Macro-economie
04. MACRO-ECONOMISCHE GROOTHEDEN
p. 119-151
4.0 Inleiding (niet in boek)
MACRO-ECONOMIE
= deel van de economische wetenschap dat de economische grootheden
op geaggregeerd niveau bestudeert (=grote groepen)
Grote groepen = Een land, Europa als geheel, handelsrelaties tussen
landen, …
Alle economische “agenten” of “huishoudingen” worden in samenhang
bestudeerd
Macro-economische vraagstukken over economische groei, armoede,
milieu, werkloosheid, inflatie, …
Bijvoorbeeld: overheid, import, export
De huishoudingen die de macro-economie bestudeert, zijn:
De gezinnen
De bedrijven
De overheid
Het buitenland
4.1 De economische kringloop (enkel slides/notities)
De activiteiten van die huishoudingen die de macro-economie bestudeert
zijn:
• De gezinnen consumeren (C) en sparen (S)
• De bedrijven investeren (I)
• De overheid belast (T) en consumeert (G)
• Het buitenland: België exporteert naar (X) en importeert van (M) het
buitenland
1
,4.2 De berekening van de economische activiteit (enkel
slides/notities)
Bruto-investeringen = vervangingsinvesteringen + netto-
investeringen
Netto-investeringen = uitbreidingsinvesteringen +
voorraadwijzigingen (+ of -)
De bedrijven investeren (I)
vervangingsinvesteringen: om kapitaalgoederen te vervangen die
onderhevig zijn aan slijtage geen uitbreiding productiecapaciteit
uitbreidingsinvesteringen: om kapitaalgoederen uit te breiden
uitbreiding productiecapaciteit
Breedte-investeringen: uitbreiding zonder verhoging
kapitaalintensiteit*
2
, Diepte-investeringen: uitbreiding met verhoging
kapitaalintensiteit *
voorraadinvesteringen: aanleggen van voorraden van niet verkochte
consumptiegoederen (vlottende investeringen) – desinvesteringen
indien voorraad afneemt
* Kapitaalintensiteit = K/L = ingezette hoeveelheid kapitaal op ingezette
hoeveelheid arbeiders. Breiden de investeringen in kapitaalgoederen uit
zonder dat er meer arbeiders worden ingezet, dan stijgt de
kapitaalintensiteit.
De economische agenten werken samen om het bbp tot stand te brengen
Bbp = GDP (Gross Domestic Product) (bruto binnenlands product)
Het gaat goed met de economie: grotere bbp
Het gaat slecht met de economie: kleinere bbp
Economische activiteit: Mensen en middelen die samenwerken om..
een productie tot stand te brengen.. (aanbod)
..dat door die mensen gevraagd wordt (vraag)
= het bbp
Factoren die de grootte van de economische activiteit bepalen kunnen
worden ingedeeld in:
- Aanbodfactoren (supply-side)
- Vraagfactoren (demand-side)
Aanbodfactoren: productiecapaciteit -> bevolkingsgroei of
bevolkingssamenstelling, kapitaal, technologie, onderwijs (aanbodfactoren
zijn structureel om op lange termijn te bekijken)
Evenwicht
Vraag en aanbod op markten in
evenwicht
Vraagfactoren: vraag van gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland:
conjucturele factoren (fluctueert op korte termijn)
Definitie bbp: De marktwaarde van de totale stroom eindgoederen en -
diensten die de economie van een land over een periode (meestal 1 jaar)
produceert.
BBP is de marktwaarde.. → marktprijzen (bbpm)
3
, van alle → binnen de economie (legaal
verkocht + soms schattingen
illegale activiteiten)
eind- → geen halffabrikaten (tenzij
voorraden)
producten en diensten → zowel tastbaar als niet-tastbaar
geproduceerd → enkel die recentelijk
geproduceerd zijn
in een land → enkel de productie binnen het
land (bv. ook productie Nedl. bedrijf
in Antwerpen)
binnen een vastgestelde periode → meestal een jaar (of kwartaal)
De economische activiteit via het bbp meten
kan op drie 3 manieren:
1. Productiebenadering (hoeveel wordt er
Productie Inkomen
geproduceerd?)
2. Bestedingsbenadering (wat wordt er
verkocht?)
3. Inkomensbenadering (wat is het
Bestedinge
inkomen?) n
1. Productiebenadering: de totale waarde
van de goederen en diensten die gedurende één jaar zijn geproduceerd
Toegevoegde waarde = marktwaarde (de verkoopprijs) min de
waarde van de gekochte en verbruikte grond- en hulpstoffen
Totale toegevoegde waarde van bedrijven en overheid
In de productiebenadering tellen we de toegevoegde waarden samen van
alle bedrijven en de overheid.
