Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 123 pagina's
Samenvatting

Volledige samenvatting van neuroanatomie, lestranscripties (Van Hoof) (D013747A)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 123 pagina's

Dit is een volledige samenvatting van neuroanatomie (vak neurowetenschappen, Tom Van Hoof). Ik haalde een 16/20 voor dit vak! De lessen van hem gaan vaak vrij snel, daarom heb ik ze letterlijk getranscribeerd en daarna samengevat. Zo zit alle uitleg die in de les gegeven werd erin, netjes en overzichtelijk gebundeld. Voor afbeeldingen gebruik je best nog je slides als aanvulling. Voor zover ik weet is dit de enige echt allesomvattende samenvatting van dit onderdeel (ik heb zelf geen alternatief gevonden). Hopelijk helpt dit je bij het studeren!

Voorbeeld van de inhoud

Neuroanatomie



1. INLEIDING

DIA 1: Indeling en oriëntatie van het CZS

Basisstructuren

●​ Medulla spinalis = ruggenmerg
○​ Ligt in het wervelkanaal.
○​ Hier start het centrale zenuwstelsel dat je al uit het 1e jaar kent.
●​ Medulla oblongata (verlengde merg)
○​ Eerste deel van de hersenstam boven het ruggenmerg.
●​ Hersenstam (van caudaal naar rostraal):
○​ Medulla oblongata
○​ Pons
■​ Verdikking door vele zenuwbanen.
■​ Verbonden met het cerebellum.
○​ Mesencephalon (middenhersenen)
■​ Verbindingsstuk tussen hersenstam en grote hersenen.
■​ Bevat o.a. dopaminerge kernen (relevant voor Parkinson).
●​ Cerebellum (kleine hersenen)
○​ Samen met pons vormt het metencephalon.

Hoger gelegen hersendelen

●​ Diencephalon
○​ Thalamus (centrale schakelpost voor sensoriek/motoriek).
○​ Hypothalamus + verbinding met hypofyse (hormonaal centrum).
●​ Telencephalon (grote hersenen)
○​ Cerebrale cortex (neocortex).
○​ Subcorticale structuren:
■​ Basale ganglia
■​ Hippocampus
■​ Amygdala

DIA 2:

Embryologie & oriëntatie

●​ Tijdens ontwikkeling groeien de hersenen sterk → worden C-vormig door beperkte ruimte van de schedel.
●​ Hierdoor is de neuras-as gekromd, waardoor de anatomische richtingen verschuiven:
○​ Rostraal = richting neus
○​ Caudaal = richting ruggenmerg
○​ Dorsaal = bovenkant hersenen (niet "achterkant" zoals in romp!)
○​ Ventaal = onderkant hersenen
●​ Deze gebogen as verklaart waarom ventraal/dorsaal in het hoofd niet exact overeenkomt met ventraal/dorsaal in de
romp.




1

,2. ALGEMENE TOPOGRAFIE VAN HET CZS
2.1 Grote hersenen en ventrikelsysteem

TELENCEPHALON

DIA 3: Gyri & Sulci


1. Algemeen uitzicht van de hersenen

●​ De hersenen bestaan uit twee hemisferen (links en rechts).
●​ Deze worden gescheiden door de diepe fissura longitudinalis cerebri (interhemisferische fissuur).


2. Gyri en sulci

●​ Gyri = windingen / verhevenheden van de hersenen.
●​ Sulci = groeven / inkepingen tussen gyri.
●​ Reden van plooien:
○​ Het aantal neuronen neemt enorm toe tijdens ontwikkeling.
○​ Om meer hersenschors in een beperkte schedelruimte te stoppen → hersenschors vouwt zich op.
○​ Oppervlakte van de cortex uitgeplooid ≈ 2500 cm² (ongeveer 50 × 50 cm), maar in realiteit compact in je twee
handen.
●​ Belangrijk:
○​ Cortex loopt ook door in de sulci → extra functioneel oppervlak.


