Samenvatting theorie - Het handelen van
ouderen
LEERPAD A: ergotherapeutisch redeneren aan de hand van het KAWA-model bij
ouderen met stemmingsstoornissen
ZSP 1: ergotherapeutisch redeneren aan de hand van het KAWA-model
Wat is methodisch handelen?
= om de cliënt te helpen bij het oplossen of voorkomen van problemen met
dagelijkse activiteiten (occupatie). Je gebruikt methodisch handelen om
zichtbaar te maken wat je doet en waarom je dat doet. Het biedt duidelijkheid en
inzicht hoe je een vraag op een professionele manier aanpakt om het uitvoeren
van dagelijks handelen en participatie van de persoon en het systeem mogelijk
te maken.
Fasen methodisch handelen:
Methodisch handelen KAWA-proces
Vraagstelling De cliënt vatten in de context
Kennismaking De context verhelderen
Inventarisatie/analyse /
(ET-model)
Doelbepaling Samen met de cliënt prioriteiten
stellen en keuzes maken
Opstellen en uitvoeren plan van De belangrijkste
aanpak ergotherapeutische
interventiemogelijkheden
onderzoeken +
de interventie
, Evaluatie, afronding, vervolg Evaluatie
KAWA-model:
Water: Levensstroom en energie.
Veel ruimte = goede stroom =
goede gezondheid en welzijn
(evenwicht werk & privé)
Zijwanden en bodem (oever):
Omgeving (sociaal en fysieke).
Ruimte tussen de obstakels in
de rivier: mogelijkheden (tuinieren,
huishouden)
Rotsen: Belemmerende factoren
(pijn, onzeker)
Drijfhout: Persoonlijke
eigenschappen en middelen, positieve of negatieve invloed (dankbaar, steun)
ICF:
KAWA vergelijken met ICF:
Rotsen: aandoeningen – externe factoren (financieel) – persoonlijke factoren
(egoïstisch, koppig)
Oever (zijwanden en bodem): externe factoren
Drijfhout: participatie – activiteiten – externe factoren – persoonlijke factoren
Handelen zelf in kawa: activiteiten en participatie
Activiteiten en participatie = uw handelen
LEERPAD B: valpreventie en ergotherapie
ZSP 1: expertisecentrum en richtlijnen
Richtlijnen die wij gebruiken:
- De Vlaamse richtlijn ‘Valpreventie bij thuiswonende ouderen’ van het
expertisecentrum val en fractuur preventie Vlaanderen
Het benadrukt dat professionele zorgverleners regelmatig
valgeschiedenis en risicofactoren (zoals evenwicht, medicatie en
omgevingsrisico’s) moeten beoordelen, waarna op basis van deze
evaluatie gepaste interventies worden opgesteld en uitgevoerd.
Deze richtlijn beschrijft, op basis van wetenschappelijk bewijs en
klinische expertise, een effectieve en multidisciplinaire aanpak om
, valincidenten bij thuiswonende ouderen (≥65 jaar) te voorkomen via
screening, multifactoriële evaluatie (=Beoordeling van aanwezige
valrisicofactoren bij ouderen met verhoogd valrisico), interventie en
opvolging. Ze richt zich op ouderen met een verhoogd valrisico en
benadrukt dat gerichte multifactoriële preventie (=aanpakken van
gezondheidsproblemen door meerdere, samenhangende factoren
tegelijk aan te pakken, in plaats van slechts één oorzaak) het aantal
valincidenten kan verminderen. De richtlijn is bedoeld voor
eerstelijnszorgverleners (zoals huisartsen, kine en ergo) en focust op
het aanpakken van biologische, gedragsmatige, omgevings- en socio-
economische risicofactoren, gezien de hoge incidentie en vaak ernstige
gevolgen van vallen.
- CEBAM-validatie ergotherapeutische richtlijn valpreventie: De richtlijn gaat
over de ergotherapeutische aanpak van valproblematiek bij thuiswonende
oudere personen met een verhoogd valrisico. Er wordt voornamelijk
ingegaan op de valrisicofactoren omgeving en valangst. Daarnaast komt
therapietrouw en de aanpak van valpreventie aan bod.
Je weet waarom je als ergotherapeut aan de slag gaat met valpreventie. En dat
je ergotherapeutisch kan redeneren samen met de cliënt.
Als ergotherapeut werk je rond valpreventie om cliënten te
ondersteunen in het veilig en zelfstandig functioneren thuis en zo
valincidenten en de gevolgen te voorkomen.
Via ergotherapeutisch redeneren analyseer je samen met de cliënt
activiteiten, omgeving en persoonlijke risicofactoren, en stel je
cliëntgerichte, evidence-based (gebaseerd op wetenschap) interventies
op maat op.
ZSP 2: inleiding richtlijn valpreventie
ZSP 3: definities en begrippen
Follow-up
= Voortgezette opvolging van het behandelplan om ouderen en hun omgeving te
motiveren en het preventieprogramma te laten slagen.
Fysieke inactiviteit – lichaamsbeweging
= Niet voldoen aan de beweegnorm van 30 minuten matige intensiteit per dag;
belangrijk voor spierkracht, balans en valpreventie.