Bruto toegevoegde waarde van een bedrijf in de bedrijfskolom
= marktwaarde – aankoopwaarde (grondstoffen, diensten van derden)
- bruto toegevoegde waarde landbouwbedrijf: 500
- bruto toegevoegde waarde maalderij: 750
- bruto toegevoegde waarde bakkerij: 800
4
04. MACRO-ECONOMISCHE GROOTHEDEN
p. 119-151
4.0 Inleiding (niet in boek)
MACRO-ECONOMIE
= deel van de economische wetenschap dat de economische grootheden
op geaggregeerd niveau bestudeert (=grote groepen)
Grote groepen = Een land, Europa als geheel, handelsrelaties tussen
landen, …
Alle economische “agenten” of “huishoudingen” worden in samenhang
bestudeerd
Macro-economische vraagstukken over economische groei, armoede,
milieu, werkloosheid, inflatie, …
Bijvoorbeeld: overheid, import, export
De huishoudingen die de macro-economie bestudeert, zijn:
De gezinnen
De bedrijven
De overheid
Het buitenland
4.1 De economische kringloop (enkel slides/notities)
De activiteiten van die huishoudingen die de macro-economie bestudeert
zijn:
• De gezinnen consumeren (C) en sparen (S)
• De bedrijven investeren (I)
• De overheid belast (T) en consumeert (G)
• Het buitenland: België exporteert naar (X) en importeert van (M) het
buitenland
1
,4.2 De berekening van de economische activiteit (enkel
slides/notities)
Bruto-investeringen = vervangingsinvesteringen + netto-
investeringen
Netto-investeringen = uitbreidingsinvesteringen +
voorraadwijzigingen (+ of -)
De bedrijven investeren (I)
vervangingsinvesteringen: om kapitaalgoederen te vervangen die
onderhevig zijn aan slijtage geen uitbreiding productiecapaciteit
uitbreidingsinvesteringen: om kapitaalgoederen uit te breiden
uitbreiding productiecapaciteit
Breedte-investeringen: uitbreiding zonder verhoging
kapitaalintensiteit*
2
, Diepte-investeringen: uitbreiding met verhoging
kapitaalintensiteit *
voorraadinvesteringen: aanleggen van voorraden van niet verkochte
consumptiegoederen (vlottende investeringen) – desinvesteringen
indien voorraad afneemt
* Kapitaalintensiteit = K/L = ingezette hoeveelheid kapitaal op ingezette
hoeveelheid arbeiders. Breiden de investeringen in kapitaalgoederen uit
zonder dat er meer arbeiders worden ingezet, dan stijgt de
kapitaalintensiteit.
De economische agenten werken samen om het bbp tot stand te brengen
Bbp = GDP (Gross Domestic Product) (bruto binnenlands product)
Het gaat goed met de economie: grotere bbp
Het gaat slecht met de economie: kleinere bbp
Economische activiteit: Mensen en middelen die samenwerken om..
een productie tot stand te brengen.. (aanbod)
..dat door die mensen gevraagd wordt (vraag)
= het bbp
Factoren die de grootte van de economische activiteit bepalen kunnen
worden ingedeeld in:
- Aanbodfactoren (supply-side)
- Vraagfactoren (demand-side)
Aanbodfactoren: productiecapaciteit -> bevolkingsgroei of
bevolkingssamenstelling, kapitaal, technologie, onderwijs (aanbodfactoren
zijn structureel om op lange termijn te bekijken)
Evenwicht
Vraag en aanbod op markten in
evenwicht
Vraagfactoren: vraag van gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland:
conjucturele factoren (fluctueert op korte termijn)
Definitie bbp: De marktwaarde van de totale stroom eindgoederen en -
diensten die de economie van een land over een periode (meestal 1 jaar)
produceert.
BBP is de marktwaarde.. → marktprijzen (bbpm)
3
, van alle → binnen de economie (legaal
verkocht + soms schattingen
illegale activiteiten)
eind- → geen halffabrikaten (tenzij
voorraden)
producten en diensten → zowel tastbaar als niet-tastbaar
geproduceerd → enkel die recentelijk
geproduceerd zijn
in een land → enkel de productie binnen het
land (bv. ook productie Nedl. bedrijf
in Antwerpen)
binnen een vastgestelde periode → meestal een jaar (of kwartaal)
De economische activiteit via het bbp meten
kan op drie 3 manieren:
1. Productiebenadering (hoeveel wordt er
Productie Inkomen
geproduceerd?)
2. Bestedingsbenadering (wat wordt er
verkocht?)
3. Inkomensbenadering (wat is het
Bestedinge
inkomen?) n
1. Productiebenadering: de totale waarde
van de goederen en diensten die gedurende één jaar zijn geproduceerd
Toegevoegde waarde = marktwaarde (de verkoopprijs) min de
waarde van de gekochte en verbruikte grond- en hulpstoffen
Totale toegevoegde waarde van bedrijven en overheid
In de productiebenadering tellen we de toegevoegde waarden samen van
alle bedrijven en de overheid.
Bruto toegevoegde waarde van een bedrijf in de bedrijfskolom
= marktwaarde – aankoopwaarde (grondstoffen, diensten van derden)
- bruto toegevoegde waarde landbouwbedrijf: 500
- bruto toegevoegde waarde maalderij: 750
- bruto toegevoegde waarde bakkerij: 800
4