Samenvatting College Week 1 – Ecologie & Ecofysiologie
1. Klimaat als bepalende factor voor soortverdeling
Het wereldwijde klimaat is een cruciale abiotische factor die bepaalt waar organismen, en met name
planten, kunnen voorkomen. De centrale vraag luidt: Welke abiotische factoren bepalen de verdeling
van soorten op aarde? Hierbij spelen zonnestraling, luchtcirculatie, continentale spreiding en rotatie
van de aarde een hoofdrol.
Zonnestraling is ongelijk verdeeld over het aardoppervlak vanwege de bolvorm van de aarde.
Nabij de evenaar valt zonlicht loodrecht in, wat resulteert in maximale energie-instraling per
oppervlakte-eenheid. Richting de polen neemt de invalshoek af, wat resulteert in minder
opwarming.
Rotatie van de aarde (dagelijkse rotatie en jaarlijkse omwenteling) en de helling van de
aardas (23°) zorgen voor seizoensgebonden verschuivingen in zoninstraling, wat leidt tot
periodieke klimaatveranderingen per locatie.
2. Atmosferische circulatie en wereldwijde klimaatzones
De globale luchtcirculatie wordt bepaald door convectiestromen, die resulteren in drie hoofdtypes
circulatiecellen per halfrond:
Hadleycellen (0°–30°): warme lucht stijgt op bij de evenaar en daalt rond 30° breedte.
Ferrelcellen (30°–60°): een secundaire cel, beïnvloed door interactie tussen Hadley- en
Polaire cellen.
Polair cellen (60°–90°): koude lucht daalt bij de polen en stroomt richting de evenaar.
Deze circulatie leidt tot drukzones:
Lagedrukgebieden bij de evenaar (Intertropische Convergentiezone, ITCZ) en rond 60°
breedte.
Hogedrukgebieden rond 30° en bij de polen, waar lucht daalt.
De combinatie van luchtcirculatie en aardrotatie leidt tot passaatwinden, westenwinden en
pooloostenwinden, met kenmerkende patronen op elk halfrond.
3. Neerslagpatronen en invloed op vegetatie
Opstijgende lucht koelt af, condenseert en veroorzaakt neerslag. Daardoor ontstaan:
Tropische regenwouden rond de evenaar (veel neerslag).
Woestijnen rond 30° breedte (dalende droge lucht).
Gematigde regengebieden rond 60° (opstijgende vochtige lucht).
,De ligging van continenten en overheersende windrichtingen (aanlandig vs aflandig) beïnvloeden de
verdeling van neerslag:
West-Europa, het oosten van de VS en China ontvangen veel neerslag (aanlandige winden).
Binnenlanden van continenten (bijv. Siberië, Canada) zijn droog.
4. Oceanische circulatie
De windpatronen drijven oceaanstromen aan, die op hun beurt invloed hebben op het klimaat:
Gyres (circulaire stromingen) bewegen met de klok mee op het noordelijk halfrond en tegen
de klok in op het zuidelijk halfrond.
De enige uitzondering is de Antarctische Circumpolaire stroom, die onbelemmerd
oostwaarts stroomt.
Warme zeestromen zorgen voor een gematigd klimaat aan de westkusten van continenten, terwijl
koude zeestromen droge omstandigheden bevorderen.
5. Seizoensvariatie van de ITCZ
De Intertropische Convergentiezone (ITCZ) beweegt met de seizoenen mee tussen de
Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring. Deze verschuiving bepaalt natte en droge seizoenen in
tropische regio’s:
In de zomer op het noordelijk halfrond: ITCZ noordelijk, regen in de Sahel.
In de winter: ITCZ zuidelijk, regen in zuidelijk Afrika.
Intertropical Conversion zone
6. Klimaatschommelingen: El Niño en La Niña
El Niño is een periodiek klimaatfenomeen waarbij:
Normaal stijgt warme lucht op boven Indonesië en Australië.
Tijdens El Niño verplaatst dit opstijgingsgebied naar het centrale deel van de Stille Oceaan.
Dit resulteert in droogte in Zuidoost-Azië en regenval in het midden van de oceaan en Zuid-
Amerika.
La Niña is het tegenovergestelde: versterkte normale situatie. Deze fenomenen beïnvloeden
wereldwijd weerpatronen, inclusief het Nederlandse klimaat. Er lijkt een cyclus van ±11 jaar, mogelijk
gerelateerd aan zonnevlekkenactiviteit.
