SMIJN SAMENVATTING EUROPEES RECHT
CASE LAW
• HÖFNER AND ELSER-CASE (C-41/90);
• SAT V. EUROCONTROL-CASE (C-364/92);
• POUCET AND PISTRE-CASE (C-159/91 AND C -160/91);
• CONSTEN AND GRUNDIG-CASE (56/64 AND 58/64);
• BAYER-CASE (T-41/96);
• ICI V. COMMISSION-CASE (49/69);
• P CARTES BANCAIRES V. COMMISSION -CASE (C-67/13);
• SOCIÉTÉ TECHNIQUE MINIÈRE (STM) -CASE (56-65);
• DELIMITIS-CASE (C-234/89);
• LADBROKE RACING-CASE (JOINED CASES C-359/95 P AND C -379/05 P);
• WOUTERS-CASE (C-305/99);
• ALBANY-CASE (C-67/96);
• JOHN DEERE-CASE (T-35/92);
• SUIKER UNIE-CASE (JOINED CASES 40-48, 50, 54-56, 111, 113 AND 114/73);
• HOFFMANN-LA ROCHE-CASE (85/76);
• AKZO-CASE (62/86);
• UNITED BRANDS-CASE (27/76);
• BRONNER-CASE (C-7/97);
• MICHELIN II-CASE (T-203/01
Week 1 Canvas Literatuur
E-Lesson Introduction to EU competition law [138 words]
Het EU-mededingingsrecht bestaat uit Europese wetgeving die gericht is op het beschermen van eerlijke
concurrentie tussen ondernemingen op de interne markt van de EU en op het bevorderen van
marktintegratie tussen markten/economieën van de lidstaten.
Het EU-mededingingsrecht bevat 3 bepalingen die worden behandeld:
- Art. 101 VWEU = bevat verbod op kartels of andere mededingingsbeperkende vormen van
samenspanning tussen ondernemingen.
- Art. 102 VWEU = bevat verbod op misbruik van een machtspositie door 1 of meerdere
ondernemingen.
- Art. 107 VWEU = bevat het verbod op het verlenen van staatssteun door lidstaten aan specifieke
ondernemingen.
,E-Lesson The prohibition of cartels: Article 101 TFEU [5,554 words]
Artikel 101 VWEU verbiedt anticoncurrerende afspraken tussen ondernemingen, ook wel bekend als
‘kartels’; een vorm van illegaal gedrag die de meest gevaarlijke mededingingsbeperkende praktijk is.
Artikel 101 VWEU bestaat uit drie belangrijke leden:
• De regel die anticoncurrerende overeenkomsten verbiedt – artikel 101(1) VWEU;
• De gevolgen van anticoncurrerend gedrag – artikel 101(2) VWEU;
• De mogelijkheid tot vrijstellingen voor gedragingen die onder lid 1 vallen – artikel 101(3) VWEU.
(1) Ondernemingen
Om te begrijpen welk gedrag verboden is onder artikel 101, moeten we eerst de betekenis van de term
‘onderneming’ definiëren.
Höfner en Elser → De definitie van een onderneming draait om de activiteit van de economische actor en
niet om de juridische of institutionele vorm.
Hofner en Elser → Any single economic entity engaged in economic activities irrespective of its
legal status and regardless the way in which it is financed.
Definitie van onderneming in 2 punten:
1) Single economic entity → Ten eerste zijn de juridische persoonlijkheid van de entiteit en
de wijze waarop zij wordt gefinancierd NIET relevant voor de definitie van onderneming.
2) Economic activity → Ten tweede moet de onderneming een economische activiteit
uitoefenen. → ‘offering of goods or services’ + ‘make profit’
Dit functionele concept van onderneming vergroot het toepassingsgebied van het mededingingsrecht,
zodat ook entiteiten die formeel niet als bedrijven worden gezien, hieronder kunnen vallen. Zelfs de staat
,en haar publieke organen kunnen soms als onderneming worden beschouwd wanneer zij een
economische activiteit verrichten.
Er zijn twee uitzonderingen op het begrip economische activiteit:
➔ (1) Uitoefening van overheidstaken:
SAT tegen Eurocontrol. Eurocontrol verricht geen economische activiteit, omdat haar taken verband
hielden met uitoefening van typische overheidsbevoegdheden. Dus valt niet onder begrip onderneming.
