SAMENVATTING:
INWENDIGE KINE
theorie
,MODULE INTERNAL DISEASES (PID)
NICK GEBREURS
EMBRYOLOGISCHE ONTWIKKELING VAN HET LYMFESTELSEL
• Veel overeenkomsten met aders; dezelfde oorsprong.
• Differentiatie wordt veroorzaakt door groeifactoren
HET LYMFESTELSEL
• Bestaat uit bloedvaten en lymfeklieren
• Primaire lymfeklieren: het produceren en laten rijpen van lymfocyten (witte bloedcellen) voor het
immuunsysteem
o Beenmerg (B-lymfocyten)
o Thymus (T-lymfocyten) (locatie?) → achter het stenrum
• Secundaire lymfeklieren: zijn organen die deel uitmaken van het immuunsysteem en de eerste
verdediging bieden tegen infecties.
o Amandelen
o Lymfeklieren (800-1500) → veel in axella (oksel) en in supraclaviculaire, borst area, ...
o Milt
o MALT (mucosa-geassocieerd lymfoïd weefsel)
o Locatie MALT? → bevindt zich in de slijmvliezen van het lichaam, zoals in het maag-
darmkanaal, de neusholte, de schildklier (verantwoordelijk vr immuunsysteem door
antigenen te ontmoeten die via het epitheel binnenkomen)
• Verschillende functies in het menselijk lichaam:
o Transportsysteem (geen bloedsomloop, niet circulair) voor vloeistoffen (voornamelijk water)
▪ Blinde start: weg nr andere plaats
▪ Geen spontane vulling vanuit bloedbaan
▪ Brengt water wel in bloedsomloop terug
o Transporteert lipiden (melkkanalen) en eiwitten in de voeding
▪ Zorgt vr opname, zo komen deze in bloed terecht
o Speelt een belangrijke rol bij immuunreacties (bijv. meer infecties bij patiënten met
lymfoedeem)
• 3 belangrijke systemen (zowel topografisch als functioneel)
o Epifasciaal (huid; onderhuid & bindweefsel)
o Subfasciaal (spieren; gewrichten & bindweefsel)
o Organen (organen en opname via de voeding)
• Vaak te vinden in de buurt van aders en slagaders
• Perforerende en communicerende vaten (gelijkenis met aders)
,VERSCHILLENDE LYMFEVATEN
1. Lymfecapillairen van initiële lymfevaten → lympfevloeistof start als interstitiële vloeistof: vloeistof tussen
weefselcellen
2. Pre-collectoren
3. Collectoren
4. (Lymfeklieren) (lymfenods)
5. Lymfebannen (trunks)
• → lymfatics: wand word dikker --> op capillair niveau minste lagen ---> capilaire bed met spierweefsel
erond
1.LYMFEVATEN (LYMFE CAPILLAIREN)
Het lymfestelsel begint met microscopisch kleine vaten die lymfevaten worden genoemd in de weefsels.
o gesloten buisjes die in de meeste bloedvatnetwerken voorkomen (eenrichtingssysteem)
o vergelijkbaar met een bloedcapillair in die zin dat de wand een endotheel is maar meestal
een grotere diameter hebben, geen basismembraan hebben en overlappende
endotheelcellen hebben
o verankeringsfilamenten helpen deze endotheelcellen vast te houden aan het nabijgelegen
weefsel
o de structuur fungeert als eenrichtingskleppen (ritssluiting/klittenbandfunctie)
o loose junctions: kunnen gemakkelijk uit elkaar getrokken worden dan ° opening
o bij tractie of beweging lichaam: fijne collageendraadjes op endotheelcel nr interstitium =
ankerfilamenten trekken cellen open
o geen kleppen
Lactealen
• De dunne darm bevat speciale soorten lymfevaten die lactealen worden genoemd.
• Lactealen nemen niet alleen interstitiële vloeistof op, maar ook voedingslipiden en in vet oplosbare
vitamines.
• De lymfe in dit gebied heeft een melkachtige kleur vanwege de lipiden en wordt chyle genoemd. (relatie
tussen lekkende lactealen en vetafzetting)
2,3. LYMFEVATEN: PRE -COLLECTOREN EN COLLECTOREN
• Lymfecapillairen komen samen en vormen grotere lymfevaten.
• Ze lijken op kleine aderen en zijn afgeleid van aderen.
• Beide bevatten drie tunieken en beide hebben kleppen.
• Maar de wanden van lymfevaten zijn dunner en hebben meer kleppen.
• Het grootste deel van de lymfe stroomt door verschillende klieren
• capillaire 1 laag en gaat nr pre collectoren met 3 lagen
• Afferente lymfevaten brengen lymfe naar een lymfeklier (lymfeknoop) waar het wordt onderzocht op
vreemd of pathogeen materiaal.
• Na filtering verlaat de lymfe de lymfeklier via efferente lymfevaten
• Er zijn minder efferente dan afferente vaten, waardoor de lymfe langzamer stroomt terwijl deze door de
lymfeklier gaat.