3. Gyri die je absoluut moet herkennen

a. Sulcus centralis

●​ Zeer herkenbare, lange groef.
●​ Scheidt frontale kwab (voor) van pariëtale kwab (achter).

b. Gyrus precentralis

●​ Ligt voor de sulcus centralis.
●​ Bevat de primaire motorische cortex (M1).
●​ Vertrekpunt van motorische banen naar hersenstam & ruggenmerg → stuurt bewuste beweging.

c. Gyrus postcentralis

●​ Ligt achter de sulcus centralis.
●​ Bevat de primaire somatosensorische cortex (S1).
●​ Hier komt tast, proprioceptie en andere somatosensoriek toe.
●​ De hersenen vormen hier een perceptie op basis van ruwe zenuwsignalen.

DIA 4: Herkenning van de hersenlobben (bovenaanzicht)


1. Oriëntatie

●​ Je kijkt van bovenaf op de hersenen.
●​ Voorzijde = voorkant van het hoofd (frontaal).
●​ Achterzijde = achterhoofd (occipitaal).
●​ De fissura longitudinalis cerebri loopt in het midden en scheidt de twee hemisferen.​


2

,2. Sulcus centralis als belangrijkste grenslijn

●​ De sulcus centralis is de sleutel om de lobben te herkennen.
●​ Alles ervoor = frontale lob.
●​ Alles ernaar = pariëtale lob.


3. Lobben en hun positie (bovenaanzicht)

Frontale lob

●​ Ligt voor de sulcus centralis.
●​ Komt overeen met het os frontale van de schedel.

Pariëtale lob

●​ Ligt achter de sulcus centralis (en voor de occipitale lob).
●​ Komt overeen met de plek van het os parietale.

Occipitale lob

●​ Het achterste deel van de hersenen.
●​ Onderliggend schedelbot = os occipitale.

Temporale lob

●​ Niet volledig zichtbaar in bovenaanzicht (ligt lager, aan de zijkant).
●​ Komt overeen met het os temporale.
●​ Je ziet alleen het bovenste randje soms in de bovenaanblik.

DIA 5: Corpus callosum, commissuren & doorsneden


1. Grijze en witte stof

Grijze stof (cortex)

●​ Ligt aan de buitenkant van de grote hersenen.
●​ Bestaat uit cellichamen van neuronen.
●​ Slechts enkele mm dik.
●​ Heeft 6 lagen (Brodmann-architectuur), functieafhankelijk.

Witte stof

●​ Axonen die vertrekken vanuit de cortex.
●​ Verbindt overal regio’s in de hersenen met elkaar.
●​ Grote bundels lopen ook van linker naar rechter hemisfeer = commissuren.


2. Corpus callosum – grootste commissuur

Functie

●​ Verbindt linker en rechter hemisfeer.
●​ Is pure witte stof (axonen).
●​ Ligt zichtbaar als een C-vormige witte structuur op een midsagittale doorsnede.

3

, 4 onderdelen van voor naar achter (klinisch belangrijk!)

1.​ Rostrum
2.​ Genu (knie – plaats waar het naar beneden buigt)
3.​ Truncus (grootste middenstuk)
4.​ Splenium (achterste, dikste deel)

Splenium verbindt vooral de occipitale kwabben → belangrijk voor visuele informatie tussen links en rechts.

Forceps minor & major

●​ Forceps minor: vezels die vanuit het genu uitstralen naar de frontale lobben.
●​ Forceps major: vezels die vanuit het splenium uitstralen naar de occipitale lobben.


3. Andere commissurale verbindingen

Niet alles loopt via het corpus callosum.

Commissura anterior

●​ Kleine verbinding tussen de temporale lobben (o.a. olfactorische structuren).
●​ Ligt voor het genu.

Commissura posterior

●​ Ligt meer naar achter.
●​ Verbindt delen van de pretectale gebieden en epifyse.
●​ Speelt een rol in pupilreflexen en visuele coördinatie.


4. Occipitale kwab & visuele verwerking

●​ Rond de sulcus calcarinus ligt de primaire visuele cortex (V1).
●​ Visuele input → via thalamus (corpus geniculatum laterale) → V1.
●​ Splenium van corpus callosum zorgt voor links-rechts communicatie van visuele informatie.