➔ (2) Niet-commerciële (solidariteit gebaseerde):
Pouchet en Pistre. Ziekenfondsen/instanties uitsluitend sociale functie, die zijn dus non-profit. (nationale
solidariteit/geen winstoogmerk). Dus valt niet onder het begrip onderneming. Toetsing of sociale
verzekeringsregelingen als economische activiteit moeten worden beschouwd: 1) Streeft het betrokken
orgaan een winstgevend of sociaal doel na? 2) Wat is het niveau van solidariteit? 3) Wat is het niveau van
toezicht door de overheid?
Art. 101 is niet van toepassing wanneer twee ondernemingen als één optreden. Bijvoorbeeld als het gaat
om moederonderneming en dochteronderneming. Deze worden gezien als ‘één enkele economische
eenheid.’
(2) Vormen van kartelvorming die verboden zijn volgens artikel 101(1) VWEU
Voor de toepassing van artikel 101 VWEU moet er sprake zijn van enige vorm van kartelvorming. De
kartelvorming tussen ondernemingen kan bestaan uit één van de volgende vormen:
1) Overeenkomsten
2) Onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen
3) Besluiten van ondernemingsverenigingen
Overeenkomsten (1)
, Is ruim uitgelegd. Moet gewoon sprake zijn van wilsovereenstemming. De vorm van de overeenkomst
maakt niet uit. Onder art. 101 vallen horizontale en verticale overeenkomsten. Horizontaal =
ondernemingen concurreren op hetzelfde niveau van commerciële keten. Verticaal = ondernemingen
verschillen van niveaus.
Intermerk concurrentie: concurrentie tussen verschillende merken.
Intramerk concurrentie: concurrentie tussen debiteurs hetzelfde merk.
Art 101 maakt geen onderscheid tussen horizontale en verticale overeenkomsten. In Consten en Grundig
bevestigde het Hof dat ook verticale overeenkomsten eronder vallen.
Het is lastig om de grens te bepalen tussen stilzwijgend instemming en eenzijdig oplegging.
Bayer-zaak → Soms lijkt gedrag eenzijdig, maar is er toch een verborgen afspraak tussen partijen. Zo’n
‘schijnbaar eenzijdig gedrag’ telt als een overeenkomst als de andere partij (stilzwijgend) instemt met dat
gedrag, bijvoorbeeld door het te accepteren of na te leven. De bewijslast ligt hierbij bij de Europese
Commissie.
An ‘apparenty unilateral measure’ → Bayer Case. → Je moet je publiekelijk aantonen dat je er niet mee
eens ben. Als je stil bent tijdens een meeting, dan ben je nogsteeds betrokken. Je bent nogsteeds
convered bij art. 101
Onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen (2)
Vangnet om alle vormen van kartelgedrag te bestraffen die net niet als een overeenkomst kunnen worden
gezien. Suiker Unie heeft gespecificeerd wat hieronder valt:
‘Elke onderneming haar beleid op de markt zelfstandig moet bepalen. Ondernemingen mogen zich
intelligent aanpassen aan het bestaande en verwachte gedrag van hun concurrenten. Wat niet is
toegestaan, is enig direct of indirect contact tussen zulke marktpartijen met als doel of effect het gedrag
van een werkelijke of potentiële concurrent te beïnvloeden of om hun eigen huidige of toekomstige
handelsgedrag aan die concurrent te onthullen.’
Het is vaak het gevolg van oligopolische marktstructuur (=markt met weinig grote spelers). Wanneer er
weinig ondernemingen zijn, is het strategisch gedrag van iedere speler bekend bij de anderen en
afhankelijk van het gedrag van die anderen. Zij handelen dan parallel. Een prijsverhoging door één
onderneming zou effect hebben op het marktaandeel van zichzelf of anderen, waardoor het logischer is
om de prijzen parallel te verhogen. → Het moet bewezen worden dat er direct of indirect contact was
tussen ondernemingen om individuele, commercieel gevoelige informatie uit te wisselen. Die grens
tussen illegaal en legaal is lastig te meten.
Verdere uitleg in Suiker Unie en daarna ICI v Commissie → Onderling afgestemde feitelijke gedragingen
hoeven niet alle elementen van een contract te hebben, maar kunnen ontstaan uit coördinatie die blijkt uit
het gedrag van de partijen. Parallel gedrag op zich is geen onderling afgestemde gedraging, maar kan daar
wel sterk op wijzen als het leidt tot concurrentievoorwaarden die afwijken van de normale
marktomstandigheden, rekening houdend met product, marktgrootte en aantal ondernemingen.
