Forensische Psychopathologie
Introductie college
Forensische psychopathologie is gebaseerd op 3 pilaren: DSM-5 diagnoses (axis 1-5), risico-
en beschermende factoren (HCR-20v3,
HKT-R, Static Stable Acute, Fare) & karakteristieken van de misdaad (type misdaad, ernst,
gender/leeftijd van slachtoffer, recidive in verleden).
⟶ Deze pilaren kunnen ons vertellen wat er aan de hand is met de betreffende persoon
(needs).
Forensische assessment en behandeling
1. Beoordeling van de patiënt: starten met de (criminogene) needs, inventariseren wat
er mis is (3 pilaren)
2. Classificeren
3. Profielen: psychotisch, psychotisch met AS trekken, AS, middelenmisbruik,
maladaptieve affectieve stoornis, seksuele problemen.
4. Behandelprogramma’s: meerdere modules vanuit needs
Discussiepunten:
“Zonder inzicht in criminogene needs, geen inzicht in Risk en Responsivity”
Eens,
Je kunt dan het risico niet goed inschatten, want je weet niet welke factoren recidive
voorspellen en je kan de responsiviteit niet bepalen, omdat je niet weet waarop je de
interventie moet aangrijpen. ⟶ Er is een brug tussen risico en behandeling, zonder dat
inzicht behandel je symptomen ipv oorzaken van delictgedrag.
“Het opstellen van patientprofielen is nutteloos”
Oneens, maar...
Ze kunnen inzicht geven in patronen van delictgedrag, persoonlijkheid, risico, coping en
helpen bij behandelplanning & risicotaxatie, mits ze gebaseerd zijn op empirie en
individuele kenmerken. Als profielen te algemeen of stereotypisch worden, verliezen ze
hun waarde en kunnen ze stigmatiserend werken. Er zijn geen stereotypen maar
individuele casusanalyses nodig.
⟶ Dus, nuttig als klinisch hulpmiddel, maar niet als categoriserend label.
“Beschermende factoren maken een delinquent echt niet beter, focus alleen op
risicofactoren”
,Oude, delict gerichte visie (oneens)
Ze beschermen door het verminderen van kans op recidive en versterken motivatie voor
verandering. Volgens GLM lukken herstel en re-integratie beter als iemand leert
prosociale doelen te bereiken ipv alleen problemen te vermijden, dit draagt bij aan
gedragsverandering.
⟶ Risk reduction & strength promotion
Hoorcollege 1 en 2
Forensische psychiatrie en delictfactoren (as 1)
De meta-analyse van Douglas et al. vond dat psychose geassocieerd is met 49-68%
toegenomen risico op geweld. Ze toonden echter ook het belang van moderatoren aan.
Diverse meta-analyses hebben tevens aangetoond dat het belangrijk is om het risico op
geweld bij psychose op symptoomniveau te evalueren.
⟶ Coid et al. hebben in hun meta gevonden dat hallucinaties en manische symptomen
bij psychose niet geassocieerd zijn met een verhoogd risico op geweld, tenzij er sprake
was van een comorbide ASP. Alleen paranoïde wanen waren geassocieerd met een
hoger risico op geweld, onafhankelijk van comorbiditeit met middelenmisbruik of andere
stoornissen.
In tegenstelling, vond een andere meta dat zowel positieve, negatieve als
gedesorganiseerde symptomen geassocieerd zijn met een verhoogd risico op geweld,
met de sterkste associatie voor positieve symptomen.
Middelenmisbruik verhoogt het risico op geweld bij patiënten met psychose (9x groter
risico op geweldsdelicten met comorbide MM). Personen met psychose zonder
comorbide MM hebben maar 2x zo veel kans vergeleken met algemene populatie. Met of
zonder psychose is risico op geweld even groot voor MM.
Andere risicofactor voor geweld bij psychose is de duur van de onbehandelde eerste
psychose. Er is een significante relatie tussen de duur hiervan en het aantal moorden
gepleegd tijdens eerste psychose.
1 op de 10.000 pleegt een moord die behandeling heeft ontvangen vs.
1 op de 700 pleegt moord die een onbehandelde psychose heeft. Zij lopen dus 15 keer
hoger risico op het plegen van een moord.
Personen met een PS hebben verhoogd risico op geweld vergeleken met zij zonder PS.
Onder delinquenten hebben zij met een PS een groter recidiverisico dan zij zonder PS. De
ASP is het sterkst geassocieerd met geweld en delinquentie, zij vertonen 13 keer zo vaak
geweld. Ook geassocieerd met hoger algemeen-, gewelds- en seksueel recidiverisico.
Psychopathie heeft ook een verhoogd risico op geweld. PCL-R factor 1 omvat affectieve en
interpersoonlijke aspecten, factor 2 omvat gedragskenmerken van AS levensstijl. Meta van
Kennealy et al. toonde aan dat factor 2 beter voorspelt dan factor 1.
, Patiënten die behandeling niet voltooien vertonen meer recidivisme dan zij die dit wel
doen (31% vs 19%). Andersom hebben zij met een verhoogd recidiverisico een grotere kans
op het niet voltooien. Hierdoor ontstaat onderscheid tussen RR vóór en na de
behandeling. Antipsychotica en stemmingsstabilisatoren gingen gepaard met een lager
risico op geweldsdelicten.
Meta van Andrews et al. toonde aan dat de central 8 risicofactoren geslachtsneutraal zijn,
met een uitzondering voor MM (beter te voorspellen bij vrouwen).
Risicofactoren
Instrument Forensische Behandelevaluatie
Introductie college
Forensische psychopathologie is gebaseerd op 3 pilaren: DSM-5 diagnoses (axis 1-5), risico-
en beschermende factoren (HCR-20v3,
HKT-R, Static Stable Acute, Fare) & karakteristieken van de misdaad (type misdaad, ernst,
gender/leeftijd van slachtoffer, recidive in verleden).
⟶ Deze pilaren kunnen ons vertellen wat er aan de hand is met de betreffende persoon
(needs).
Forensische assessment en behandeling
1. Beoordeling van de patiënt: starten met de (criminogene) needs, inventariseren wat
er mis is (3 pilaren)
2. Classificeren
3. Profielen: psychotisch, psychotisch met AS trekken, AS, middelenmisbruik,
maladaptieve affectieve stoornis, seksuele problemen.
4. Behandelprogramma’s: meerdere modules vanuit needs
Discussiepunten:
“Zonder inzicht in criminogene needs, geen inzicht in Risk en Responsivity”
Eens,
Je kunt dan het risico niet goed inschatten, want je weet niet welke factoren recidive
voorspellen en je kan de responsiviteit niet bepalen, omdat je niet weet waarop je de
interventie moet aangrijpen. ⟶ Er is een brug tussen risico en behandeling, zonder dat
inzicht behandel je symptomen ipv oorzaken van delictgedrag.
“Het opstellen van patientprofielen is nutteloos”
Oneens, maar...
Ze kunnen inzicht geven in patronen van delictgedrag, persoonlijkheid, risico, coping en
helpen bij behandelplanning & risicotaxatie, mits ze gebaseerd zijn op empirie en
individuele kenmerken. Als profielen te algemeen of stereotypisch worden, verliezen ze
hun waarde en kunnen ze stigmatiserend werken. Er zijn geen stereotypen maar
individuele casusanalyses nodig.
⟶ Dus, nuttig als klinisch hulpmiddel, maar niet als categoriserend label.
“Beschermende factoren maken een delinquent echt niet beter, focus alleen op
risicofactoren”
,Oude, delict gerichte visie (oneens)
Ze beschermen door het verminderen van kans op recidive en versterken motivatie voor
verandering. Volgens GLM lukken herstel en re-integratie beter als iemand leert
prosociale doelen te bereiken ipv alleen problemen te vermijden, dit draagt bij aan
gedragsverandering.
⟶ Risk reduction & strength promotion
Hoorcollege 1 en 2
Forensische psychiatrie en delictfactoren (as 1)
De meta-analyse van Douglas et al. vond dat psychose geassocieerd is met 49-68%
toegenomen risico op geweld. Ze toonden echter ook het belang van moderatoren aan.
Diverse meta-analyses hebben tevens aangetoond dat het belangrijk is om het risico op
geweld bij psychose op symptoomniveau te evalueren.
⟶ Coid et al. hebben in hun meta gevonden dat hallucinaties en manische symptomen
bij psychose niet geassocieerd zijn met een verhoogd risico op geweld, tenzij er sprake
was van een comorbide ASP. Alleen paranoïde wanen waren geassocieerd met een
hoger risico op geweld, onafhankelijk van comorbiditeit met middelenmisbruik of andere
stoornissen.
In tegenstelling, vond een andere meta dat zowel positieve, negatieve als
gedesorganiseerde symptomen geassocieerd zijn met een verhoogd risico op geweld,
met de sterkste associatie voor positieve symptomen.
Middelenmisbruik verhoogt het risico op geweld bij patiënten met psychose (9x groter
risico op geweldsdelicten met comorbide MM). Personen met psychose zonder
comorbide MM hebben maar 2x zo veel kans vergeleken met algemene populatie. Met of
zonder psychose is risico op geweld even groot voor MM.
Andere risicofactor voor geweld bij psychose is de duur van de onbehandelde eerste
psychose. Er is een significante relatie tussen de duur hiervan en het aantal moorden
gepleegd tijdens eerste psychose.
1 op de 10.000 pleegt een moord die behandeling heeft ontvangen vs.
1 op de 700 pleegt moord die een onbehandelde psychose heeft. Zij lopen dus 15 keer
hoger risico op het plegen van een moord.
Personen met een PS hebben verhoogd risico op geweld vergeleken met zij zonder PS.
Onder delinquenten hebben zij met een PS een groter recidiverisico dan zij zonder PS. De
ASP is het sterkst geassocieerd met geweld en delinquentie, zij vertonen 13 keer zo vaak
geweld. Ook geassocieerd met hoger algemeen-, gewelds- en seksueel recidiverisico.
Psychopathie heeft ook een verhoogd risico op geweld. PCL-R factor 1 omvat affectieve en
interpersoonlijke aspecten, factor 2 omvat gedragskenmerken van AS levensstijl. Meta van
Kennealy et al. toonde aan dat factor 2 beter voorspelt dan factor 1.
, Patiënten die behandeling niet voltooien vertonen meer recidivisme dan zij die dit wel
doen (31% vs 19%). Andersom hebben zij met een verhoogd recidiverisico een grotere kans
op het niet voltooien. Hierdoor ontstaat onderscheid tussen RR vóór en na de
behandeling. Antipsychotica en stemmingsstabilisatoren gingen gepaard met een lager
risico op geweldsdelicten.
Meta van Andrews et al. toonde aan dat de central 8 risicofactoren geslachtsneutraal zijn,
met een uitzondering voor MM (beter te voorspellen bij vrouwen).
Risicofactoren
Instrument Forensische Behandelevaluatie