Gezondheidszorg
= Professionele diensten gericht op bevorderen, herstellen of behouden van
gezondheid.
Intrinsiek - extrinsiek
Intrinsiek = persoonsgebonden factoren
Extrinsiek = omgevings- of contextgebonden factoren
Mantelzorger
= Niet-professionele persoon die regelmatig hulp biedt aan een oudere in
samenwerking met zorgverleners.
, Multifactoriële evaluatie van het valrisico
= Beoordeling van aanwezige valrisicofactoren bij ouderen met verhoogd
valrisico.
Multifactoriële interventie
= Behandelplan op basis van de evaluatie, uitgevoerd door een multidisciplinair
team.
Oudere
= Persoon ≥65 jaar (in deze richtlijn), ook jongere ouderen kunnen preventie
krijgen indien nodig.
Oudere met verhoogd valrisico
Een oudere heeft in volgende gevallen een verhoogd valrisico:
• aanmelding voor een valincident of valletsel,
• of twee of meerdere valincidenten in het afgelopen jaar,
• of in geval van gang- en/of evenwichtsproblemen.
Professionele zorgverlener
= Gekwalificeerde persoon die zorg of advies kan geven tegen betaling.
Screening
= Gericht onderzoeken op risicofactoren bij ouderen zonder duidelijke
symptomen.
Valincident
= Onverwachte gebeurtenis waarbij een oudere op een lager niveau terechtkomt
Valpreventiecentrum
= Kliniek of geriatrisch dagziekenhuis onder leiding van een geriater.
Valpreventieprogramma
Het “Prevention of Falls Network for Dissemination” (ProFouND) maakt een
onderscheid
tussen 3 soorten valpreventieprogramma’s naargelang de aanpak:
• De multifactoriële aanpak omvat twee of meer interventies, op maat van
het individuele valrisicoprofiel van de oudere. Dat profiel wordt bepaald op basis
van een multifactoriële evaluatie.
• De multicomponente aanpak omvat twee of meer interventies (bv.
oefenprogramma én aanpassing van de woonomgeving) gericht op twee of meer
specifieke risicofactoren, en wordt toegepast bij alle ouderen, ongeacht hun
individueel valrisicoprofiel.
• De unicomponente aanpak omvat één specifieke interventie (bv. optimaliseren
van de psycho-actieve medicatie) gericht op één specifieke risicofactor (bv.
medicatie), en wordt toegepast bij alle ouderen, ongeacht hun individueel
valrisicoprofiel. Deze richtlijn focust op de multifactoriële aanpak.
ouderen
LEERPAD A: ergotherapeutisch redeneren aan de hand van het KAWA-model bij
ouderen met stemmingsstoornissen
ZSP 1: ergotherapeutisch redeneren aan de hand van het KAWA-model
Wat is methodisch handelen?
= om de cliënt te helpen bij het oplossen of voorkomen van problemen met
dagelijkse activiteiten (occupatie). Je gebruikt methodisch handelen om
zichtbaar te maken wat je doet en waarom je dat doet. Het biedt duidelijkheid en
inzicht hoe je een vraag op een professionele manier aanpakt om het uitvoeren
van dagelijks handelen en participatie van de persoon en het systeem mogelijk
te maken.
Fasen methodisch handelen:
Methodisch handelen KAWA-proces
Vraagstelling De cliënt vatten in de context
Kennismaking De context verhelderen
Inventarisatie/analyse /
(ET-model)
Doelbepaling Samen met de cliënt prioriteiten
stellen en keuzes maken
Opstellen en uitvoeren plan van De belangrijkste
aanpak ergotherapeutische
interventiemogelijkheden
onderzoeken +
de interventie
, Evaluatie, afronding, vervolg Evaluatie
KAWA-model:
Water: Levensstroom en energie.
Veel ruimte = goede stroom =
goede gezondheid en welzijn
(evenwicht werk & privé)
Zijwanden en bodem (oever):
Omgeving (sociaal en fysieke).
Ruimte tussen de obstakels in
de rivier: mogelijkheden (tuinieren,
huishouden)
Rotsen: Belemmerende factoren
(pijn, onzeker)
Drijfhout: Persoonlijke
eigenschappen en middelen, positieve of negatieve invloed (dankbaar, steun)
ICF:
KAWA vergelijken met ICF:
Rotsen: aandoeningen – externe factoren (financieel) – persoonlijke factoren
(egoïstisch, koppig)
Oever (zijwanden en bodem): externe factoren
Drijfhout: participatie – activiteiten – externe factoren – persoonlijke factoren
Handelen zelf in kawa: activiteiten en participatie
Activiteiten en participatie = uw handelen
LEERPAD B: valpreventie en ergotherapie
ZSP 1: expertisecentrum en richtlijnen
Richtlijnen die wij gebruiken:
- De Vlaamse richtlijn ‘Valpreventie bij thuiswonende ouderen’ van het
expertisecentrum val en fractuur preventie Vlaanderen
Het benadrukt dat professionele zorgverleners regelmatig
valgeschiedenis en risicofactoren (zoals evenwicht, medicatie en
omgevingsrisico’s) moeten beoordelen, waarna op basis van deze
evaluatie gepaste interventies worden opgesteld en uitgevoerd.
