Leereenheid 1 De staat:
Doel van de rechtsstaat:
Is het voorkomen van willekeur en machtsmisbruik.
4 elementen van de rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel: waarborging vrijheid
a. Positief effect: grondslag overheidsoptreden
b. Negatief effect: grenzen aan overheidsoptreden
2. Machtenscheiding
3. Grondrechten
4. Rechterlijke controle
Zijn ook de kernmerken van klassieke-liberale rechtsstaat
Grondrechten zijn fundamentele rechtsnormen:
- Onthouden van inmenging
- Beperkingsbevoegdheden
- Beperking van overheidsmacht
Controle wordt beperkt door overheid.
Essentieel verschil tussen privaat- // publiekrecht:
Publiek: regels met betrekking tussen overheid en burgers en tussen overheden onderling.
Privaat: verhouding tussen private rechtspersonen.
Globaal verschil tussen staats- // bestuursrecht:
Staatsrecht: vooral institutioneel van karakter. Primair de instelling, werkwijze en bevoegdheden van
de organen van de staat beschreven.
- Grondrechten behoren tot staatsrecht.
Bestuursrecht: behoren de regels die de wijze waarop overheidsorganen burgers concreet tegemoet
treden. Hoe de publiekrechtelijke bevoegdheden worden uitgeoefend.
Waarom zijn bindende overheidsbeslissingen noodzakelijk en welk problematisch karakter hebben zij?
Ze zijn problematisch hieraan is dat de aanva arding niet vanzelf spreekt maar moet worden
verzekerd.
Het vorstelijke gezag in de periode van de soevereine vorstenstaatjes:
Vorst was plaatsvervanger van god:
- Regeerde in zijn naam
- Alle gezag in zijn handen
- Wie het vorstelijke gezag betwiste maakte zich schuldig aan de goddeloosheid en wachtte
een grote straf.
Effect reformatie in de 16e en 17e eeuw op staatsvorming in Europa:
Door de reformatie ging de eenheid van de christelijke wereld die geleid werd door de paus en de
keizer verloren. = Res publica chirstiana.
- Staten ontwikkelde zich extern als intern soeverein.
Het maatschappelijke verdrag:
- Fictief contract tussen de samenleving van de burgers en de overheid.
- Burgers aanvaarden het overheidsgezag
- Staat biedt burgers bescherming en vrede.
- Als de staat verplichtingen niet nakomt dan de burgers niet meer gebonden aan hun
verplichtingen tot gehoorzaamheid van de staat.
Welke rol speelt ‘ de wet’ bij de maatschappelijke aanvaarding van overheidsgezag?
- Biedt een waarborg van willekeurig overheidsoptreden.
- Voor iedereen zichtbaar wat de overheid kan en mag.
1
,Waarom was het noodzakelijk om de democratie in te voeren in de klassiek – liberale
rechtsstaat?
- Gaat uit van vrijheid en gelijkheid van ieder individu maar ontkent het bestaan van
feitelijke ongelijkheden die niet aan prestaties van het individu zijn te wijten.
- Invoering van democratie in de vorm van algemeen kiesrecht komt toe aan het feit dat er
in ieder geval politieke gelijkheid bestond.
Na de oorlog kwam het geloof dat politieke en juridische vrijheid weinig nut had als er geen sociale
gelijkheid betstaat.
- Overheid ging actief aan de slag om gelijke omstandigheden te scheppen.
Confederatie// statenbond:
Is een zwakke staatsvorm
- Centrale gezag heeft beperkte bevoegdheden
- Kan geen besluiten nemen die burgers rechtstreeks binden.
- Deelnemende staten hebben secessie // kunnen er altijd uit stappen
Federatie:
Bestaat uit een centrale overheid en een aantal deelgebieden.
- Tweekamerstelsel.
o 1 kamer samengesteld uit vertegenwoordigers van of uit landsdelen.
- 2 type deelstaatkamers:
o Senaat: bijv. VS.
Leden rechtstreeks gekozen // vervullen functie met mandaat
o Bondsraad: bijv. Duitsland
Leden senaatskamers treden namens hun deelstaten
Eenheidsstaat:
Staatsvorm waarbij er naast de centrale overheid, lagere overheden zijn met staatsmacht.
- De centrale overheid kan de bevoegdheden altijd weer afnemen.
- Ook is er controle op de lagere eenheden.
Koninkrijk der Nederlanden:
Heeft kenmerken van bondstaats en eenheidstaats:
- Statenbond: recht van secessie.
