BIOLOGIE 5
H1 ECOLOGIE
1.3 BIOTOOPSTUDIE
O: keuze biotoop
V: Verkenning terrein en uitwerken praktische voor-organisatie
Globale observatie: type biotoop, geografische situering,...
Nauwkeurige observatie: directe en indirecte waarnemingen
→ abiotische en biotische factoren
Verwerking van de waarnemingen:
● relaties organismen
● relaties org en omgevingsfact
● invloed mens op biotoop
Rapportering en reflectie
1.4 BEGRIPPEN
ecologie: het studiegebied binnen de biologie waarin de wisselwerking tussen organismen
en hun omgeving bestudeerd worden.
● de processen die van invloed zijn op voorkomen en de aantallen van organismen
● de wisselwerking tussen deze organismen
● de stroom en omzetting van energie en materie
Organisatieniveaus:
● Organisme : een individu met specifieke eigenschappen
● soort / species : organismen met kenmerkende verschijningsvorm en levenswijze
→ deze kenmerken zijn erfelijk
→ door kruising kunnen de kenmerken wel doorgegeven worden naar andere soort
→ DNA 99,5% idem
● Populatie : een groep van organismen van dezelfde soort die in een bepaald gebied
voorkomen en er zich voortplanten
● verspreidingsgebied / areaal : het geografische gebied waarin een bepaalde soort
aangetroffen kan worden
● Levensgemeenschap : verzamelingen van verschillende soorten organismen die in
eenzelfde min of meer afgebakend gebied voorkomen
→ organismen zijn min of meer afhankelijk van elkaar
● Biotoop : een geografisch afgebakend gebied en verwijst naar een plaats waar
specifieke leefomstandigheden heersen.
→ vormt een geheel van abiotische factoren waarin organismen samenleven
● Habitat : de specifieke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt, de
verblijfplaats van een organisme
→ leefomstandigheden voldoen aan de eisen en toleranties
, ● Territorium : een beperkt, afgebakend gebied dat door 1 of meerdere individuen als
het zijne beschouwd wordt
● Niche : het geheel van biotische en abiotische factoren die het voorkomen of de rol
van een organisme bepalen
→ soms vergeleken met het beroep
● Bioom : een groot gebied waarin het klimaat bepalend is voor de soorten
organismen die er leven
● Ecosysteem : een verzameling van levensgemeenschappen en het geheel van hun
niet-levende omgevingsfactoren
Ecosfeer = de verzameling van alle ecosystemen op Aarde
→ groepeert alle levensvormen alsook de locaties en waarmee ze interageren
→ opgesplitst in:
● Atmosfeer : het gasmengsel dat de aarde omgeeft
→ belangrijk voor voortplanting planten (windbestuiving en windverspreiding)
→ belangrijk voor voortbewegen bij vliegende zoogdieren
→ belangrijk voor geluidsoverdracht (geluid heeft medium nodig)
→ op basis van temp versch zones onderscheiden
○ Troposfeer : temp neemt af met de hoogte en samenstelling min of meer
constant, op grote hoogte meer lichte gassen dus minder O2, luchtdruk neemt
af bij grotere hoogte
→ luchtlagen voortdurend in beweging (L:warm en H:koud)
○ Stratosfeer : tropopauze is de overgangszone, temp neemt geleidelijk weer
toe tot de stratopauze, bevat de ozonlaag
○ Mesosfeer : temp daalt terug met toenemende hoogte en bereikt minimum
op mesopauze.
○ Thermosfeer : temp kan oplopen tot 1500°C omdat de deeltjes de
UV-stralen van zon absorberen, lucht heel ijl
○ Exosfeer : vanaf thermopauze temp constant en lucht zeer ijl.