4

Inhoudsopgave

  1. 01 Neuroanatomie 1
    1. Basisstructuren 1
    2. Hoger gelegen hersendelen 1
    3. DIA 2: 1
    4. Embryologie & oriëntatie 1
    5. 1. Algemeen uitzicht van de hersenen 2
    6. 2. Gyri en sulci 2
    7. 3. Gyri die je absoluut moet herkennen 2
    8. 1. Oriëntatie 2
    9. 2. Sulcus centralis als belangrijkste grenslijn 3
    10. 3. Lobben en hun positie (bovenaanzicht) 3
    11. 1. Grijze en witte stof 3
  2. 02 2. Corpus callosum – grootste commissuur 3
    1. Functie 3
    2. 4 onderdelen van voor naar achter (klinisch belangrijk!) 4
    3. Forceps minor & major 4
  3. 03 3. Andere commissurale verbindingen 4
    1. Commissura anterior 4
    2. Commissura posterior 4
  4. 04 4. Occipitale kwab & visuele verwerking 4
    1. Frontale doorsnede = coronale doorsnede 5
    2. Oriëntatie in een coronale snede 5
    3. Verbinding met de midsagittale snede 5
  5. 05 1. Algemene oriëntatie op midsagittale doorsnede 5
    1. Waarom soms het diencephalon/hersenstam/cerebellum verwijderd wordt 5
  6. 06 2. Het limbische systeem op midsagittale doorsnede 6
    1. Gyrus cinguli 6
    2. Isthmus van de gyrus cinguli 6
    3. Parahippocampale gyrus 6
    4. Lobus limbicus 6
  7. 07 3. Herkennen van hersenlobben op midsagittaal aanzicht 6
    1. A. Frontale vs. Pariëtale kwab 6
    2. B. Pariëtale vs. Occipitale kwab 6
    3. C. Occipitale vs. Temporale kwab 7
  8. 08 4. Het vierpuntenland 7
  9. 09 1. Belangrijkste sulcus: sulcus centralis (Rolando) 8
    1. Herkenning: 8
    2. Belang: 8
    3. Naam: 8
  10. 10 2. Frontale kwab – herkenningsgebieden 8
    1. Gyrus frontalis superior: Bovenste winding 8
    2. Gyrus frontalis medius: Middelste winding. 8
    3. Gyrus frontalis inferior: Onderaan, complexe winding met 3 delen: 8
  11. 11 3. Sulcus lateralis (Sylvius) 8
    1. Heeft drie “takken”: 8
  12. 12 4. Temporale kwab – herkenning 9
  13. 13 5. Grenzen tussen de kwabben 9
    1. A. Frontaal ↔ Pariëtaal 9
    2. B. Pariëtaal ↔ Occipitaal 9
    3. C. Temporale ↔ Occipitale 9
  14. 14 6. Verdere onderverdeling van de pariëtale kwab 9
    1. A. Lobulus parietalis superior 9
    2. B. Lobulus parietalis inferior 9
  15. 15 7. Occipitale kwab 10
  16. 16 8. Wat MOET je kunnen op examen? 10
    1. 1. Wat is de insula? 10
    2. 2. Ligging 10
  17. 17 2. Wat is de capsula interna? 11
  18. 18 3. Drie delen van de capsula interna 11
    1. 1. Crus anterius (voorste been) 11
    2. 2. Genu (knie): Middenstuk (buigt naar achter) 11
    3. 3. Crus posterius (achterste been) 11
  19. 19 4. Corona radiata → Capsula interna → Hersenenstam → Ruggenmerg 11
    1. 1. Corona radiata 11
    2. 2. Capsula interna: Smalle bundel waar zowat alle projectiebanen doorheen moeten. 11
    3. 3. Pedunculus cerebri (middenhersenen) 11
    4. 4. Pons: Banen gaan er doorheen (gesegmenteerd door pontiene kernen). 11
    5. 5. Medulla oblongata – Piramides 11
    6. 6. Ruggenmerg: Eindigen in de voorhoorn op motorische neuronen. 11
  20. 20 5. Functie van de capsula interna 12
  21. 21 1. Wat is het diencephalon? 12
  22. 22 2. Waar ligt de thalamus? (belangrijk!) 12
    1. Ligging 12
    2. Belangrijke herkenningspunten 12
    3. Functie (voor later) 12
  23. 23 3. Waar ligt de hypothalamus? 12
    1. Ligging 12
    2. Structuren die je MOET herkennen 13
  24. 24 4. Andere structuren in de dia die je moet kunnen situeren 13
    1. Epifyse / glandula pinealis (pijnappelklier) 13
    2. Mesencephalon (middenhersenen) 13
  25. 25 5. Ventriculair systeem rond deze structuren 13
  26. 26 6. Examengerichte herkenning 13
    1. 1. Hoe ziet de thalamus eruit als je hem isoleert? 14
    2. 2. Derde ventrikel (belangrijk!) 14
    3. 3. Wat zie je op de geïsoleerde thalamus? 14
    4. 4. Relaties van de thalamus met hersenstamstructuren 14
    5. 5. Verbinding met cortex: waarom is de thalamus zo belangrijk? 15
    6. 6. Wat moet jij herkennen op een afbeelding? 15
    7. DIA 22: 16
    8. 1. Wat zijn de basale ganglia? 16
    9. 2. Welke structuren horen bij de basale ganglia? 16
    10. 3. Relatie met ventriculair systeem & capsula interna 16
    11. 4. Functioneel belang (globaal) 16
  27. 27 1. Laterale ventrikels (links en rechts) 17
    1. Opbouw: 17
  28. 28 2. Foramen interventriculare (Monro) 17
  29. 29 3. Derde ventrikel 17
    1. Belangrijke structuren: 17
  30. 30 4. Aquaeductus cerebri (Sylvii) 17
  31. 31 5. Vierde ventrikel 18
    1. 1. Canalis centralis (ruggenmerg) 18
    2. 2. Laterale en mediane openingen (recessus lateralis, foramen van Luschka & Magendie) 18
  32. 32 6. Overzicht van de liquor-flow 18
  33. 33 7. Wat moet je zeker herkennen op afbeeldingen? 18
  34. 34 1. VENTRAAL (anterior) AANZICHT 19
    1. Bovenaan (net boven hersenstam): 19
    2. Mesencephalon (middenhersenen) 19
    3. Pons 19
    4. Medulla oblongata 19
  35. 35 2. DORSAAL (posterior) AANZICHT 19
    1. Vierde ventrikel (bodem zichtbaar!) 19
    2. Mesencephalon (boven het vierde ventrikel) 20
    3. Pons (dorsaal) 20
    4. Medulla oblongata (dorsaal) 20
  36. 36 3. Hoe herken je ventraal vs. dorsaal? 20
    1. VENTRAAL: 20
    2. DORSAAL: 21
    3. 2. Indeling van het mesencephalon op doorsnede 21
    4. 3. Substantia nigra & dopamine 21
    5. 4. Medial lemniscus & sensibele banen 21
    6. 5. Periaqueductale grijze stof & pijndemping 22
    7. 6. Wat moet je echt kunnen op een doorsnede van het mesencephalon? 22
  37. 37 2. Inhoud van de ponsdoorsnede 22
    1. (A) Dorsaal – Vierde ventrikel 23
    2. (B) Middelste zone – Formatio reticularis & Medial lemniscus 23
    3. (C) Ventraal – Pontine nuclei & corticospinale banen 23
  38. 38 Samenvatting – Medulla oblongata (drie typische doorsnedes) 24
  39. 39 1. Hoogste doorsnede – Niveau van het trigonum nervi hypoglossi 24
    1. Wat herken je hier? 24
    2. Wat moet je écht kennen? 24
  40. 40 2. Middelste doorsnede – Niveau van de tuberculum gracile et cuneatum 24
    1. Wat zie je dorsaal? 24
    2. Wat gebeurt hier functioneel? 24
    3. Wat zie je ventraal? 24
    4. Wat moet je echt kennen? 25
  41. 41 3. Laagste doorsnede – Niveau van de decussatio pyramidum 25
    1. Herkenningspunt 25
    2. Waarom belangrijk? 25
    3. Wat zie je nog? 25
  42. 42 DIA 31-33: Het cerebellum (kleine hersenen) 25
  43. 43 1. Globale structuur 25
    1. Bouw: 25
  44. 44 2. Grote anatomische delen 25
    1. A. Vermis (centrale strook) 25
    2. B. Hemisferen (links & rechts) 26
  45. 45 3. Fissuren die je moet kennen 26
  46. 46 4. Speciale structuren 26