Deze richtlijn beschrijft, op basis van wetenschappelijk bewijs en
klinische expertise, een effectieve en multidisciplinaire aanpak om
, valincidenten bij thuiswonende ouderen (≥65 jaar) te voorkomen via
screening, multifactoriële evaluatie (=Beoordeling van aanwezige
valrisicofactoren bij ouderen met verhoogd valrisico), interventie en
opvolging. Ze richt zich op ouderen met een verhoogd valrisico en
benadrukt dat gerichte multifactoriële preventie (=aanpakken van
gezondheidsproblemen door meerdere, samenhangende factoren
tegelijk aan te pakken, in plaats van slechts één oorzaak) het aantal
valincidenten kan verminderen. De richtlijn is bedoeld voor
eerstelijnszorgverleners (zoals huisartsen, kine en ergo) en focust op
het aanpakken van biologische, gedragsmatige, omgevings- en socio-
economische risicofactoren, gezien de hoge incidentie en vaak ernstige
gevolgen van vallen.
- CEBAM-validatie ergotherapeutische richtlijn valpreventie: De richtlijn gaat
over de ergotherapeutische aanpak van valproblematiek bij thuiswonende
oudere personen met een verhoogd valrisico. Er wordt voornamelijk
ingegaan op de valrisicofactoren omgeving en valangst. Daarnaast komt
therapietrouw en de aanpak van valpreventie aan bod.
Je weet waarom je als ergotherapeut aan de slag gaat met valpreventie. En dat
je ergotherapeutisch kan redeneren samen met de cliënt.
Als ergotherapeut werk je rond valpreventie om cliënten te
ondersteunen in het veilig en zelfstandig functioneren thuis en zo
valincidenten en de gevolgen te voorkomen.
Via ergotherapeutisch redeneren analyseer je samen met de cliënt
activiteiten, omgeving en persoonlijke risicofactoren, en stel je
cliëntgerichte, evidence-based (gebaseerd op wetenschap) interventies
op maat op.
ZSP 2: inleiding richtlijn valpreventie
ZSP 3: definities en begrippen
Follow-up
= Voortgezette opvolging van het behandelplan om ouderen en hun omgeving te
motiveren en het preventieprogramma te laten slagen.
Fysieke inactiviteit – lichaamsbeweging
= Niet voldoen aan de beweegnorm van 30 minuten matige intensiteit per dag;
belangrijk voor spierkracht, balans en valpreventie.
Gezondheidszorg
= Professionele diensten gericht op bevorderen, herstellen of behouden van
gezondheid.
Intrinsiek - extrinsiek
Intrinsiek = persoonsgebonden factoren
Extrinsiek = omgevings- of contextgebonden factoren
Mantelzorger
= Niet-professionele persoon die regelmatig hulp biedt aan een oudere in
samenwerking met zorgverleners.
, Multifactoriële evaluatie van het valrisico
= Beoordeling van aanwezige valrisicofactoren bij ouderen met verhoogd
valrisico.
Multifactoriële interventie
= Behandelplan op basis van de evaluatie, uitgevoerd door een multidisciplinair
team.
Oudere
= Persoon ≥65 jaar (in deze richtlijn), ook jongere ouderen kunnen preventie
krijgen indien nodig.
Oudere met verhoogd valrisico
Een oudere heeft in volgende gevallen een verhoogd valrisico:
• aanmelding voor een valincident of valletsel,
• of twee of meerdere valincidenten in het afgelopen jaar,
• of in geval van gang- en/of evenwichtsproblemen.
Professionele zorgverlener
= Gekwalificeerde persoon die zorg of advies kan geven tegen betaling.
Screening
= Gericht onderzoeken op risicofactoren bij ouderen zonder duidelijke
symptomen.
Valincident
= Onverwachte gebeurtenis waarbij een oudere op een lager niveau terechtkomt
Valpreventiecentrum
= Kliniek of geriatrisch dagziekenhuis onder leiding van een geriater.
Valpreventieprogramma
Het “Prevention of Falls Network for Dissemination” (ProFouND) maakt een
onderscheid
tussen 3 soorten valpreventieprogramma’s naargelang de aanpak:
• De multifactoriële aanpak omvat twee of meer interventies, op maat van
het individuele valrisicoprofiel van de oudere. Dat profiel wordt bepaald op basis
van een multifactoriële evaluatie.
• De multicomponente aanpak omvat twee of meer interventies (bv.
oefenprogramma én aanpassing van de woonomgeving) gericht op twee of meer
specifieke risicofactoren, en wordt toegepast bij alle ouderen, ongeacht hun
individueel valrisicoprofiel.
• De unicomponente aanpak omvat één specifieke interventie (bv. optimaliseren
van de psycho-actieve medicatie) gericht op één specifieke risicofactor (bv.
medicatie), en wordt toegepast bij alle ouderen, ongeacht hun individueel
valrisicoprofiel. Deze richtlijn focust op de multifactoriële aanpak.