→ buiten exosfeer geen gasmoleculen meer waardoor ook geen temp meer
● Hydrosfeer : alle watermassa’s op aarde, ongeacht de aggregatietoestand
→ zout (97,5% en zoet 2,5%)
Water als abiotische factor
water heeft dipoolkarakter waardoor waterstofbruggen vormt (zeer geschikt
transport- en oplosmiddel voor andere stoffen) + water heeft grootste dichtheid bij
4°C waardoor ijs kleinere dichtheid heeft en blijft drijven + Water grote soortelijke
warmtecapaciteit
Waterkringloop
door luchtverplaatsingen in troposfeer en veel waterstofgasontstaan wolken. Water
of ijs dat als neerslag neerkomt, stroomt door naar grote onder- of bovengrondse
waterreservoirs die weer verdampen of als vloeistof terechtkomen in organismen of
chemische verbindingen
Water in organismen
noodzakelijke voorwaarde voor leven: alle organismen min 50% water (bouwstof,
oplos- en transportmiddel, reagens of reactiemilieu)
,water als oplosmiddel :
○ O2 lost op in water (goed voor aërobe org in water)
→ sterk temperatuur gebonden
○ ook in cellen en lichaamsvochten essentieel oplosmiddel
waterhuishouding in het lichaam van dieren : water gaat van hypotone (hoge conc)
naar hypertone (lage conc) milieus dus osmoregulatie belangrijk
○ ongewervelde zoutwaterdieren
■ isotonische cellen met zout water
■ afvalstoffen weg via lichaamsoppervlak
○ gewervelde zouwaterdieren
■ hypertone omgeving tov cellen
■ waterverlies gecompenseerd door constant te drinken
■ alle overtollige mineralen weg in heel geconc pipi
○ kraakbeenvissen
■ constant drinken + gekristalliseerde pipi
■ speciale stof in cellen voor osmotische waarde te doen stijgen
○ beenvissen
■ geen speciale stof in cellen
○ zeezoogdieren
■ moedermelk fel gezouten alsook uitwerpselen
○ zeevogels
■ zoutklieren in de kop als ondersteuning nieren
■ zeer geconc urine
○ gewervelde zoetwaterdieren
■ hypotonische omgeving
■ waterophoping en zoutverlies
■ weinig drinken en veel plassen (veel water, weinig minerale)
■ kieuwen zouten opnemen
○ ongewervelde zoetwaterdieren
■ kloppende vacuole voor water wegpompen
○ landdieren (droge omgeving)
■ veel zoet water drinken
■ vermindering verdamping door
● inwendige organen voor gaswisseling
● afscherming huid door waslaagje
● opzoeken vochtige omgeving
● alleen ‘s nachts schuilplaats verlaten
■ waterverlies beperken
● poductie onoplosbare N-houdende afbalstoffen
● productie hypertonische urine
● geringe urineproductie en afscheiden afvalstoffen op andere
manieren vb via huid
■ droge faeces
■ tijdelijk waterverlies verdragen
■ water bij eigen stofwisseling vasthouden
○ landplanten
■ ontwijken van de droogte (sommige planten volledige levenscyclus in
enkele weken doorlopen)
, ■ vermijden van droogte (loofbomen verliezen bladeren)
■ aanpassen aan droogte (taaie huidlaag en bovengrondse laag weinig
volume + huidmondjes onderzijde bladeren)
■ weerstand bieden tegen droogte (water opslaan in stengels of
bladeren)
○ waterplanten
■ hoofdwortel zorgt voor verankering
■ plantendelen geen waslaagje
■ bladeren geen huidmondjes (als volledig ondergedompeld)
■ tussen cellen grote holtes waarin O2 en CO2 opgeslagen
● Lithosfeer : de harde aardkorst en het buitenste deel van de aardmantel
→ waar sporen van leven zijn
Samenstelling van de bodem
Bodem = bovenlaag van aardkorst waarin fysische, chemische en biologische
processen plaatsvinden. Hierin wortelen planten en leven bodemdieren
→ heeft 4 belangrijke structurele componenten
minerale skelet :
○ bestaat uit anorganische stoffen en ontstaan door verwering van
moedergetseente
○ soort, grootte bodemdeeltjes en verhouding type bodemdeeltjes bepale de
bodemtextuur (grind, zand, leem, klei)
organisch materiaal :
○ afkomstig van restanten van organismen of uitwerpselen of
afscheidingsproducten van organismen
○ niet afgebroken materiaal (bladeren, twijgjes) = strooisel
○ gedeeltelijk of volledig afgebroken materiaal = humus
○ humusvorming steeds gepaard met mineralisatieproces
luchtgehalte :
○ neemt toe met korrelgrootte
watergehalte :
○ hygroscopisch = droog
○ capillair = water en lucht
○ gravitationeel = water
Bodemprofiel
bodem vertoont een gelaagde structuur (laagjes zijn horizonten)
→ bepalend voor type biotoop
→ geen statisch geheel maar ontwikkeld door processen zoals
○ plantengroei
○ bacteriënactiviteit
○ activiteit van andere bodemorganismen
○ neerslag
○ activiteiten van de mens
H1 ECOLOGIE
1.3 BIOTOOPSTUDIE
O: keuze biotoop
V: Verkenning terrein en uitwerken praktische voor-organisatie
Globale observatie: type biotoop, geografische situering,...