CASE LAW
• HÖFNER AND ELSER-CASE (C-41/90);
• SAT V. EUROCONTROL-CASE (C-364/92);
• POUCET AND PISTRE-CASE (C-159/91 AND C -160/91);
• CONSTEN AND GRUNDIG-CASE (56/64 AND 58/64);
• BAYER-CASE (T-41/96);
• ICI V. COMMISSION-CASE (49/69);
• P CARTES BANCAIRES V. COMMISSION -CASE (C-67/13);
• SOCIÉTÉ TECHNIQUE MINIÈRE (STM) -CASE (56-65);
• DELIMITIS-CASE (C-234/89);
• LADBROKE RACING-CASE (JOINED CASES C-359/95 P AND C -379/05 P);
• WOUTERS-CASE (C-305/99);
• ALBANY-CASE (C-67/96);
• JOHN DEERE-CASE (T-35/92);
• SUIKER UNIE-CASE (JOINED CASES 40-48, 50, 54-56, 111, 113 AND 114/73);
• HOFFMANN-LA ROCHE-CASE (85/76);
• AKZO-CASE (62/86);
• UNITED BRANDS-CASE (27/76);
• BRONNER-CASE (C-7/97);
• MICHELIN II-CASE (T-203/01
Week 1 Canvas Literatuur
E-Lesson Introduction to EU competition law [138 words]
Het EU-mededingingsrecht bestaat uit Europese wetgeving die gericht is op het beschermen van eerlijke
concurrentie tussen ondernemingen op de interne markt van de EU en op het bevorderen van
marktintegratie tussen markten/economieën van de lidstaten.
Het EU-mededingingsrecht bevat 3 bepalingen die worden behandeld:
- Art. 101 VWEU = bevat verbod op kartels of andere mededingingsbeperkende vormen van
samenspanning tussen ondernemingen.
- Art. 102 VWEU = bevat verbod op misbruik van een machtspositie door 1 of meerdere
ondernemingen.
- Art. 107 VWEU = bevat het verbod op het verlenen van staatssteun door lidstaten aan specifieke
ondernemingen.
,E-Lesson The prohibition of cartels: Article 101 TFEU [5,554 words]
Artikel 101 VWEU verbiedt anticoncurrerende afspraken tussen ondernemingen, ook wel bekend als
‘kartels’; een vorm van illegaal gedrag die de meest gevaarlijke mededingingsbeperkende praktijk is.
Artikel 101 VWEU bestaat uit drie belangrijke leden:
• De regel die anticoncurrerende overeenkomsten verbiedt – artikel 101(1) VWEU;
• De gevolgen van anticoncurrerend gedrag – artikel 101(2) VWEU;
• De mogelijkheid tot vrijstellingen voor gedragingen die onder lid 1 vallen – artikel 101(3) VWEU.
(1) Ondernemingen
Om te begrijpen welk gedrag verboden is onder artikel 101, moeten we eerst de betekenis van de term
‘onderneming’ definiëren.
Höfner en Elser → De definitie van een onderneming draait om de activiteit van de economische actor en
niet om de juridische of institutionele vorm.
Hofner en Elser → Any single economic entity engaged in economic activities irrespective of its
legal status and regardless the way in which it is financed.
Definitie van onderneming in 2 punten:
1) Single economic entity → Ten eerste zijn de juridische persoonlijkheid van de entiteit en
de wijze waarop zij wordt gefinancierd NIET relevant voor de definitie van onderneming.
2) Economic activity → Ten tweede moet de onderneming een economische activiteit
uitoefenen. → ‘offering of goods or services’ + ‘make profit’
Dit functionele concept van onderneming vergroot het toepassingsgebied van het mededingingsrecht,
zodat ook entiteiten die formeel niet als bedrijven worden gezien, hieronder kunnen vallen. Zelfs de staat
,en haar publieke organen kunnen soms als onderneming worden beschouwd wanneer zij een
economische activiteit verrichten.
Er zijn twee uitzonderingen op het begrip economische activiteit:
➔ (1) Uitoefening van overheidstaken:
SAT tegen Eurocontrol. Eurocontrol verricht geen economische activiteit, omdat haar taken verband
hielden met uitoefening van typische overheidsbevoegdheden. Dus valt niet onder begrip onderneming.