• Lymfeklieren worden vaak in clusters aangetroffen. (lies, darmen, oksel, nek)
, • Collector: zeer grote wegen, zuiver transport, gaat naar lymfeklier passeert er minstens 1
4.LYMFEKLIEREN:
• Functie
o Immuunrespons
o Filtering van het lymfevocht
• Anatomisch
o Boonvormig
o Convexiteit (afferente verzamelaars) → brengen lymfe nr lymfeklier
▪ Ongezuiverd lymfe + aanvoerende bloedvaten
o Concaviteit = hilum (efferente verzamelaars en bloed-/zenuwtoevoer)
▪ Hier komt gezuiverd water toe
• Ovale clusters van lymfecellen met wat extracellulaire matrix maar zonder kapsel.
• Bevatten prolifererende B-lymfocyten en enkele macrofagen. (immunoresponsreactie)
• T-lymfocyten bevinden zich buiten het kiemcentrum.
• Filteren en vallen antigenen aan.
• In sommige delen van het lichaam groeperen veel lymfeklieren zich tot grotere structuren, mucosa-
geassocieerd lymfatisch weefsel (MALT)
• MALT detecteert antigenen en initieert een immuunrespons
• amandelen omringen de keelholte
• Peyer-plaques zijn zeer prominent aanwezig in het slijmvlies van de dunne darm, voornamelijk in het ileum
ook veel voorkomend in de blindedarm
• Hoe meer clusters je wegneemt hoe meer kans op oedeem
5.LYMFEBANEN
• Er worden verschillende lymfebanen beschreven
• Belangrijkste baan = ductus thoracicus of thoracale ductus.
• De vaatwand = verzamelaars (drie lagen, kleppen).
• Autonome samentrekkingen (ongeveer 10/min).
• Voert gefilterde lymfevloeistof terug naar de bloedbaan.
SAMENSTELLING VAN HET LYMFEVOCHT
• 90% water
• Eiwitten; slechts enkele; maar kunnen spectaculair toenemen bij pathologie of weefselbeschadiging
• Afgestorven rode bloedcellen (levenscyclus van rode bloedcellen is ongeveer 120 dagen)
• Witte bloedcellen (WBC)
• Lymfocyten (B&T)
• Mineralen
• Eindproducten van afgestorven cellen
• Soms bacteriën, virussen en/of kankercellen
Samenvloeiing van het lymfestelsel met de bloedsomloop
• Transportsysteem:
• Open einde (blind)
• Twee belangrijke samenvloeiingen:
INWENDIGE KINE
theorie
,MODULE INTERNAL DISEASES (PID)
NICK GEBREURS
EMBRYOLOGISCHE ONTWIKKELING VAN HET LYMFESTELSEL
• Veel overeenkomsten met aders; dezelfde oorsprong.
• Differentiatie wordt veroorzaakt door groeifactoren
HET LYMFESTELSEL
• Bestaat uit bloedvaten en lymfeklieren
• Primaire lymfeklieren: het produceren en laten rijpen van lymfocyten (witte bloedcellen) voor het
immuunsysteem
o Beenmerg (B-lymfocyten)
o Thymus (T-lymfocyten) (locatie?) → achter het stenrum
• Secundaire lymfeklieren: zijn organen die deel uitmaken van het immuunsysteem en de eerste
verdediging bieden tegen infecties.
o Amandelen
o Lymfeklieren (800-1500) → veel in axella (oksel) en in supraclaviculaire, borst area, ...
o Milt
o MALT (mucosa-geassocieerd lymfoïd weefsel)
o Locatie MALT? → bevindt zich in de slijmvliezen van het lichaam, zoals in het maag-
darmkanaal, de neusholte, de schildklier (verantwoordelijk vr immuunsysteem door
antigenen te ontmoeten die via het epitheel binnenkomen)
• Verschillende functies in het menselijk lichaam:
o Transportsysteem (geen bloedsomloop, niet circulair) voor vloeistoffen (voornamelijk water)
▪ Blinde start: weg nr andere plaats
▪ Geen spontane vulling vanuit bloedbaan
▪ Brengt water wel in bloedsomloop terug
o Transporteert lipiden (melkkanalen) en eiwitten in de voeding
▪ Zorgt vr opname, zo komen deze in bloed terecht
o Speelt een belangrijke rol bij immuunreacties (bijv. meer infecties bij patiënten met
lymfoedeem)
• 3 belangrijke systemen (zowel topografisch als functioneel)
o Epifasciaal (huid; onderhuid & bindweefsel)
o Subfasciaal (spieren; gewrichten & bindweefsel)
o Organen (organen en opname via de voeding)
• Vaak te vinden in de buurt van aders en slagaders
• Perforerende en communicerende vaten (gelijkenis met aders)
,VERSCHILLENDE LYMFEVATEN
1. Lymfecapillairen van initiële lymfevaten → lympfevloeistof start als interstitiële vloeistof: vloeistof tussen
weefselcellen
2. Pre-collectoren
3. Collectoren
4. (Lymfeklieren) (lymfenods)
5. Lymfebannen (trunks)
• → lymfatics: wand word dikker --> op capillair niveau minste lagen ---> capilaire bed met spierweefsel
erond
1.LYMFEVATEN (LYMFE CAPILLAIREN)
Het lymfestelsel begint met microscopisch kleine vaten die lymfevaten worden genoemd in de weefsels.
o gesloten buisjes die in de meeste bloedvatnetwerken voorkomen (eenrichtingssysteem)
o vergelijkbaar met een bloedcapillair in die zin dat de wand een endotheel is maar meestal
een grotere diameter hebben, geen basismembraan hebben en overlappende
endotheelcellen hebben
o verankeringsfilamenten helpen deze endotheelcellen vast te houden aan het nabijgelegen
weefsel
o de structuur fungeert als eenrichtingskleppen (ritssluiting/klittenbandfunctie)
o loose junctions: kunnen gemakkelijk uit elkaar getrokken worden dan ° opening
o bij tractie of beweging lichaam: fijne collageendraadjes op endotheelcel nr interstitium =
ankerfilamenten trekken cellen open
o geen kleppen
Lactealen
• De dunne darm bevat speciale soorten lymfevaten die lactealen worden genoemd.
• Lactealen nemen niet alleen interstitiële vloeistof op, maar ook voedingslipiden en in vet oplosbare
vitamines.
• De lymfe in dit gebied heeft een melkachtige kleur vanwege de lipiden en wordt chyle genoemd. (relatie
tussen lekkende lactealen en vetafzetting)
2,3. LYMFEVATEN: PRE -COLLECTOREN EN COLLECTOREN
• Lymfecapillairen komen samen en vormen grotere lymfevaten.
• Ze lijken op kleine aderen en zijn afgeleid van aderen.
• Beide bevatten drie tunieken en beide hebben kleppen.
• Maar de wanden van lymfevaten zijn dunner en hebben meer kleppen.
• Het grootste deel van de lymfe stroomt door verschillende klieren
• capillaire 1 laag en gaat nr pre collectoren met 3 lagen
• Afferente lymfevaten brengen lymfe naar een lymfeklier (lymfeknoop) waar het wordt onderzocht op
vreemd of pathogeen materiaal.
• Na filtering verlaat de lymfe de lymfeklier via efferente lymfevaten
• Er zijn minder efferente dan afferente vaten, waardoor de lymfe langzamer stroomt terwijl deze door de
lymfeklier gaat.
• Lymfeklieren worden vaak in clusters aangetroffen. (lies, darmen, oksel, nek)
, • Collector: zeer grote wegen, zuiver transport, gaat naar lymfeklier passeert er minstens 1
4.LYMFEKLIEREN:
• Functie
o Immuunrespons
o Filtering van het lymfevocht
• Anatomisch
o Boonvormig
o Convexiteit (afferente verzamelaars) → brengen lymfe nr lymfeklier
▪ Ongezuiverd lymfe + aanvoerende bloedvaten
o Concaviteit = hilum (efferente verzamelaars en bloed-/zenuwtoevoer)
▪ Hier komt gezuiverd water toe
• Ovale clusters van lymfecellen met wat extracellulaire matrix maar zonder kapsel.
• Bevatten prolifererende B-lymfocyten en enkele macrofagen. (immunoresponsreactie)
• T-lymfocyten bevinden zich buiten het kiemcentrum.
• Filteren en vallen antigenen aan.
• In sommige delen van het lichaam groeperen veel lymfeklieren zich tot grotere structuren, mucosa-
geassocieerd lymfatisch weefsel (MALT)
• MALT detecteert antigenen en initieert een immuunrespons
• amandelen omringen de keelholte
• Peyer-plaques zijn zeer prominent aanwezig in het slijmvlies van de dunne darm, voornamelijk in het ileum
ook veel voorkomend in de blindedarm
• Hoe meer clusters je wegneemt hoe meer kans op oedeem
5.LYMFEBANEN
• Er worden verschillende lymfebanen beschreven
• Belangrijkste baan = ductus thoracicus of thoracale ductus.
• De vaatwand = verzamelaars (drie lagen, kleppen).
• Autonome samentrekkingen (ongeveer 10/min).
• Voert gefilterde lymfevloeistof terug naar de bloedbaan.
SAMENSTELLING VAN HET LYMFEVOCHT
• 90% water
• Eiwitten; slechts enkele; maar kunnen spectaculair toenemen bij pathologie of weefselbeschadiging
• Afgestorven rode bloedcellen (levenscyclus van rode bloedcellen is ongeveer 120 dagen)
• Witte bloedcellen (WBC)
• Lymfocyten (B&T)
• Mineralen
• Eindproducten van afgestorven cellen
• Soms bacteriën, virussen en/of kankercellen
Samenvloeiing van het lymfestelsel met de bloedsomloop
• Transportsysteem:
• Open einde (blind)
• Twee belangrijke samenvloeiingen: