Recht kan worden onderverdeeld in 2 categorieën:
▫ Privaatrecht -> natuurlijke personen en rechtspersonen (boek 1 t/m 29)
▫ Publiekrecht -> de overheid speelt een rol. De overheid doet iets wat wij niet kunnen.
Wetgeving & regelgeving
Staatsrecht – de grondwet. Dit gaat over de inrichting van de staat. Wat is er allemaal nodig? De oprichting van de instanties
maakt het staatsrecht. De grondbeginselen van een staat.
Bestuursrecht - hoe moeten de instanties gaan besturen? Wie krijgt welke bevoegdheid?
o Algemeen bestuursrecht = algemene wet bestuursrecht (Awb)
o Ruimtelijk bestuursrecht = omgevingswet, omgevingsbesluit, besluit kwaliteit leefomgeving, besluit activiteiten
leefomgeving, besluit bouwwerken leefomgeving, omgevingsregeling
Vraag jezelf af: kan ik dat wat hier gebeurt ook zelf?
Ja -> privaatrecht (verhuren bijvoorbeeld)
Nee -> publiekrecht (vergunningen bijvoorbeeld)
Staatsrecht
Het inrichten van de staat.
Voordat de overheid daadwerkelijk bevoegdheden kan uitoefenen om regulerend op te treden, is het van belang eerst vast te stellen
welke instanties tot de overheid behoren en welke bevoegdheden zij bezitten. Het staatsrecht vormt het fundament van deze
ordening: het beschrijft hoe de staat is ingericht en welke organen daarin een centrale rol spelen.
Nederland is een constitutionele monarchie met een koningshuis, een regering en een parlement. Daarnaast kent ons land decentrale
overheden zoals provincies en gemeenten, en een aantal semi-bestuursorganen die specifieke taken uitvoeren. Samen vormen zij het
geheel van instellingen dat het staatsgezag draagt.
Staat: kan worden omschreven als een soevereine organisatie die bestaat uit een politiek bestuur met gezag over een bepaald
territoriaal gebied. Soevereiniteit betekent dat de staat de hoogste macht heeft binnen dat gebied en dat er geen hogere autoriteit is
die haar beslissingen kan overrulen. Dit gezag wordt uitgeoefend door centrale organen zoals de regering en het parlement, maar ook
door lagere bestuurslagen die binnen hun eigen domein bevoegdheden hebben.
Trias Politica -> verdeelt de staatsmacht in drie onderdelen:
1. Wetgevende macht -> de regering en de Staten-Generaal (art. 81 GW).
Regering: bestaat uit de Koning en de ministers (art. 42 GW). Ministers worden bij Koninklijk Besluit benoemd en kunnen
leiding krijgen over een ministerie. De minister-president is de eerste onder zijn gelijken.
Staten-Generaal: bestaat uit de Eerste en Tweede Kamer (art. 51 GW) en vertegenwoordigt het Nederlandse volk (art. 50
GW). De Tweede Kamer wordt direct gekozen, de Eerste Kamer indirect. Samen met de regering vormen zij de wetgevende
macht.
Eerste Kamer:
75 zetels (art. 51 lid 3 GW).
Wordt indirect gekozen (art. 55 GW).
Kamerleden hebben geen fulltime baan.
Vergadert en stemt over wetsvoorstellen die door de Tweede
Kamer zijn aangenomen.
Mag geen wetsvoorstellen indienen.
Tweede Kamer:
150 zetels (art. 51 lid 2 GW).
Wordt direct gekozen en vormt de volksvertegenwoordiging.
Na verkiezingen vormen winnende partijen een coalitie; de overige partijen zijn oppositie.
Kamerleden zijn geen deel van het kabinet.
De Tweede Kamer controleert de regering.
Wetgevingsprocedure (kantlijn hoofdstuk 5 grondwet):
1. Indiening van een wetsvoorstel door de regering of een initiatiefvoorstel door de Tweede Kamer.
2. De Tweede Kamer vergadert, kan het voorstel amenderen en stemt.
3. Bij aanname gaat het voorstel naar de Eerste Kamer.
4. De Eerste Kamer mag het voorstel niet wijzigen, behalve via een novelle.
5. Bij aanname gaat het voorstel naar de regering.
6. Minister en Koning tekenen het voorstel (bekrachtiging).
7. Na publicatie wordt het wet.
,In de praktijk kan de Eerste Kamer via overleg met de Tweede Kamer toch wijzigingen laten doorvoeren, doordat de Tweede Kamer
een novelle indient.