Aruba // Curaçao // Sint Maarten.
- Eenheidsstaat: openbaar lichaam = bijzondere gemeente.
Bonaire // Sint Eustatius // Saba.
2
, Leereenheid 2 Parlementair stelsel:
De voornaamste regeringsstelsel:
1. Presidentiele regeringsstelsel:
- strikte scheiding van wetgevende macht en uitvoerende macht.
- sterk ontwikkeld systeem van checks and balances.
- wetgevende macht: volksvertegenwoordiging
Uitvoerende macht: president
Beide hebben een zelfstandige democratische legitimatie.
2. Parlementair stelsel:
- door volksvertegenwoordiging gekozen.
- voor functioneren afhankelijk van het vertrouwen van meerderheid
in het parlement.
Samenwerking tussen beide staat centraal.
3. Conventioneel regeringsstelsel:
- alle macht bij gekozen volksvertegenwoordigers.
- regering is dagelijks bestuur van het parlement.
- monistisch stelsel waarbij geen sprake is van machtenscheiding
De 3 regeringsvormen hebben gemeen dat het is voortgekomen uit streven de macht van de absolute
vorst te beperken.
Verschil ontwikkeling parlementair stelsel tussen Engeland en Nederland:
Engeland:
- Parlement al sinds de 18de eeuw controle over regerinsgbeleid.
- Koning speelde een kleinere rol.
Nederland:
- Koning na vestiging van koninkrijk der Nederlanden in 1815 een dominante rol.
- Ministeriele regeling, 1848, zorgde dat de regering voortaan zich moet verantwoorden aan
de Staten-Generaal.
- Einde 19de eeuw rol van de koning naar de achtergrond.
- Wisselwerking tussen ministers en volksvertegenwoordigers kwam centraal te staan.
Meerderheidsregel:
Beslissingen worden geformuleerd als Ja/Nee beslissingen, waarbij de meerderheid van diegene die
stemmen de doorslag geeft.
Meerderheid = helft + 1.
In democratie is ieders mening gelijk. Omdat umaniteit vrijwel onbereikbaar is, wordt in de democratie
meerderheidsregel gehanteerd.
Nadelen meerderheidsregel:
- Indien geen andere regels gelden dan deze kan dat uitmonden in een dictatuur, waarbij
minderheid geen stem meer heeft.
- Verhult het eenvoudig tellen van meningen de onderliggende diversiteit.
Hoe worden nadelen in NL voorkomen?
- Zoveel mogelijk gestreefd naar een grotere mate van overeenstemming dan enkel de
meerderheid.
- Voorschriften met een gekwalificeerde grotere meerderheid.
Regering:
Gevormd door de koning + een of meer ministers of staatsecretarissen.
Onderscheiding tussen minister en staatssecretaris:
- Beide deel van de regering // art. 46 GW
3
, - Externe verhoudingen gelijk aan elkaar // art. 47 GW
- Staatssecretaris maakt geen deel uit van ministerraad //art. 45 GW
Secretaris intern ondergeschikt aan minister.
Hoofdlijnen kabinetsformatie:
- 2de kamer wijst informateur aan // art. 139a KVO
- Vaststellen van coalitiepartijen, onderhandelen de fractievoorzitters onder leiding van de
informateur over het toekomstige beleid. = regeerakkoord
- Informateur brengt verslag uit aan de 2de kamer.
- Formateur wordt aangewezen. Is meestal MP.
- Beoogde ministerraad bijeen en houdt constituerende vergadering
Ministers verbinden zich aan regeerakkoord.
- Formateur brengt verslag uit aan koning en draagt bewindslieden voor.
- Koning benoemd nieuwe kabinet met contraseign van MP // art. 48 GW
Positie 1ste en 2de kamer:
Ministeriele verantwoordelijkheid:
Parlementaire controle = vragenvuur
- Ministers hebben verantwoordelijkheden ten opzichte van hun ambt:
Civielrechtelijke kwesties
Strafrechtelijke kwesties
Politiekrechtelijke kwesties
- Verantwoordelijk voor het handelen en het nalaten.
Vertrouwensregel:
is de sanctie van de ministeriele verantwoordelijkheid
- Geen vertrouwen meer is aftreden.
- Omvat het totale doen en laten van de regering.
- Verantwoording afleggen aan volksvertegenwoordiging.
Wanneer SG vertrouwen kwijt is in minister:
- Motie van wantrouwen
- Geldt als kabinet in geheel
- Ministers en staatssecretarissen.
