1.3
Inhoud
Sociologie...............................................................................................................................................1
Bijeenkomst 1.....................................................................................................................................1
Bijeenkomst 2.....................................................................................................................................3
Bijeenkomst 3.....................................................................................................................................4
Bijeenkomst 4.....................................................................................................................................5
Bijeenkomst 5.....................................................................................................................................5
Theorie extra boek:.............................................................................................................................5
Methodiek..............................................................................................................................................6
Bijeenkomst 1.....................................................................................................................................6
Bijeenkomst 2.....................................................................................................................................6
Theorie extra boek:.............................................................................................................................6
Psychologie.............................................................................................................................................7
Bijeenkomst 1.....................................................................................................................................7
Bijeenkomst 2...................................................................................................................................10
Bijeenkomst 3...................................................................................................................................11
Sociale recht.........................................................................................................................................12
Bijeenkomst 1...................................................................................................................................12
Bijeenkomst 2...................................................................................................................................13
Bijeenkomst 3...................................................................................................................................14
Bijeenkomst 4...................................................................................................................................15
Bijeenkomst 5...................................................................................................................................15
Bijeenkomst 6...................................................................................................................................15
Theorie extra boek:...........................................................................................................................15
Sociologie
Bijeenkomst 1
Begrippen
Economische binding: mensen zijn van elkaar afhankelijk voor de productie en distributie van goederen zoals
voedsel, kleding, onderdak. Geld is hier een belangrijk ruilmiddel geworden, hierdoor zijn relaties tussen
mensen minder persoonlijk.
,Segregatie: geografische afzondering van een bepaalde bevolkingsgroep. Hierdoor ontstaat geografische
ongelijkheid.
Sociale ongelijkheid: alle situaties waarin mensen een verschillende sociale positie innemen. Het gaat om
verschillen in zaken die waardevol worden gevonden, zoals macht en daarmee verbonden sociale privileges.
Sociale ongelijkheid is duurzaam, omdat het zichzelf in stand kan houden.
Sociale stratificatie: de verdeling van de maatschappij in omvangrijke, uit gezinnen, families, of huishoudens
bestaande groeperingen waartussen ongelijkheidverhoudingen bestaan en waarvan het lidmaatschap althans
ten dele sociaal erfelijk is. Door middel van sociale eenheden worden sociale privileges overgedragen.
Sociale differentiatie: het onderscheid binnen een sociaal systeem (biologische, fysiologische en cultureel).
Sociale privileges (beloningen): verschillen in zaken die waardevol worden gevonden en die in principe
overdraagbaar zijn.
Coördinatie door ruil en dwang: differentiatie tussen mensen vond deels plaats door ruil op basis van
wederkerigheid en deels door dwang op basis van geweld.
Macht en afhankelijkheid: machtsverschillen, en daarmee ook verschillen in sociale privileges, zijn geworteld in
afhankelijkheidsverhoudingen tussen mensen.
Macht: invloed of het vermogen om het gedrag van anderen met behulp van sancties te beïnvloeden.
Asymmetrische verhoudingen: sterk eenzijdige afhankelijkheidsverhoudingen tussen mensen.
Klassen: leden hebben overeenkomstige economische mogelijkheden op grootschalige markten.
Stand: leden kenmerken zich door een overeenkomstige status, statusbewustzijn en levensstijl.
Fundamentele afhankelijkheid van anderen: mensen zijn ontkoombaar afhankelijk van anderen. Iedereen is in
zekere zin hulpbehoevend. Mensen zonder bindingen bestaan niet.
Contracttheorieën: Uit de zeventienden en achttiende eeuw stammende theorieën waarin de oorsprong van
menselijke samenlevingen vergeleken wordt met het afsluiten van een contract.
Sociale voorwaarden voor individualisme: Durkheim: in modernere samenlevingen ontstonden sociale
voorwaarden waardoor het gevoel van individuele autonomie kon ontwikkelen: sterke arbeidsdeling en centraal
staatsgezag.
Onderlinge afhankelijkheid en macht: mensen beïnvloeden elkaar dwingend en oefenen macht uit over elkaar.
Individualisering: persoonlijk prestaties. Bij belangrijke keuzes is er minder druk vanuit de directe omgeving.
Jachtsamenlevingen: kleine sociale eenheid door verwantschap/huwelijk: tribale samenleving. Self-sufficient.
Arbeidsorganisaties: de disciplinering van pre-industriële werklieden tot industriële arbeid.
Fordimse: arbeid achter lopende band. Productie vind plaats in grote gestructureerde bedrijven.
Overgang van fordisme naar post-fordisme: productie gaat meer plaatsvinden in kleinere, verspreide
bedrijfseenheden met een flexibele taakstelling.
Marketing: kenmerk van postfodrisme. Maximaliseren van de verkoop van producten door marktonderzoek.