    1. Uvula & tonsillae 26
    2. Pars intermedia (functioneel) 26
  47. 47 5. Functie van het cerebellum (in essentie) 26
    1. A. Motorische coördinatie 26
    2. B. Vergelijking tussen ‘gepland’ en ‘uitgevoerd’ 27
    3. C. Evenwicht & oogcontrole 27
    4. D. Problemen bij cerebellaire schade 27
  48. 48 1. Lengte en ligging 27
  49. 49 2. Gevolg van verschillende groeisnelheid (embryologie) 27
  50. 50 3. Verdikkingen (intumescentiae) 27
  51. 51 4. Uittredepatroon van de spinale zenuwen 28
    1. Belangrijk en examengevoelig (docent benadrukt dit!) 28
    2. Uittredepatroon: 28
  52. 52 5. Klinische/logische gevolgen 28
  53. 53 Wat je moet kennen – Doorsnede ruggenmerg 28
    1. 1. Oriëntatie 28
  54. 54 2. Grijze stof (het “vlindertje”) 28
    1. ●​Cornu posterior (dorsale hoorn) 28
    2. ●​Cornu anterior (ventrale hoorn) 28
    3. ●​ Canalis centralis 28
  55. 55 3. Witte stof – 3 funiculi (banenbundels) 29
    1. 1. Funiculus posterior 29
    2. 2. Funiculus lateralis 29
    3. 3. Funiculus anterior 29
  56. 56 Sulci (groeven) – alleen deze: 29
    1. ●​Sulcus posterolateralis 29
    2. ●​Sulcus anterolateralis 29
    3. ●​Fissura mediana anterior 29
    4. Lamina VIII – Mediale motorische nuclei 29
    5. Lamina IX – Laterale motorische nuclei 29
    6. SENSIBELE BANEN (stijgend – links in de doorsnede) 30
    7. MOTORISCHE BANEN (dalend – rechts in de doorsnede) 30
    8. DIA 39: Functionele indeling ruggenmerg en zenuwbanen 32
  57. 57 Ruggenmerg doorsnede, zenuwen & puncties 33
    1. 1. Basisstructuren die je moet herkennen 33
    2. 2. Belangrijke zenuwtakken 33
    3. 3. Meningeale ruimtes (moet je goed kennen!) 33
    4. 4. Lumbaalpunctie (super examengericht) 34
    5. 1. Autonome takken die je moet kunnen onderscheiden 34
    6. 2. Truncus sympathicus (sympathische grensstreng) 34
    7. 3. Splanchnische zenuwen (= autonoom, visceraal!) 34
    8. 4. Parasympathicus (moet je kunnen situeren) 35
    9. 5. Waar moet je voor oppassen? (fouten in schema) 35
  58. 58 Wat moet je echt kunnen op examen? 35
    1. Orthosympathicus (groen in schema) 35
    2. Parasympathicus (paars in schema) 36
    3. Belangrijke onderscheidingen 36
    4. 1. Algemene organisatie 37
  59. 59 2. Plexus hypogastricus superior 37
  60. 60 3. Orthosympathicus in het bekken 37
    1. Oorsprong: Orthosympatische preganglionaire neuronen: ruggenmerg T10–L2 (laterale hoorn). 37
    2. Verloop 37
    3. Variatie 37
  61. 61 4. Parasympathicus in het bekken 37
    1. Oorsprong 37
    2. Verloop 37
    3. Specifiek belangrijke naam 38
  62. 62 5. Niets verwarren met N. pudendus! 38
  63. 63 6. Wat moet je echt kennen (examengericht)? 38
    1. Ortho- vs. parasympathische aanvoer 38
    2. Structuren herkennen 38
    3. Klinisch 38
    4. 1. Arteriële bevloeiing van het colon (basis uit 1e jaar) 39
  64. 64 2. Belangrijk concept: “Neurovasculaire pakketten” 39
  65. 65 3. Autonoom zenuwstelsel – colon 39
    1. A. Vezels rond de AMS (bovenste 2/3) 39
    2. B. Vezels rond de AMI (onderste 1/3 + distaal) 40
  66. 66 4. Belangrijke koppeling met eerder deel (plexus hypogastricus) 40
  67. 67 6. Examengericht: wat moet je echt kennen? 40
    1. ✔ Arteriële verdeling: 40
    2. ✔ Autonoom: 40
    3. ✔ Concept: 40