4
Doel van de rechtsstaat:
Is het voorkomen van willekeur en machtsmisbruik.
4 elementen van de rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel: waarborging vrijheid
a. Positief effect: grondslag overheidsoptreden
b. Negatief effect: grenzen aan overheidsoptreden
2. Machtenscheiding
3. Grondrechten
4. Rechterlijke controle
Zijn ook de kernmerken van klassieke-liberale rechtsstaat
Grondrechten zijn fundamentele rechtsnormen:
- Onthouden van inmenging
- Beperkingsbevoegdheden
- Beperking van overheidsmacht
Controle wordt beperkt door overheid.
Essentieel verschil tussen privaat- // publiekrecht:
Publiek: regels met betrekking tussen overheid en burgers en tussen overheden onderling.
Privaat: verhouding tussen private rechtspersonen.
Globaal verschil tussen staats- // bestuursrecht:
Staatsrecht: vooral institutioneel van karakter. Primair de instelling, werkwijze en bevoegdheden van
de organen van de staat beschreven.
- Grondrechten behoren tot staatsrecht.
Bestuursrecht: behoren de regels die de wijze waarop overheidsorganen burgers concreet tegemoet
treden. Hoe de publiekrechtelijke bevoegdheden worden uitgeoefend.
Waarom zijn bindende overheidsbeslissingen noodzakelijk en welk problematisch karakter hebben zij?
Ze zijn problematisch hieraan is dat de aanva arding niet vanzelf spreekt maar moet worden
verzekerd.
Het vorstelijke gezag in de periode van de soevereine vorstenstaatjes:
Vorst was plaatsvervanger van god:
- Regeerde in zijn naam
- Alle gezag in zijn handen
- Wie het vorstelijke gezag betwiste maakte zich schuldig aan de goddeloosheid en wachtte
een grote straf.
Effect reformatie in de 16e en 17e eeuw op staatsvorming in Europa:
Door de reformatie ging de eenheid van de christelijke wereld die geleid werd door de paus en de
keizer verloren. = Res publica chirstiana.
- Staten ontwikkelde zich extern als intern soeverein.
Het maatschappelijke verdrag:
- Fictief contract tussen de samenleving van de burgers en de overheid.
- Burgers aanvaarden het overheidsgezag
- Staat biedt burgers bescherming en vrede.
- Als de staat verplichtingen niet nakomt dan de burgers niet meer gebonden aan hun
verplichtingen tot gehoorzaamheid van de staat.
Welke rol speelt ‘ de wet’ bij de maatschappelijke aanvaarding van overheidsgezag?
- Biedt een waarborg van willekeurig overheidsoptreden.
- Voor iedereen zichtbaar wat de overheid kan en mag.
1
,Waarom was het noodzakelijk om de democratie in te voeren in de klassiek – liberale
rechtsstaat?
- Gaat uit van vrijheid en gelijkheid van ieder individu maar ontkent het bestaan van
feitelijke ongelijkheden die niet aan prestaties van het individu zijn te wijten.
- Invoering van democratie in de vorm van algemeen kiesrecht komt toe aan het feit dat er
in ieder geval politieke gelijkheid bestond.
Na de oorlog kwam het geloof dat politieke en juridische vrijheid weinig nut had als er geen sociale
gelijkheid betstaat.
- Overheid ging actief aan de slag om gelijke omstandigheden te scheppen.
Confederatie// statenbond:
Is een zwakke staatsvorm
- Centrale gezag heeft beperkte bevoegdheden
- Kan geen besluiten nemen die burgers rechtstreeks binden.
- Deelnemende staten hebben secessie // kunnen er altijd uit stappen
Federatie:
Bestaat uit een centrale overheid en een aantal deelgebieden.
- Tweekamerstelsel.
o 1 kamer samengesteld uit vertegenwoordigers van of uit landsdelen.
- 2 type deelstaatkamers:
o Senaat: bijv. VS.
Leden rechtstreeks gekozen // vervullen functie met mandaat
o Bondsraad: bijv. Duitsland
Leden senaatskamers treden namens hun deelstaten
Eenheidsstaat:
Staatsvorm waarbij er naast de centrale overheid, lagere overheden zijn met staatsmacht.
- De centrale overheid kan de bevoegdheden altijd weer afnemen.
- Ook is er controle op de lagere eenheden.
Koninkrijk der Nederlanden:
Heeft kenmerken van bondstaats en eenheidstaats:
- Statenbond: recht van secessie.