2. Uitvoerende macht -> de regering (Koning en ministers)
Zij voeren de wetten uit en moeten rekening houden met de wetgevende macht. Het parlement controleert de regering. Als de
regering niet goed functioneert, kan het parlement een motie van wantrouwen aannemen. Daarmee wordt het vertrouwen in een
minister, staatssecretaris of het kabinet opgezegd. In de regel stapt de bewindspersoon of het kabinet dan op.
Ministerraad: de ministers vergaderen zonder de Koning over regelgeving en beleid. Zij stemmen over besluiten en moeten
handelen in overeenstemming met deze besluiten (homogeniteit). Wat in de ministerraad wordt besproken is geheim. De
minister-president brengt regelmatig verslag uit aan de Koning (geheim van Paleis Noordeinde).
Ministers en staatssecretarissen: ministers zijn verantwoordelijk voor hun ministerie en kunnen worden bijgestaan door
staatssecretarissen (art. 46 GW). Staatssecretarissen zijn samen met de minister verantwoordelijk voor de uitvoering van diens
taken. Alle ministers en staatssecretarissen vormen samen het kabinet. Staatssecretarissen mogen deelnemen aan
ministerraadsvergaderingen voor hun aandachtsgebied.
3. Rechterlijke macht -> de rechters en officieren van justitie
De rechterlijke macht is geregeld in art. 112 en verder van de Grondwet.
In het privaatrecht loopt de rechtsgang via rechtbank, hof en Hoge Raad.
In het bestuursrecht verloopt de procedure meestal via de rechtbank. Indien dit niet lukt, kan men naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In Nederland heeft men altijd minimaal drie kansen om zijn gelijk te halen.
Boven al deze machten zit de raad van state! Het is het adviesorgaan van de wetgever. Zij geven pas advies als het wetvoorstel is
ingediend.
Er zijn bijna geen bestuursrechtelijke dingen die niet via de Raad van State lopen. Misschien fiscale zaken.
Hebben we een strikte scheiding der macht: nee, de regering komt zowel als wetgevende en uitvoerende macht voor.
Nog een probleem in de trias politica: de koning is voorzitter Raad van State, benoemd rechters en zit in de wetgevende en
uitvoerende macht.
De koning is NIET verplicht om een wet goed te keuren. Indien de koning weigert een wet te tekenen (de wet gaat dan wel gewoon
door) maar ze komen dan met een spoedwet. Deze hoeft niet door een koning worden getekend! Dan wordt de koning 24 uur uit de
troon gehaald en de minister neemt dit over en tekent de wet.
Meerderheids- en minderheidskabinet
Een meerderheidskabinet bestaat uit partijen die samen meer dan de helft van de zetels in de Tweede Kamer hebben. Daardoor kan
het kabinet in principe rekenen op voldoende steun voor zijn voorstellen, wat de besluitvorming vaak stabieler en voorspelbaarder
maakt.
Een minderheidskabinet daarentegen wordt gevormd door partijen die samen géén meerderheid hebben in de Tweede Kamer. Voor
zulke kabinetten is het lastiger om plannen door te voeren, omdat zij steeds opnieuw steun moeten zoeken bij andere partijen. Soms
kan een minderheidskabinet toch effectief regeren door afspraken te maken met partijen die het kabinet niet officieel steunen, maar
wel bereid zijn om bepaalde voorstellen te gedogen. Dit wordt ook wel gedoogsteun genoemd, en kan ervoor zorgen dat er alsnog
een meerderheid ontstaat voor belangrijke besluiten.
Wetgevers:
Centraal: regering + staten generaal -> wetten
Decentraal (beslissingsbevoegdheid verspreid op meerdere plekken): provincie en
gemeente (gemeenteraad) -> verordeningen (lokale wet)
Een AMvB werkt een wet verder uit. Deze komt van de regering alleen. De reden hiervoor
is dat als er iets gewijzigd moet worden, dan hoeven ze niet het hele proces door. Een
algemene maatregel van bestuur (AMvB) berust veelal op een wet in formele zin. De
regering kan een AMvB vaststellen. Het wordt door een minister en de koning getekend.
Voor sommige onderwerpen moet goedkeuring van het parlement worden gevraagd.
Voor het overige is dat niet nodig.
Naast de provinciale en gemeentelijke verordeningen zijn er ook nog regels over het waterschap.
