Systeem en ketenmanagement
les 1
Gemeenschappelijke veiligheidszorg
> een idee dat van de politie afkomstig is
> een samenwerking tussen veiligheidsinstanties
Essentie ketendenken → je richt je op het eindproduct
Coördinatiemechanismen
- markt coördinatie (vraag en aanbod) alle partijen blijven autonoom, niet in keten maar komen
elkaar tegen
- hiërarchische coördinatie (top down) hoogste bepaalt de rest
- netwerkcoördinatie (interdependentie = wederzijdse afhankelijkheid) niet de baas over elkaar
Samenleving en veiligheid
Sterkere behoefte aan veiligheid → risicomaatschappij (een maatschappij waarin risico’s
zoveel voorkomen dat men moeite heeft het te beheren)
↪ wederzijdse afhankelijkheid (veiligheid in de publieke ruimte)
Integrale aanpak → zowel in sociaal als fysiek terrein in alle fasen van de veiligheidsketen
actief zijn
Basisbegrippen SKM
● keten : oerproducent → fabrikant → levert aan groothandel → levert aan
detailhandel → levert aan consument (gaat uit van proces)
● systeem : verzameling elementen waartussen een specifiek patroon van relatie bestaat (gaat
uit van een structuur waarbinnen een proces kan plaatsvinden)
● netwerk : onderlinge afhankelijke activiteiten die op een bepaalde wijze zijn gebundeld om
een bepaald doel te bereiken
Systeemdenken
- systeemfilosofie (procesdenken)
↪ onderscheid tussen structuur en proces → Plato, Aristoteles
reductionisme (elementen scheiden, laboratorium) versus holisme (de samenhang tussen
elementen in systeem, het geheel)
- systeemtheorie (ASL von Bertalanffy)
↪ bioloog, open systeembenadering, systeemhiërarchie, transdiscipline en →
systeem methodologie (ITO)
Systeemsoorten
- fysisch (rivieren)
- biologisch (levende organismen)
- ontworpen/kunstmatig (auto)
- abstract (filosofie, denksystemen)
- sociaal (familie) → interacties tussen elementen → interacties maken deel uit van
sociaal systeem
- menselijke activiteiten (human activity system) → doel betrokken interacties
tussen elementen..goederen/diensten
Systeemfilosofie
- analytisch → verklaren (reductionistisch)
- systemisch → begrijpen, soms ook ontwikkelen (holistisch)
, Algemene systeemleer (ASL) → gaat uit van systeem en omgeving
- systeem en omgeving
> veelheid aan systemen: familie, scholen, politieke partijen
> omgeving is al het andere (natuur, mensen, andere sociale systemen)
- wisselwerking tussen systeem en omgeving op een bepaalde manier reageren/aanpassen
> hoe veranderen sociale (en psychische) systemen zich in verhouding tot hun omgeving?
