Les 1
Filosofie: vragen waaraan je je niet aan kunt onttrekken. Meeste mensen
hebben daar al een antwoord op + er staat iets op het spel!
De gift
1. Malinowski
a. Kula Ring, Trobriand eilanden
b. Objecten worden doorgegeven via de ring (gevaarlijk en moeilijk)
c. Mannelijk en vrouwelijke objecten die mee/tegen de klok worden
gegeven
d. Rituelen en grote ceremonieën rond de act van het geven ->
relaties
e. Asymmetrie en status; gevers hebben meer status en eer
f. GEEN marktruil van koopwaar
2. Marcel Mauss
a. Essai sur le don -> onderscheid warenruil en gift
b. Gift vestigt relaties + dwang om terug te geven
i. Gift afwijzen = relatie verwerpen
ii. Na ontvangst heb je een zekere schuld t.o.v. de gever
c. Universeel fenomeen -> totaal sociaal feit of fenomeen
3. GEEN economische transactie
a. Dus geen ruilhandel zonder geld
b. Ook geen genereuze morele daad (gift als caritas)
c. Het goed/ding = symbool
d. => eer, prestige en status halen uit generositeit
e. Doel is om allianties te creëren
f. Fundament van het sociale leven
g. Wederzijdse erkenning
i. Symbolisch/spiritueel karakter
4. Claude Lévi-Strauss
a. Bestudeerde verwantschapsrelaties
b. Verbod op incest
i. Biologisch verbod: risico op afwijkingen
ii. Psychologisch verbod: natuurlijke afkeer
iii. Sociaal verbod: gift, allianties aangaan met andere
stammen door vrouwen uit te wisselen
c. Voorkeur voor kruiselingse i.p.v. parallelle neef/nicht
1
, i. Biologisch gelijkaardig, maar heel anders gepercipieerd in
veel culturen
5. Potlach
a. Giftritueel met feesten, waar stammen waardevolle objecten
weggeven of vernietigen als demonstratie van rijkdom en macht
=> symbolisch geweld
b. Vestigt/handhaaft status en hiërarchie
6. Conventionele economie: gericht op verwerving van goederen en
tegen verlies
<-> gift-economie gebaseerd op verlies
a. Macht = vermogen om verlies te lijden (feestjes, juwelen,
kunst, ..)
7. Verticale giften
a. Binnen hiërarchie t.a.v. gezag
b. T.a.v. transcendentie (God)
i. Leven, natuur als oorspronkelijke gift
ii. Geen tegengift mogelijk
c. Tussen generaties
i. Leven als gift van je ouders, onmogelijke tegengift
ii. Pensioenen en sociale zekerheid => gemeenschap vormen
8. Derrida: Kan de gift ‘fundament’ zijn?
a. Gift is onmogelijk: mogelijkheidsvoorwaarden (circuit van geven
en nemen) zijn ook de onmogelijkheidsvoorwaarden (circuit
ondermijnt karakter van een pure gift)
b. Gift is een gebeuren, het is meer dan wat je verschuldigd bent
i. Gift als plicht ≠ gift (Moederdag)
ii. Duidelijke verwachting ≠ gift
c. Aporie: onoplosbaar probleem
d. Gift is geen stabiel fundament, maar is onbeheersbaar en
ontsnapt voortdurend
Les 2
Oorsprong van de filosofie
1. Socrates, Plato, Aristoteles
2. Maatschappelijke ontwikkelingen
a. Mythisch wereldbeeld, democratie, handel
b. Hoplietische revolutie
2
, i. Democratisering van oorlogsvoering -> meer mensen
meevechten -> verbreding van de elite -> meer mensen
doen claim op oorlogsbuit = ontstaan middenklasse
c. Handel zorgde voor opkomst handelaars en ambachtslieden
i. Nood aan vorming en ideeën
ii. Blootstelling externe invloeden
iii. Reële en intellectuele abstractie (geld)
d. Negatieve attitudes tegenover geld en handel
i. Veel oude Grieken tegen (omwille van conservatisme) ->
angst dat geld bestaande instituties ging afbreken
ii. Geld is onafhankelijk van tradities en conventies -> stelt
alles gelijk
1. Zich iets toe-eigenen zonder het te verdienen
iii. Handelaars slechts intermediair, produceren niets
1. Goede rijkdom uit productieve arbeid
2. Slechte rijkdom uit handel en financiële activiteit
3. Maakt rijkt, maar verandert de betekenis van giften -
> andere manier van kijken naar goederen =>
waarheidsbegrip verandert -> waarheid te koop
-> filosofen willen de objectieve waarheid herstellen
iv. Sofisten: mensen die diensten verlenen aan rijke mensen
en hun kinderen om hen over wijsheid te leren en les te
geven
1. Socrates grote tegenstander -> ‘ze verkopen hun
opinie’, je kan geen filosofie verkopen
2. Filosofische waarheid is onbetaalbaar, onmogelijk om
een prijs erop te plakken
3. Gift van een meester aan zijn leerlingen
4. Paradox: sofisten laten zich betalen en willen tegelijk
het prestige en erkenning van de oude wijzen <->
echte filosofen die zich niet laten betalen
=> sofisten zijn handelaars en kennen hun eigen
product niet
5. Socrates: ‘sofist is onwetend en weet niet dat hij
onwetend is’
6. Sofisten zouden wel goed passen in onze
democratische samenleving
e. Onderscheid oikonomia en chrematistiek
i. Goede = Oikonomia
1. Productie en ruil o.l.v. hoofd van de familie -> eervol
3