Wat te doen bij strijd:
Lex superior: hogere regels gaan boven lagere regels
Lex posterior: jongere (nieuwe) regels gaan boven oudere regels
Lex specialis: bijzondere regels gaan boven algemene regels.
-Wet in formele zin: tot stand gekomen door de nationale wetgever (regering en Staten-Generaal). Zijn voor iedereen.
,-Wet in materiële zin: regelgeving voor een onbeperkt aantal personen door een daartoe bevoegd orgaan (Vb: een wet van gemeente
Enschede -> dat heeft niks te maken met Deventer).
Dit gaat over hoe een regel tot stand komt en door wie
Voorbeelden materieel/formele zin (let op het woord ‘wet’)
Algemene plaatselijke verordening -> materiële zin Gemeente wet -> formele zin
Burgerlijk wetboek -> formele zin Bouwvergunning -> materiële zin
Boven de grondwet zit het statuut van het koninkrijk.
Hierboven zit het Europees recht. Deze staat op gelijk niveau aan internationaal recht. Het Europese recht staat NIET in een verdrag,
het internationale recht wel. Dit verdrag is gewoon een overeenkomst.
Europees verdrag van de mens -> internationaal (let op het woord ‘verdrag’).
Europees recht komt van de Europese Unie en bevat regels die de Unie zelf organiseren en reguleren. Omdat Nederland lid is van de
EU, werken deze regels direct door in de Nederlandse rechtsorde. Dit betekent dat Nederland een deel van zijn soevereiniteit heeft
overgedragen aan de EU.
Internationaal recht daarentegen vloeit voort uit verdragen die Nederland met andere staten of organisaties heeft gesloten. Niet alle
verdragen zijn Europees recht: sommige lijken Europees, maar vallen daar niet onder. Een belangrijk voorbeeld is het EVRM (Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens). Dit verdrag is niet afkomstig van de EU, maar van de Raad van Europa, en telt 47 lidstaten in
plaats van de 27 van de EU.
Nederland kent een gematigd monistisch stelsel. Dat houdt in dat internationale verdragen die een ieder verbindend zijn, automatisch
doorwerken in het Nederlandse recht zonder dat ze eerst moeten worden omgezet in nationale wetgeving (art. 93 Grondwet). Het
EVRM valt hieronder en werkt dus rechtstreeks door in de Nederlandse rechtsorde. Burgers kunnen bij schending van hun
grondrechten, zoals vastgelegd in het EVRM, zelfs terecht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Staat der Nederland bestaat uit:
Nederland is een land. Nederland behoort tot het Koninkrijk der Nederlanden.
- 4 landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten -> zelfstandige landen met eigen grondwet
- 3 eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba -> gemeenten overzee die onder Nederland vallen
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht (boek 37)
Dit is algemeen voor het hele bestuursrecht. Binnen het bestuursrecht heb je verschillende onderwerpen (fiscaal, milieu, uitkeringen,
subsidies etc.). Maar bijzondere wetten gaan voor deze algemene wetten (lex specialis).
Alleen bestuursorganen krijgen bevoegdheden
Bestuursorganen en toepasselijkheid Awb
Alle regels uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelden voor bestuursorganen. Wordt een instelling niet gezien als
bestuursorgaan, dan is de Awb niet van toepassing.
Artikel 1:1 Awb
A-orgaan: krachtens publiekrecht ingesteld (overheidsorganen). Voorbeelden: provincies en gemeenten (art. 123 Grondwet). Alles
wat valt onder publiekrecht: staatsrecht of bestuursrecht.
B-orgaan: het is geen overheidsinstelling maar heeft wel openbaar gezag alsof het overheid is. Het zijn instellingen die privé zijn
maar iets doen voor de overheid (stichting DUO, APK bedrijven, stichting Saxion, CBR)
Als je het niet eens bent moet je bezwaar maken, dus dit verloop niet via de rechtbank, hoge raad etc. vanuit privaatrecht.
Een bestuursorgaan moet besluiten nemen, hiertegen kan je in bezwaar. Om praktische redenen zijn deze organen geen
bestuursorgaan.
Besluiten
Artikel 1:3 Awb
Eisen van een besluit: een schriftelijke, beslissing, van een bestuursorgaan, een
publiekrechtelijke rechtshandeling.
Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een handeling met een beoogd gevolg.