Aruba // Curaçao // Sint Maarten.
- Eenheidsstaat: openbaar lichaam = bijzondere gemeente.
Bonaire // Sint Eustatius // Saba.
2
, Leereenheid 2 Parlementair stelsel:
De voornaamste regeringsstelsel:
1. Presidentiele regeringsstelsel:
- strikte scheiding van wetgevende macht en uitvoerende macht.
- sterk ontwikkeld systeem van checks and balances.
- wetgevende macht: volksvertegenwoordiging
Uitvoerende macht: president
Beide hebben een zelfstandige democratische legitimatie.
2. Parlementair stelsel:
- door volksvertegenwoordiging gekozen.
- voor functioneren afhankelijk van het vertrouwen van meerderheid
in het parlement.
Samenwerking tussen beide staat centraal.
3. Conventioneel regeringsstelsel:
- alle macht bij gekozen volksvertegenwoordigers.
- regering is dagelijks bestuur van het parlement.
- monistisch stelsel waarbij geen sprake is van machtenscheiding
De 3 regeringsvormen hebben gemeen dat het is voortgekomen uit streven de macht van de absolute
vorst te beperken.
Verschil ontwikkeling parlementair stelsel tussen Engeland en Nederland:
Engeland:
- Parlement al sinds de 18de eeuw controle over regerinsgbeleid.
- Koning speelde een kleinere rol.
Nederland:
- Koning na vestiging van koninkrijk der Nederlanden in 1815 een dominante rol.
- Ministeriele regeling, 1848, zorgde dat de regering voortaan zich moet verantwoorden aan
de Staten-Generaal.
- Einde 19de eeuw rol van de koning naar de achtergrond.
- Wisselwerking tussen ministers en volksvertegenwoordigers kwam centraal te staan.
Meerderheidsregel:
Beslissingen worden geformuleerd als Ja/Nee beslissingen, waarbij de meerderheid van diegene die
stemmen de doorslag geeft.
Meerderheid = helft + 1.
In democratie is ieders mening gelijk. Omdat umaniteit vrijwel onbereikbaar is, wordt in de democratie
meerderheidsregel gehanteerd.
Nadelen meerderheidsregel:
- Indien geen andere regels gelden dan deze kan dat uitmonden in een dictatuur, waarbij
minderheid geen stem meer heeft.
- Verhult het eenvoudig tellen van meningen de onderliggende diversiteit.
Hoe worden nadelen in NL voorkomen?
- Zoveel mogelijk gestreefd naar een grotere mate van overeenstemming dan enkel de
meerderheid.
- Voorschriften met een gekwalificeerde grotere meerderheid.
Regering:
Gevormd door de koning + een of meer ministers of staatsecretarissen.
Onderscheiding tussen minister en staatssecretaris:
- Beide deel van de regering // art. 46 GW
3
, - Externe verhoudingen gelijk aan elkaar // art. 47 GW
- Staatssecretaris maakt geen deel uit van ministerraad //art. 45 GW
Secretaris intern ondergeschikt aan minister.
Hoofdlijnen kabinetsformatie:
- 2de kamer wijst informateur aan // art. 139a KVO
- Vaststellen van coalitiepartijen, onderhandelen de fractievoorzitters onder leiding van de
informateur over het toekomstige beleid. = regeerakkoord
- Informateur brengt verslag uit aan de 2de kamer.
- Formateur wordt aangewezen. Is meestal MP.
- Beoogde ministerraad bijeen en houdt constituerende vergadering
Ministers verbinden zich aan regeerakkoord.
- Formateur brengt verslag uit aan koning en draagt bewindslieden voor.
- Koning benoemd nieuwe kabinet met contraseign van MP // art. 48 GW
Positie 1ste en 2de kamer:
Ministeriele verantwoordelijkheid:
Parlementaire controle = vragenvuur
- Ministers hebben verantwoordelijkheden ten opzichte van hun ambt:
Civielrechtelijke kwesties
Strafrechtelijke kwesties
Politiekrechtelijke kwesties
- Verantwoordelijk voor het handelen en het nalaten.
Vertrouwensregel:
is de sanctie van de ministeriele verantwoordelijkheid
- Geen vertrouwen meer is aftreden.
- Omvat het totale doen en laten van de regering.
- Verantwoording afleggen aan volksvertegenwoordiging.
Wanneer SG vertrouwen kwijt is in minister:
- Motie van wantrouwen
- Geldt als kabinet in geheel
- Ministers en staatssecretarissen.
4