➔ (2) Niet-commerciële (solidariteit gebaseerde):
Pouchet en Pistre. Ziekenfondsen/instanties uitsluitend sociale functie, die zijn dus non-profit. (nationale
solidariteit/geen winstoogmerk). Dus valt niet onder het begrip onderneming. Toetsing of sociale
verzekeringsregelingen als economische activiteit moeten worden beschouwd: 1) Streeft het betrokken
orgaan een winstgevend of sociaal doel na? 2) Wat is het niveau van solidariteit? 3) Wat is het niveau van
toezicht door de overheid?
Art. 101 is niet van toepassing wanneer twee ondernemingen als één optreden. Bijvoorbeeld als het gaat
om moederonderneming en dochteronderneming. Deze worden gezien als ‘één enkele economische
eenheid.’
(2) Vormen van kartelvorming die verboden zijn volgens artikel 101(1) VWEU
Voor de toepassing van artikel 101 VWEU moet er sprake zijn van enige vorm van kartelvorming. De
kartelvorming tussen ondernemingen kan bestaan uit één van de volgende vormen:
1) Overeenkomsten
2) Onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen
3) Besluiten van ondernemingsverenigingen
Overeenkomsten (1)
, Is ruim uitgelegd. Moet gewoon sprake zijn van wilsovereenstemming. De vorm van de overeenkomst
maakt niet uit. Onder art. 101 vallen horizontale en verticale overeenkomsten. Horizontaal =
ondernemingen concurreren op hetzelfde niveau van commerciële keten. Verticaal = ondernemingen
verschillen van niveaus.
Intermerk concurrentie: concurrentie tussen verschillende merken.
Intramerk concurrentie: concurrentie tussen debiteurs hetzelfde merk.
Art 101 maakt geen onderscheid tussen horizontale en verticale overeenkomsten. In Consten en Grundig
bevestigde het Hof dat ook verticale overeenkomsten eronder vallen.
Het is lastig om de grens te bepalen tussen stilzwijgend instemming en eenzijdig oplegging.
Bayer-zaak → Soms lijkt gedrag eenzijdig, maar is er toch een verborgen afspraak tussen partijen. Zo’n
‘schijnbaar eenzijdig gedrag’ telt als een overeenkomst als de andere partij (stilzwijgend) instemt met dat
gedrag, bijvoorbeeld door het te accepteren of na te leven. De bewijslast ligt hierbij bij de Europese
Commissie.
An ‘apparenty unilateral measure’ → Bayer Case. → Je moet je publiekelijk aantonen dat je er niet mee
eens ben. Als je stil bent tijdens een meeting, dan ben je nogsteeds betrokken. Je bent nogsteeds
convered bij art. 101
Onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen (2)
Vangnet om alle vormen van kartelgedrag te bestraffen die net niet als een overeenkomst kunnen worden
gezien. Suiker Unie heeft gespecificeerd wat hieronder valt:
‘Elke onderneming haar beleid op de markt zelfstandig moet bepalen. Ondernemingen mogen zich
intelligent aanpassen aan het bestaande en verwachte gedrag van hun concurrenten. Wat niet is
toegestaan, is enig direct of indirect contact tussen zulke marktpartijen met als doel of effect het gedrag
van een werkelijke of potentiële concurrent te beïnvloeden of om hun eigen huidige of toekomstige
handelsgedrag aan die concurrent te onthullen.’
Het is vaak het gevolg van oligopolische marktstructuur (=markt met weinig grote spelers). Wanneer er
weinig ondernemingen zijn, is het strategisch gedrag van iedere speler bekend bij de anderen en
afhankelijk van het gedrag van die anderen. Zij handelen dan parallel. Een prijsverhoging door één
onderneming zou effect hebben op het marktaandeel van zichzelf of anderen, waardoor het logischer is
om de prijzen parallel te verhogen. → Het moet bewezen worden dat er direct of indirect contact was
tussen ondernemingen om individuele, commercieel gevoelige informatie uit te wisselen. Die grens
tussen illegaal en legaal is lastig te meten.
Verdere uitleg in Suiker Unie en daarna ICI v Commissie → Onderling afgestemde feitelijke gedragingen
hoeven niet alle elementen van een contract te hebben, maar kunnen ontstaan uit coördinatie die blijkt uit
het gedrag van de partijen. Parallel gedrag op zich is geen onderling afgestemde gedraging, maar kan daar
wel sterk op wijzen als het leidt tot concurrentievoorwaarden die afwijken van de normale
marktomstandigheden, rekening houdend met product, marktgrootte en aantal ondernemingen.