Nauwkeurige observatie: directe en indirecte waarnemingen
→ abiotische en biotische factoren
Verwerking van de waarnemingen:
● relaties organismen
● relaties org en omgevingsfact
● invloed mens op biotoop
Rapportering en reflectie
1.4 BEGRIPPEN
ecologie: het studiegebied binnen de biologie waarin de wisselwerking tussen organismen
en hun omgeving bestudeerd worden.
● de processen die van invloed zijn op voorkomen en de aantallen van organismen
● de wisselwerking tussen deze organismen
● de stroom en omzetting van energie en materie
Organisatieniveaus:
● Organisme : een individu met specifieke eigenschappen
● soort / species : organismen met kenmerkende verschijningsvorm en levenswijze
→ deze kenmerken zijn erfelijk
→ door kruising kunnen de kenmerken wel doorgegeven worden naar andere soort
→ DNA 99,5% idem
● Populatie : een groep van organismen van dezelfde soort die in een bepaald gebied
voorkomen en er zich voortplanten
● verspreidingsgebied / areaal : het geografische gebied waarin een bepaalde soort
aangetroffen kan worden
● Levensgemeenschap : verzamelingen van verschillende soorten organismen die in
eenzelfde min of meer afgebakend gebied voorkomen
→ organismen zijn min of meer afhankelijk van elkaar
● Biotoop : een geografisch afgebakend gebied en verwijst naar een plaats waar
specifieke leefomstandigheden heersen.
→ vormt een geheel van abiotische factoren waarin organismen samenleven
● Habitat : de specifieke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt, de
verblijfplaats van een organisme
→ leefomstandigheden voldoen aan de eisen en toleranties
, ● Territorium : een beperkt, afgebakend gebied dat door 1 of meerdere individuen als
het zijne beschouwd wordt
● Niche : het geheel van biotische en abiotische factoren die het voorkomen of de rol
van een organisme bepalen
→ soms vergeleken met het beroep
● Bioom : een groot gebied waarin het klimaat bepalend is voor de soorten
organismen die er leven
● Ecosysteem : een verzameling van levensgemeenschappen en het geheel van hun
niet-levende omgevingsfactoren
Ecosfeer = de verzameling van alle ecosystemen op Aarde
→ groepeert alle levensvormen alsook de locaties en waarmee ze interageren
→ opgesplitst in:
● Atmosfeer : het gasmengsel dat de aarde omgeeft
→ belangrijk voor voortplanting planten (windbestuiving en windverspreiding)
→ belangrijk voor voortbewegen bij vliegende zoogdieren
→ belangrijk voor geluidsoverdracht (geluid heeft medium nodig)
→ op basis van temp versch zones onderscheiden
○ Troposfeer : temp neemt af met de hoogte en samenstelling min of meer
constant, op grote hoogte meer lichte gassen dus minder O2, luchtdruk neemt
af bij grotere hoogte
→ luchtlagen voortdurend in beweging (L:warm en H:koud)
○ Stratosfeer : tropopauze is de overgangszone, temp neemt geleidelijk weer
toe tot de stratopauze, bevat de ozonlaag
○ Mesosfeer : temp daalt terug met toenemende hoogte en bereikt minimum
op mesopauze.
○ Thermosfeer : temp kan oplopen tot 1500°C omdat de deeltjes de
UV-stralen van zon absorberen, lucht heel ijl
○ Exosfeer : vanaf thermopauze temp constant en lucht zeer ijl.