    4. 1. De drie hersenvliezen (van buiten naar binnen) 41
  68. 68 2. Relatie tot hersenstructuren 41
  69. 69 3. Veneuze sinussen (duraal) 41
  70. 70 4. Belangrijkste functies van de meninges 41
  71. 71 5. Examengericht – Wat moet je kennen 42
    1. Falx cerebri 42
    2. Tentorium cerebelli 42
    3. Falx cerebelli: Klein vertical vlies tussen de twee hemisferen van het cerebellum. 42
  72. 72 2. Veneuze sinussen – overzicht 42
    1. Sinus sagittalis superior 42
    2. Sinus sagittalis inferior: Loopt in de onderrand van de falx cerebri. 42
    3. Sinus rectus: Ontstaat uit samenkomst van sinus sagittalis inferior en vena cerebri magna (vena van Galen). 42
    4. Sinus transversus 42
    5. Sinus sigmoideus 42
    6. Sinus cavernosus 42
  73. 73 3. Route van veneuze afvoer 43
  74. 74 4. Vena cerebri magna (Vena van Galen) 43
  75. 75 Examengerichte kernpunten 43
    1. 1. De drie hersenvliezen (meningen) 43
    2. 2. Ventriculair systeem – productie en circulatie 43
    3. 3. CSV – productie 44
    4. 4. CSV – circulatie (in 1 lijn) 44
    5. 5. CSV – resorptie 44
    6. 6. Belangrijke klinische punten 44
    7. Moet je kennen (minimale examenkern) 44
    8. 1. Twee grote aanvoersystemen van arterieel bloed naar de hersenen 45
    9. 2. Circulus van Willis 45
    10. 3. Overzicht van het volledige traject (samengevat) 46
    11. 4. Wat moet je zeker kennen? (Examenniveau) 46
    12. 1. Arteriën rond voorzijde hersenstam 46
    13. 2. Cerebellaire arteriën 46
    14. 3. PICA en Wallenberg-syndroom 47
    15. 4. Belangrijk om te onthouden (examenniveau) 47
    16. 1. Anatomie die je al kent 47
    17. 2. Bevloeiing van de capsula interna 47
    18. 3. Waarom is de a. choroidea anterior klinisch zo belangrijk? 48
    19. 4. Grote inzicht dat je moet meenemen 48
    20. 1. Bloed-hersenbarrière (BBB): basisprincipe 48
    21. 2. Wat moet er wél door de BBB? 49
    22. 3. Circumventriculaire organen (CVO’s) 49
    23. 4. Wat moet je zeker kennen voor het examen? 49
    24. 1. Arteriële bloedvoorziening van het ruggenmerg 50
    25. 2. Veneuze afvoer van het ruggenmerg 51
  76. 76 3. Wat moet je zeker kennen voor examen? 51
    1. Arterieel 51
    2. Veneus 51
    3. Topografisch inzicht 51
    4. 1. Welke info loopt het sensorisch systeem? 52
    5. 2. Neuron 1 – perifere receptor → dorsale kolom 52
    6. 3. Eerste synaps – dorsale kolomkernen in de medulla 52
    7. 4. Kruising en lemniscus medialis 52
    8. 5. Thalamus → primaire somatosensibele schors 52
    9. 6. Belangrijk om te onthouden (klinische logica) 52
    10. 1. Twee grote soorten mechanosensibiliteit 53
  77. 77 2. Type vezels (dit wél kennen!) 53
    1. A-α en A-β vezels 53
  78. 78 3. Reflexcomponent (wat moet je kennen?) 53
    1. De monosynaptische reflexboog 53
    2. 1. Dorsale kolommen in het ruggenmerg 54
    3. 2. Somatotopische organisatie 54
    4. 3. Wat gebeurt er bij een dwarslaesie van het ruggenmerg? 54
    5. 4. Nuclei gracilis en cuneatus 54
    6. 5. Kruising en mediale lemniscus 54
    7. 6. Ligging van de lemniscus medialis in hersenstamdoorsneden 55
  79. 79 1. Verloop van het dorsale kolom–lemniscus medialis systeem (tot in de cortex) 55
    1. • Vanaf de medulla → lemniscus medialis → thalamus 55
