Opzet van het vak:
Vier foundational lectures, daarna splitst de klas op en kies je een eigen strand en werk je in dat groepje verder. In
het tentamen krijg je naast meerkeuze vragen (over college 1 tm 4) ook open vragen over de strand die je hebt
gekozen.
1. Case study
2. Grounded theory
3. Ethnography
4. Document analysis
College 1 docent M. Deunk:
Foundational lecture 1
The onto-epistemological nature of qualitative research
Bij onderzoek denk je vaak gelijk aan een Method. Maar we moeten eigenlijk een stapje terug zetten, want een
stapje eerder komt de Research Question, maar als je nog een stapje terug zet dan kom je uit bij een Research
paradigm. En als je dan nog een stap terug zet dan kom je uit bij Ontology en Espistemology. Volgorde is dus
eigenlijk:
Ontology & Epistemology → Research paradigm → Research Question → Methods
Ontology: “Ideas about the social world and how we can go about studing it”.
Ontologie gaat over wat bestaat in de werkelijkheid. Wat is de aard van de werkelijkheid? Welke soorten dingen
bestaan er? Bestaan ze onafhankelijk van ons (objectief), of alleen doordat wij ze beschrijven (constructief)? Wat is
“echt” en wat is “gemaakt”?
Ontology = Wat is het? → Bestaat ADHD als objectieve stoornis of is het een cultureel label?
Epistemology: “Ideas about knowledge and what constitues evidence”(Barbour, 2019, p.4)
Gaat over kennis en hoe we die kunnen verkrijgen. Wat telt als kennis? Hoe kunnen we betrouwbare kennis krijgen?
Welke methode is geschikt om die kennis te verzamelen? Kan de onderzoeker objectief zijn of beïnvloedt de
onderzoeker altijd het onderzoek? “Hoe kunnen we weten wat we willen weten?”.
Epistemology = Hoe weten we dat? → Meten we het via test en hersenscans (positivistisch) of via ervaringen en
observaties (interpretatief)?
Ontology en Epistemology lijken nu hele verschillende begrippen. Maar docent laat nu aan de hand van voorbeelden
zien dat er ook overlap mogelijk is. Belangrijke begrippen die je hierbij moet onthouden zijn Positivism (kwanti, in
onderstaand voorbeeld paars) en Constructivism (kwali, in onderstaand
voorbeeld blauw). Boodschap is dat je erg snel gelijk naar methods kijkt als je
onderzoek gaat doen. Maar belangrijk is dus ook om uit te zoomen en te
bedenken hoe je ergens over denkt en hoe je ergens naar kijkt.
Positivism: “attempted to replicate the natural sciences in seeking
control in the natural world, through establishing universal laws,
which could be further tested through as set of scientific rules of
method: Positivisme is een wetenschapsfilosofische stroming die stelt dat echte
kennis gebaseerd moet zijn op objectieve, meetbare feiten. → kwantitatief
onderzoek
Constructivism: “emphasize the contingent nature of knowledge
and reality, arguing there is no ultimate objective reality” (Barbour,
p.10: Constructivisme stelt dat kennis niet wordt ontdekt, maar geconstrueerd
door mensen. → kwalitatief onderzoek.
,Docent vertelt dat in scripties het vaak voorkomt dat studenten een kwalitatief onderzoek doen (Constructivism) en
dan later in hun discussie stellen dat ze niet kunnen generaliseren, omdat ze bijvoorbeeld maar enkele interviews
hebben gedaan, echter dan mix je het opeens met Positivisme. En bij constructivisme neem je genoegen met enkele
interviews en ben je nieuwsgierig naar wat daar dan uitkomt en is je doel niet om te generaliseren. Je gebruikt dit
dus (te) makkelijk door elkaar.
Komen nu voorbeelden van onderzoekers die ontology of epistemology (in practice) verwerkt hebben in hun taal in
het onderzoek.
Rogoff stelt dat mensen zich ontwikkelen binnen culturele gemeenschappen, en dat ontwikkeling alleen te
begrijpen is in relatie tot cultuur, context en praktijken van die gemeenschap.
“People develop as participants in cultural communities. Their development can be understood only in light of the
cultural practices and circumstances of their communities—which also change.” (Rogoff, 2003, p. 10-11).
Vb: Question: about at what age can handle children sharp knives? → Wat denk en voel je hierbij? De manier waarop
je nadenkt over het antwoord geeft aan hoe beïnvloed je bent door je culturele omgeving. Maar onze denkwijze is
niet de waarheid. Kinderen worden erg beïnvloed door omgeving als ze opgroeien.
Dit is en een ontologische uitspraak: het zegt iets over de aard van menselijke ontwikkeling (= cultuur ingebed) en
een epistemologische uitspraak: kennis is alleen begrijpelijk als we de culturele context meenemen.
(Some) main points for us:
✓ Cultural embeddedness of learning and development (and of research). → Leren, ontwikkelen én onderzoek
zijn altijd beïnvloed door cultuur; niets gebeurt in een culturele leegte.
✓ The status quo and/or the acts and views of the cultural majority may be “invisible”, or seem “neutral” to
members of that majority. → Wat de dominante cultuur normaal vindt, lijkt vaak “neutraal”, maar dat is
slechts omdat het voor die groep vanzelfsprekend is.
✓ Important to study developmental patterns embedded in socio-cultural context, withholding judgemental
values. Be aware of possible deficit discourse. → Ontwikkelingspatronen moet je onderzoeken in hun
volledige sociale en culturele context, zonder te snel te oordelen of iets als een tekort te zien.
✓ Researcher position (ibid., p. 30-31).
Emic (inside perspective): Het emic perspectief gaat uit van de betekenis die mensen zélf geven aan hun
ervaringen en gedrag. → Een kind zegt: “Ik word boos omdat het te druk is in de klas.”
Etic (outside perspective): Het etic perspectief is het analytische perspectief van de onderzoeker. De
onderzoeker duidt hetzelfde gedrag als prikkelovergevoeligheid of problemen in zelfregulatie.
Derived etic (brug tussen emic en etic): outsiders perspective, but methods of research and
interpretations are informed by an insider’s perspective. → Een onderzoeker kijkt van buitenaf, maar moet
zijn interpretaties baseren op het perspectief van binnenuit. → Meerdere kinderen spreken over “drukte”,
“geluid” en “te veel tegelijk”. → De onderzoeker benoemt dit als sensorische overbelasting.
✓ Research and researchers can never be neutral, hence researcher reflexivity is essential → Onderzoek is
nooit neutraal.
Pomerantz en Mandelbaum benadrukken dat mensen in een cultuur betekenisverlenende actoren zijn.
“Persons in a culture [are] sense-making actors. (…) The analyses that members of a culture make in
performing and understanding actions, activities and events are the objects of inquiry.” (Pomerantz &
Mandelbaum, 2004, p.192). → (people creating memory)
Dit is een epistemologische uitspraak: kennis komt uit analyse van sociale interactie, niet via vragen, maar via
observatie van handelen. Interactie onthulpt culturele normen.
(Some) main points for us:
✓ Analyse what people do (enact, perform), rather than what they say. → Niet vragen wat mensen bedoelen,
maar observeren hoe ze handelen en interacties uitvoeren.
✓ E.g., Rather than asking respondents what is the meaning of “friendship”, observe how people “do”
friendship in interaction to infer its meaning. → Door te zien hoe mensen bijvoorbeeld “vriendschap doen”,
begrijp je wat het voor hen betekent.
✓ People’s social actions reveal (cultural) knowledge and understanding, and social order. → Gedrag binnen
interacties laat zien welke culturele regels en verwachtingen er gelden.
, ✓ What participants make relevant in their interaction, has relevance for them. → Wat deelnemers zelf
belangrijk maken in een gesprek, is belangrijk voor hen.
✓ “Ordinary” social interaction may seem messy and of less importance, but carries socio-cultural information,
which participants are oriented towards and rely on. → Zelfs ogenschijnlijk onbelangrijke gesprekjes bevatten
culturele informatie die deelnemers gebruiken en herkennen.
Interactie in een institutionele context – kun je bestuderen
Wanneer mensen met elkaar praten binnen een institutionele setting (zoals een klaslokaal, ziekenhuis, rechtbank),
gedragen ze zich anders dan in alledaagse gesprekken. Dat komt doordat er gedeelde kennis en verwachtingen zijn
over: welke soorten vragen gesteld worden, wie welke rol heeft (bijv. leraar ↔ leerling), welke topics passend zijn,
welk doel de interactie dient (bijv. uitleg geven, toetsen, diagnosticeren). De manier waarop deelnemers spreken is
cultureel ingebed: iedereen weet impliciet welke rollen en handelingen horen bij de situatie. In een klaslokaal weten
leraren en leerlingen automatisch dat er bepaalde “speech acts” horen bij onderwijs. Deze gedeelde kennis vormt de
interactionele orde van het klaslokaal.
Vb 1:
Andere voorbeelden:
-Een dokter die zegt, hoe voelt u zich vandaag? ” (Pomerantz & Mandelbaum,2004, p.194) → instutioneel
routinematige vraag.
-Een leerkracht die testvragen stelt waarvan zij het antwoord al weet n (e.g., Margutti, 200 → known-answer
questions
Mogelijke educational structures or phenomena to study:
-IRE – Initiation Response Evaluation/Feedback (Mehan, 1979) → De interactie volgt institutionele regels: de leraar
stelt een vraag, het kind geeft antwoord, de leraar evalueert.
-Teacher and student roles and accompanying “rights”, conduct and acts → Teacher/student roles met bijbehorende
“rechten” en gedragingen
-Recast (e.g., Ellis & Sheen, 2006) → de docent herformuleert of corrigeert subtiel het antwoord van een leerling
Vb 2:
T: What did you bring?
Ch1: (pineapple, verkeerde uitspraak) → zacht,
onduidelijk
T: A pineapple? Tasty! (recast + evaluatie)