→ buiten exosfeer geen gasmoleculen meer waardoor ook geen temp meer
● Hydrosfeer : alle watermassa’s op aarde, ongeacht de aggregatietoestand
→ zout (97,5% en zoet 2,5%)
Water als abiotische factor
water heeft dipoolkarakter waardoor waterstofbruggen vormt (zeer geschikt
transport- en oplosmiddel voor andere stoffen) + water heeft grootste dichtheid bij
4°C waardoor ijs kleinere dichtheid heeft en blijft drijven + Water grote soortelijke
warmtecapaciteit
Waterkringloop
door luchtverplaatsingen in troposfeer en veel waterstofgasontstaan wolken. Water
of ijs dat als neerslag neerkomt, stroomt door naar grote onder- of bovengrondse
waterreservoirs die weer verdampen of als vloeistof terechtkomen in organismen of
chemische verbindingen
Water in organismen
noodzakelijke voorwaarde voor leven: alle organismen min 50% water (bouwstof,
oplos- en transportmiddel, reagens of reactiemilieu)
,water als oplosmiddel :
○ O2 lost op in water (goed voor aërobe org in water)
→ sterk temperatuur gebonden
○ ook in cellen en lichaamsvochten essentieel oplosmiddel
waterhuishouding in het lichaam van dieren : water gaat van hypotone (hoge conc)
naar hypertone (lage conc) milieus dus osmoregulatie belangrijk
○ ongewervelde zoutwaterdieren
■ isotonische cellen met zout water
■ afvalstoffen weg via lichaamsoppervlak
○ gewervelde zouwaterdieren
■ hypertone omgeving tov cellen
■ waterverlies gecompenseerd door constant te drinken
■ alle overtollige mineralen weg in heel geconc pipi
○ kraakbeenvissen
■ constant drinken + gekristalliseerde pipi
■ speciale stof in cellen voor osmotische waarde te doen stijgen
○ beenvissen
■ geen speciale stof in cellen
○ zeezoogdieren
■ moedermelk fel gezouten alsook uitwerpselen
○ zeevogels
■ zoutklieren in de kop als ondersteuning nieren
■ zeer geconc urine
○ gewervelde zoetwaterdieren
■ hypotonische omgeving
■ waterophoping en zoutverlies
■ weinig drinken en veel plassen (veel water, weinig minerale)
■ kieuwen zouten opnemen
○ ongewervelde zoetwaterdieren
■ kloppende vacuole voor water wegpompen
○ landdieren (droge omgeving)
■ veel zoet water drinken
■ vermindering verdamping door
● inwendige organen voor gaswisseling
● afscherming huid door waslaagje
● opzoeken vochtige omgeving
● alleen ‘s nachts schuilplaats verlaten
■ waterverlies beperken
● poductie onoplosbare N-houdende afbalstoffen
● productie hypertonische urine
● geringe urineproductie en afscheiden afvalstoffen op andere
manieren vb via huid
■ droge faeces
■ tijdelijk waterverlies verdragen
■ water bij eigen stofwisseling vasthouden
○ landplanten
■ ontwijken van de droogte (sommige planten volledige levenscyclus in
enkele weken doorlopen)
, ■ vermijden van droogte (loofbomen verliezen bladeren)
■ aanpassen aan droogte (taaie huidlaag en bovengrondse laag weinig
volume + huidmondjes onderzijde bladeren)
■ weerstand bieden tegen droogte (water opslaan in stengels of
bladeren)
○ waterplanten
■ hoofdwortel zorgt voor verankering
■ plantendelen geen waslaagje
■ bladeren geen huidmondjes (als volledig ondergedompeld)
■ tussen cellen grote holtes waarin O2 en CO2 opgeslagen
● Lithosfeer : de harde aardkorst en het buitenste deel van de aardmantel
→ waar sporen van leven zijn
Samenstelling van de bodem
Bodem = bovenlaag van aardkorst waarin fysische, chemische en biologische
processen plaatsvinden. Hierin wortelen planten en leven bodemdieren
→ heeft 4 belangrijke structurele componenten
minerale skelet :
○ bestaat uit anorganische stoffen en ontstaan door verwering van
moedergetseente
○ soort, grootte bodemdeeltjes en verhouding type bodemdeeltjes bepale de
bodemtextuur (grind, zand, leem, klei)
organisch materiaal :
○ afkomstig van restanten van organismen of uitwerpselen of
afscheidingsproducten van organismen
○ niet afgebroken materiaal (bladeren, twijgjes) = strooisel
○ gedeeltelijk of volledig afgebroken materiaal = humus
○ humusvorming steeds gepaard met mineralisatieproces
luchtgehalte :
○ neemt toe met korrelgrootte
watergehalte :
○ hygroscopisch = droog
○ capillair = water en lucht
○ gravitationeel = water
Bodemprofiel
bodem vertoont een gelaagde structuur (laagjes zijn horizonten)
→ bepalend voor type biotoop
→ geen statisch geheel maar ontwikkeld door processen zoals
○ plantengroei
○ bacteriënactiviteit
○ activiteit van andere bodemorganismen
○ neerslag
○ activiteiten van de mens