Inhoudstafel.
1. Stedenbouwwet van 1962 en de bodembestemmingsplannen………………………………………………….
1.1 Het gewestplan………………………………………………………………………………………………………………………
1.2 Plannen van aanleg……………………………………………………………………………………………………………….
2. Decreet van 1999 - Structuurplannen en RUP’s…………………………………………………………………………
2.1 Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV).................................................................
2.2 Provinciale en gemeentelijke structuurplannen…………………………………………………………………
2.3 Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV).........................................................................
2.4 Implicaties bij uitvoering van plannen……………………………………………………………………………….
2.4.1 Recht van voorkoop………………………………………………………………………………………………………
2.4.2 Onteigeningen…………………………………………………………………………………………………………….
2.4.3 Her- en ruilverkaveling……………………………………………………………………………………………….
2.4.4 Planschade en planbaten…………………………………………………………………………………………….
3. Belangrijke afbeeldingen………………………………………………………………………………………………………….
1. Stedenbouwwet van 1962 en de bodembestemmingsplannen.
Ontstaan en doel:
- Eerste wet die de inrichting en het gebruik van de ruimte regelde (in werking: 22 april 1962).
- Ruimtelijke ordening werd vastgelegd in plannen.
- Ontworpen vanuit:
- Economisch standpunt.
- Sociaal standpunt.
- Esthetisch standpunt.
- Doel: Het natuurschoon van het land bewaren.
- Plannen verschillen:
- In schaalniveau.
- In graad van nauwkeurigheid.
Bodembestemmingsplannen:
- Leggen de bestemming van de grond vast.
- Functies zijn:
- Strikt gescheiden.
- Toegewezen aan strikt afgebakende zones.
, Wekken de indruk dat:
- De volledige ruimte na verloop van tijd vastligt.
- Activiteiten enkel mogen plaatsvinden in voorziene zones.
- Weinig inspraak:
- Enkel openbaar onderzoek.
- Burgers konden bezwaren indienen binnen vast termijn.
- Aangekondigd via krant, televisie en affiches aan gemeentehuizen.
A. Karakteristieken van het bestemmingsplan:
1. Bindend en verordenend:
- Leggen verplichtingen op aan overheid én burger.
- Bevatten stedenbouwkundige voorschriften.
2. Eindtoestand:
- Gericht op een toekomstige eindsituatie.
- Geen rekening met:
- Fasering in de tijd.
- Veranderende maatschappelijke noden.
3. Onsamenhangende aanpak:
- Geen globale visie op:
- Stedelijk weefsel.
- Landelijk weefsel.
- Weinig aandacht voor impact op omliggende ruimte.
4. Statisch karakter:
- Eenmalige beslissingen.
- Geen flexibiliteit.
- Plannen verouderen snel.
B. Hiërarchie in de plannen van aanleg (1962).
Volgorde volgens de wet:
1. Nationaal plan.
2. Streekplan.
3. Gewestplan.
4. Intercommunaal plan.
5. Gemeentelijke plannen:
- Algemeen Plan van Aanleg (APA).
- Bijzonder Plan van Aanleg (BPA).