Deze moeten in het publiekrecht staan. Het gaat over wie wat mag, niet over wie
wat wil. Wie is er bevoegd om iets te doen? (meestal weel het geval in de toets).
Lid 2
Soorten besluiten: beschikking (individueel gericht) en een besluit van algemene strekking (BAS) (voor iedereen).
, Een besluit algemene strekking (BAS) bestaat uit 2 soorten:
Algemeen verbindend voorschrift (AVV): algemene regel die voor iedereen geldt. Je mag er wel wat van vinden, 1x.
Concretiserend besluit van algemene strekking (CBAS): concretiseert waar of hoe een AVV geldt. Een CBAS kan niet bestaan
zonder AVV. Het heeft invloed op jou persoonlijk, dan mag je er wat van vinden.
Als eerst wordt er een algemene regel gemaakt, maar het is niet duidelijk waar dit precies geldt bijvoorbeeld. Nu is de vraag waar het
geldt: daarvoor komt er een CBAS.
Bezwaar en zienswijze
Artikel 1:5 Awb
Bezwaar kan alleen tegen een beschikking. Tegen andere besluiten
geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4
Awb).
Bezwaar tegen beschikking: achteraf, tegen een beschikking
(art. 6:4 e.v. Awb).
Naar rechtbank daarna naar Raad van State
Zienswijze tegen besluit: vooraf, tegen een besluit van
algemene strekking (art. 3:15 Awb).
AVV -> geld voor iedereen, kan je niks aan doen -> alleen
zienswijze. AVV kan je niet aan rechter voorleggen. (8:5)
CBAS -> zienswijze, rechtsbank daarna Raad van State
Bij besluiten die zorgvuldig voorbereid moeten worden, kan afdeling 3.4 Awb worden toegepast. Belanghebbenden worden
bekendgemaakt via publicatie (art. 3:12 Awb) en krijgen inspraak (art. 15 Awb).
Iedereen die daar belang bij heeft wordt erover bekend gemaakt in de krant bijvoorbeeld (artikel 3.12)
Artikel 15: je mogelijkheid van inspraak. Wil je laten weten wat je er van vindt (dus bij beschikking achteraf, bij een besluit vooraf)
Je gaat een zienswijze indienen tegen het besluit. Stel je komt tot de conclusie dat er niks mee is gedaan. Daarna mag je geen bezwaar
meer maken want het is geen beschikking. Maar na een AVV komt een CBAS dus dan kan je nog een keer bezwaar maken.
Participatie (art. 18 Awb)
Voorafgaand aan een besluit wordt participatie georganiseerd. Belanghebbenden kunnen hun punten inbrengen. Daarna geldt een
termijn van zes maanden om een zienswijze in te dienen.
Voor een projectontwikkelaar is afdeling 3.4 gunstiger, omdat bezwaren vooraf duidelijk worden. Bij een beschikking kan bezwaar pas
achteraf komen, wat kan leiden tot illegale bouw.
Rechtsbescherming tegen de overheid
Uitgangspunten:
Alleen tegen besluiten (beschikkingen).
Alleen afkomstig van bestuursorganen.
Alleen voor belanghebbenden (tenzij uitzonderingen).
De normale procedure
1. Bezwaarschriftprocedure: bezwaar tegen beschikking bij bestuursorgaan (hoofdstuk 6 & 7).
2. Beroepsprocedure: beroep bij rechtbank (hoofdstuk 6 & 8)
3. Hoger beroep bij Raad van State.
Bezwaar en beroep hebben geen schorsende werking, daarom -> voorlopige voorziening (8:81 Awb).
Een AVV kan niet aan de rechter worden voorgelegd, een CBAS wel.
Er kan ook worden gekozen voor een administratief beroep. Dit lijkt op een bezwaar, maar wordt ingediend bij een ander
bestuursorgaan dan dat het besluit nam.
Bezwaarschriftprocedure
1. Indiening: binnen 6 weken na besluit (art. 6:7 Awb).
2. Vooronderzoek: vijf vragen (tijdigheid, besluit, belanghebbende, juiste orgaan, wettelijke vereisten).
3. Formele eisen: art. 6:4 en 6:5 Awb.
4. Hoorzitting: art. 7:2 Awb.
5. Beslistermijn: art. 7:10 Awb.
Verweer tegen een besluit artikel 6:4, 6:13 en 7:1 -> 5 onderzoeksvragen:
1. Bezwaar tijdig?
2. Bezwaar tegen een besluit?