, El nino Warme waterstroom
El nina Koude waterstroom
1. Klimaat als bepalende factor voor soortverdeling
Het wereldwijde klimaat is een cruciale abiotische factor die bepaalt waar organismen, en met name
planten, kunnen voorkomen. De centrale vraag luidt: Welke abiotische factoren bepalen de verdeling
van soorten op aarde? Hierbij spelen zonnestraling, luchtcirculatie, continentale spreiding en rotatie
van de aarde een hoofdrol.
Zonnestraling is ongelijk verdeeld over het aardoppervlak vanwege de bolvorm van de aarde.
Nabij de evenaar valt zonlicht loodrecht in, wat resulteert in maximale energie-instraling per
oppervlakte-eenheid. Richting de polen neemt de invalshoek af, wat resulteert in minder
opwarming.
Rotatie van de aarde (dagelijkse rotatie en jaarlijkse omwenteling) en de helling van de
aardas (23°) zorgen voor seizoensgebonden verschuivingen in zoninstraling, wat leidt tot
periodieke klimaatveranderingen per locatie.
2. Atmosferische circulatie en wereldwijde klimaatzones
De globale luchtcirculatie wordt bepaald door convectiestromen, die resulteren in drie hoofdtypes
circulatiecellen per halfrond:
Hadleycellen (0°–30°): warme lucht stijgt op bij de evenaar en daalt rond 30° breedte.
Ferrelcellen (30°–60°): een secundaire cel, beïnvloed door interactie tussen Hadley- en
Polaire cellen.
Polair cellen (60°–90°): koude lucht daalt bij de polen en stroomt richting de evenaar.
Deze circulatie leidt tot drukzones:
Lagedrukgebieden bij de evenaar (Intertropische Convergentiezone, ITCZ) en rond 60°
breedte.
Hogedrukgebieden rond 30° en bij de polen, waar lucht daalt.
De combinatie van luchtcirculatie en aardrotatie leidt tot passaatwinden, westenwinden en
pooloostenwinden, met kenmerkende patronen op elk halfrond.
3. Neerslagpatronen en invloed op vegetatie
Opstijgende lucht koelt af, condenseert en veroorzaakt neerslag. Daardoor ontstaan:
Tropische regenwouden rond de evenaar (veel neerslag).
Woestijnen rond 30° breedte (dalende droge lucht).
Gematigde regengebieden rond 60° (opstijgende vochtige lucht).
,De ligging van continenten en overheersende windrichtingen (aanlandig vs aflandig) beïnvloeden de
verdeling van neerslag:
West-Europa, het oosten van de VS en China ontvangen veel neerslag (aanlandige winden).
Binnenlanden van continenten (bijv. Siberië, Canada) zijn droog.
4. Oceanische circulatie
De windpatronen drijven oceaanstromen aan, die op hun beurt invloed hebben op het klimaat:
Gyres (circulaire stromingen) bewegen met de klok mee op het noordelijk halfrond en tegen
de klok in op het zuidelijk halfrond.
De enige uitzondering is de Antarctische Circumpolaire stroom, die onbelemmerd
oostwaarts stroomt.
Warme zeestromen zorgen voor een gematigd klimaat aan de westkusten van continenten, terwijl
koude zeestromen droge omstandigheden bevorderen.
5. Seizoensvariatie van de ITCZ
De Intertropische Convergentiezone (ITCZ) beweegt met de seizoenen mee tussen de
Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring. Deze verschuiving bepaalt natte en droge seizoenen in
tropische regio’s:
In de zomer op het noordelijk halfrond: ITCZ noordelijk, regen in de Sahel.
In de winter: ITCZ zuidelijk, regen in zuidelijk Afrika.
Intertropical Conversion zone
6. Klimaatschommelingen: El Niño en La Niña
El Niño is een periodiek klimaatfenomeen waarbij:
Normaal stijgt warme lucht op boven Indonesië en Australië.
Tijdens El Niño verplaatst dit opstijgingsgebied naar het centrale deel van de Stille Oceaan.
Dit resulteert in droogte in Zuidoost-Azië en regenval in het midden van de oceaan en Zuid-
Amerika.
La Niña is het tegenovergestelde: versterkte normale situatie. Deze fenomenen beïnvloeden
wereldwijd weerpatronen, inclusief het Nederlandse klimaat. Er lijkt een cyclus van ±11 jaar, mogelijk
gerelateerd aan zonnevlekkenactiviteit.
, El nino Warme waterstroom
El nina Koude waterstroom