Driefasentheorie van Blauner: kwaliteit van de arbeid in de overgang van ambachtelijke naar gemechaniseerde
productie verslechtert. Bij automatisering wordt de kwaliteit weer verbetert: overname door machines.
Degradatiethese van Braverman: stelt dat de industrieel-kapitalistische verhoudingen een voortgaande
arbeidssplitsing, taakvereenvoudiging en verscherpte controle van bovenaf met zich meenemen. -
Arbeidsmarkt: afhankelijkheidsverhoudingen tussen mensen in hun hoedanigheid van vragers en aanbieders
van betaalde arbeid.
Ongelijke kansen op de arbeidsmarkt: variëren naar opleiding, herkomst, woonplaats, leeftijd en sekse.
Segmentatie arbeidsmarkt: arbeidsmarkt bestaat uit verschillende categorieën vragen en aanbieders.
Conjuncturele werkloosheid: economische ontwikkelingen in industrieel-kapitalistische samenlevingen
verloopt met toe- en afnemende bedrijvigheid. Door een te lage besteding.
Frictiewerkloosheid: vraag en aanbod in verschillende segmenten van de arbeidsmarkt zijn onvoldoende op
elkaar afgestemd.
Structurele werkloosheid: industriële ontwikkelingen op langere termijn, zoals automatisering en robotisering.
Marx: uitbuiting en vervreemding.
Weber: bureaucratisering
Arbeidsverhoudingen:
1. Relatie tussen mensen in arbeidsorganisaties:
- Veel zelfstandigheid naar stipte werktijden en deelhandelingen
, - Werknemers moesten discipline krijgen om dit te doen (bijvoorbeeld straf)
- Arbeid en productie en organisatielagen opgedeeld: scientific management
- Fordisme: lopende band werk (standaardisatie en massaproductie)
2. Positie op de arbeidsmarkt
3. Verhouding belangengroepen t.a.v. arbeid.
Machtsbronnen:
1. Economisch: beschikking over schaarse goederen en productiemiddelen.
2. Politiek: de beschikking over middelen tot reguliere uitoefening van geweld.
3. Affectief: het vermogen anderen emotioneel aan zich te binden.
4. Cognitief: de beschikking over speciale kennis die ook voor anderen waardevol is.
Organisatie als machtsbron: is altijd met een of meer van bovengenoemde typen machtsbronnen
gecombineerd.
Sociale privileges:
1. Materiële beloningen: beschikking over schaarse goederen, daarmee verbonden kansen op comfort en
gezondheid en mogelijkheden om onaangename arbeid te vermijden.
2. Politieke bevoegdheden en rechten.
3. Status (prestige, aanzien, populariteit, respect)
4. Toegang tot kennis en informatie.
Stratificatie:
De verdeling van de maatschappij in omvangrijke, uit gezinnen, families, of huishoudens bestaande
groeperingen waartussen ongelijkheidverhoudingen bestaan en waarvan het lidmaatschap althans ten dele
sociaal erfelijk is. Voorwaarden voor het ontstaan van stratificatie: arbeidsdeling en surplusproductie.
Belangrijke kenmerken stratificatie: geslacht, leeftijd, status, privileges, omgeving, geld, macht en
afhankelijkheid.
Een groep, provincie, land etc. is relatief armer dan de vergelijkbare omgeving. Vaak blijven armen in deze
gebieden wonen door meer woonmogelijkheden, maar ook door solidariteit naar elkaar toe. De ‘armen’
steunen elkaar.
Theorie dubbele arbeidsmarkt:
In de arbeidsmarkt kunnen van moderne industrieel-kapitalistische samenlevingen twee segmenten
onderscheiden worden:
1. Primair: arbeidsposities met gunstige voorwaarden, hoge lonen, pensioen, garanties tegen ontslag.
2. Secundair: laagbetaalde, onzekere arbeidsposities waarvoor weinig of geen scholing is vereist.
Bijeenkomst 2
Begrippen:
Habitus: ander woord voor mentale begage volgens Bourdieu: verwijst naar ideeën, gevoelens en neigingen die
iemand verworven heeft. Deze habitus maakt het mogelijk dat iemand de informatie verwerkt van buitenaf en
handelingen kiest om in de buitenwereld te interveniëren. Gaat samen met uitproberen en veranderen.
Veld: ander woord voor levensgebied: het milieu waarin iemand opgroeit. Mensen in het veld strijden om
privileges.
Sociale uitsluiting: Bij sociale uitsluiting raken mensen geïsoleerd en vervreemd van de samenleving omdat ze
niet of slechts in beperkte mate kunnen meedoen.
3 soorten kapitaal Bourdieu:
Volgens Bourdieu hangen sociaal en economisch kapitaal af van cultureel kapitaal. Kapitalen:
1. Economisch kapitaal: geld (inkomen, koopkracht), bezit (huis, bedrijf).