> een omgeving die zelf ook voortdurend verandert
- systeemgrenzen
> handelende subjecten rekenen zichzelf tot bepaalde systemen en trekken daarin grenzen
(bepaalde systeemgrenzen en systeemregels)
- verandering van systeemgrenzen
> alleen mogelijk omdat mensen zich oriënteren aan het onderscheid systeem
↪ bv. naschoolse opvang, eigenlijk al uit maar ouders halen op
- identiteit/eenheid tov. andere systemen (eenheid verliezen)
- complexiteit en complexiteitsreductie (vergelijking van systeem en omgeving)
> reducties zijn veronderstellingen voor beleven en handelen
↪ omgeving is altijd complexer dan het systeem zelf → aanpassing van systeem
(effectieve methode)
Universele aanwendbaarheid : ASL probeert algemeen toepasbaar te zijn op alle sociale
feiten/gegevens
Systeemleer
- functionele differentiatie → deelsystemen (moderne maatschappijen)
> systeem reageert op complexiteit door zich steeds verder op te splitsen in deelsystemen op
specifieke functies (politiek, economie, wetenschap, leger, onderwijs)
→ scherptediepte : het grote onderscheid met vroegere beschavingen
les 1
Gemeenschappelijke veiligheidszorg
> een idee dat van de politie afkomstig is
> een samenwerking tussen veiligheidsinstanties
Essentie ketendenken → je richt je op het eindproduct
Coördinatiemechanismen
- markt coördinatie (vraag en aanbod) alle partijen blijven autonoom, niet in keten maar komen
elkaar tegen
- hiërarchische coördinatie (top down) hoogste bepaalt de rest
- netwerkcoördinatie (interdependentie = wederzijdse afhankelijkheid) niet de baas over elkaar
Samenleving en veiligheid
Sterkere behoefte aan veiligheid → risicomaatschappij (een maatschappij waarin risico’s
zoveel voorkomen dat men moeite heeft het te beheren)
↪ wederzijdse afhankelijkheid (veiligheid in de publieke ruimte)
Integrale aanpak → zowel in sociaal als fysiek terrein in alle fasen van de veiligheidsketen
actief zijn
Basisbegrippen SKM
● keten : oerproducent → fabrikant → levert aan groothandel → levert aan
detailhandel → levert aan consument (gaat uit van proces)
● systeem : verzameling elementen waartussen een specifiek patroon van relatie bestaat (gaat
uit van een structuur waarbinnen een proces kan plaatsvinden)
● netwerk : onderlinge afhankelijke activiteiten die op een bepaalde wijze zijn gebundeld om
een bepaald doel te bereiken
Systeemdenken
- systeemfilosofie (procesdenken)
↪ onderscheid tussen structuur en proces → Plato, Aristoteles
reductionisme (elementen scheiden, laboratorium) versus holisme (de samenhang tussen
elementen in systeem, het geheel)
- systeemtheorie (ASL von Bertalanffy)
↪ bioloog, open systeembenadering, systeemhiërarchie, transdiscipline en →
systeem methodologie (ITO)
Systeemsoorten
- fysisch (rivieren)
- biologisch (levende organismen)
- ontworpen/kunstmatig (auto)
- abstract (filosofie, denksystemen)
- sociaal (familie) → interacties tussen elementen → interacties maken deel uit van
sociaal systeem
- menselijke activiteiten (human activity system) → doel betrokken interacties
tussen elementen..goederen/diensten
Systeemfilosofie
- analytisch → verklaren (reductionistisch)
- systemisch → begrijpen, soms ook ontwikkelen (holistisch)
, Algemene systeemleer (ASL) → gaat uit van systeem en omgeving
- systeem en omgeving
> veelheid aan systemen: familie, scholen, politieke partijen
> omgeving is al het andere (natuur, mensen, andere sociale systemen)
- wisselwerking tussen systeem en omgeving op een bepaalde manier reageren/aanpassen
> hoe veranderen sociale (en psychische) systemen zich in verhouding tot hun omgeving?
> een omgeving die zelf ook voortdurend verandert
- systeemgrenzen
> handelende subjecten rekenen zichzelf tot bepaalde systemen en trekken daarin grenzen
(bepaalde systeemgrenzen en systeemregels)
- verandering van systeemgrenzen
> alleen mogelijk omdat mensen zich oriënteren aan het onderscheid systeem
↪ bv. naschoolse opvang, eigenlijk al uit maar ouders halen op
- identiteit/eenheid tov. andere systemen (eenheid verliezen)
- complexiteit en complexiteitsreductie (vergelijking van systeem en omgeving)
> reducties zijn veronderstellingen voor beleven en handelen
↪ omgeving is altijd complexer dan het systeem zelf → aanpassing van systeem
(effectieve methode)
Universele aanwendbaarheid : ASL probeert algemeen toepasbaar te zijn op alle sociale
feiten/gegevens
Systeemleer
- functionele differentiatie → deelsystemen (moderne maatschappijen)
> systeem reageert op complexiteit door zich steeds verder op te splitsen in deelsystemen op
specifieke functies (politiek, economie, wetenschap, leger, onderwijs)
→ scherptediepte : het grote onderscheid met vroegere beschavingen