.
5. Caring/Compassion – empathie en zorg voor anderen.
● 6e C – Contribution: ontstaat wanneer de 5 Cs aanwezig zijn.
● Meetinstrumenten: volledige en korte schalen (PYD-SF en PYD-VSF) met goede
psychometrische eigenschappen.
● Toepassing: programma’s richten zich vaak slechts op enkele Cs; alleen het Try
Volunteering programma gebruikt het volledige 5Cs-framework expliciet.
Catalano’s 15 PYD Constructs
● Constructen: bonding, resilience, social competence, emotional competence,
cognitive competence, behavioral competence, moral competence,
self-determination, spirituality, self-efficacy, clear/positive identity, belief in the future,
recognition for positive behavior, opportunities for prosocial involvement, fostering
prosocial norms.
● Toelichting: deze constructen omvatten zowel emotionele, sociale, cognitieve als
morele aspecten van PYD.
● Programma’s: meeste PYD-programma’s richten zich slechts op enkele constructen;
slechts 25 van 77 geïdentificeerde programma’s waren effectief in het bevorderen
van positieve jeugdontwikkeling.
Social Emotional Learning (SEL)
● Definitie: proces dat jongeren helpt sociale en emotionele aspecten van hun leven te
begrijpen, beheersen en uitdrukken.
● Belangrijkste domeinen (CASEL):
1. Self-awareness – zelfinzicht, herkennen van emoties, sterke punten.
2. Self-management – reguleren van gedachten, emoties en gedrag, doelen
stellen.
3. Social awareness – empathie, perspectief nemen, respect voor diversiteit.
4. Relationship skills – gezonde relaties opbouwen en onderhouden.
5. Responsible decision-making – goede keuzes maken in overeenstemming
met normen en waarden.
● Effectiviteit: SEL verbetert academische prestaties, sociale vaardigheden, mentale
gezondheid, vooral voor kwetsbare jongeren; SAFE-principes (Sequenced, Active,
Focused, Explicit) verhogen effectiviteit.