    2. • In de thalamus 55
  80. 80 2. 3e-orde neuronen en de capsula interna 55
    1. • 3e-orde neuronen: Vertrekken vanuit de thalamus richting primaire somatosensorische cortex (gyrus postcentralis). 55
    2. • Ze lopen door de capsula interna 55
  81. 81 3. Aangezichtsgevoel: andere baan 55
    1. • Het aangezicht gebruikt NIET het dorsale kolomsysteem 55
    2. • Toch zelfde eindpunt 55
  82. 82 4. Somatosensorische cortex (gyrus postcentralis) 56
    1. • Somatotopische organisatie 56
    2. • Sensibele homunculus 56
    3. • Waarom zijn handen/lippen zo groot? 56
  83. 83 5. De homunculus is dynamisch (“plastisch”) 56
    1. • Niet genetisch vastgelegd 56
    2. 1. Wat zijn Brodmann-zones? 57
    3. 2. Waarom bestaan ze? 57
    4. 3. Voorbeeld van verschil 57
    5. 4. Belang voor somatosensorische cortex 57
    6. DIA 65: Opbouw en functie van de somatosensorische cortex 58
    7. 2. Secundaire somatosensorische cortex (S2, pariëtaal operculum & insula) 58
    8. 3. Posterior pariëtale cortex (gebieden 5 en 7) 58
    9. 4. Verbinding met de primaire motorische cortex 58
    10. Kernidee 58
    11. 1. Welke info? 59
    12. 2. Verschil met het dorsale kolom-/lemniscale systeem 59
    13. 3. Drie opstijgende banen 59
  84. 84 1. Mechanoreceptie vs. Pijnbanen in het ruggenmerg 60
    1. A. Mechanoreceptie (Aβ-vezels, dik & snel) 60
    2. B. Pijnbanen (Aδ & C-vezels, dun & traag) 60
  85. 85 2. Tweede-orde neuronen & decussatie 60
  86. 86 3. Waarom geven mechanoreceptoren zijtakjes aan pijnneuronen? (Gate control) 60
  87. 87 4. Opstijgende pijnbanen (na de kruising) 61
    1. Er zijn drie belangrijke projecties: 61
    2. A. Tractus spinothalamicus 61
    3. B. Tractus spinomesencephalicus 61
    4. Spino-thalamische baan → drie thalamuskernen → drie corticale gebieden 62
    5. C Spino-reticulaire banen → hersenstamkernen 62
    6. Belangrijkste concepten 62
    7. 1. Wat is pijnmodulatie? 63
    8. 2. Belangrijkste structuur: Periaqueductale grijze stof (PAG) 63
    9. 3. Vanuit de hersenstam dalen twee pijnremmende systemen af naar het ruggenmerg (niet vragen welke NT ze gebruiken) 63
    10. 4. Wat doen deze dalende banen in het ruggenmerg? 64
    11. 5. Waarom bestaat dit systeem? 64
    12. 6. Klinische relevantie 64
  88. 88 1. De pijnmatrix (Pain Matrix) 64
    1. Wat is de pijnmatrix? 64
    2. Betrokken hersengebieden: 64
  89. 89 DIA 75:​Syringomyelie – anatomische toepassing 65
    1. Wat gebeurt er anatomisch? 65
    2. Welke baan loopt daar? 65
    3. Gevolg van centrale schade: 65
    4. Wat is het? 65
    5. Gevolgen voor de sensibiliteit 65
    6. Klassiek patroon: 65
    7. 1. Basisidee motorisch systeem 66
    8. 2. Corticale motorische gebieden 66
    9. 3. Belangrijke input naar de motorische cortex 66
    10. 1. Van cortex naar ruggenmerg 66
    11. 2. Rol van hersenstam, basale ganglia en cerebellum 67

Documentinformatie

Geüpload op
24 december 2025
Aantal pagina's
123
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€16,16

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
annavanloo
4,8
(38)
Verkocht
256
Volgers
10
Items
22
Laatst verkocht
2 weken geleden


Reviews van geverifieerde kopers




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen