Economie vandaag 2024: hoofdstuk 0: inleiding:
0.1 Het doel van economische wetenschap
Elementen van de keuze:
Behoe;es:
Behoe%e = het aanvoelen van een tekort en het streven om dit tekort te bevredigen.
Primaire of levensnoodzakelijke (behoe%e) = voeding, kleding en huisvesAging, niet alAjd
van materiële aard.
Immateriële (behoe%e) = onderwijs, ontspanning, geneeskundige verzorging
Collec=eve of gemeenschappelijke (behoe%e) = behoe;en die gelijkaardig zijn voor een
groot aantal personen en worden door de gemeenschap als geheel bevredigd (onderwijs,
wegen, bejaardenzorg, recrea2ezones).
Individuele behoe%en = subjecAever en worden bevredigd dankzij de inspanningen van
personen of van hun gezin (voeding, kleding, huisves2ging, ontspanning).
Schaars middel:
De middelen (goederen en diensten) waarover consument beschikt om zijn talrijke behoe;es
te bevredigen, zijn maar in beperkte mate beschikbaar. Noemen we schaarse of economische
goederen.
Schaars middel = een middel waarvan de verlangde hoeveelheid de beschikbare hoeveelheid
zou overtreffen indien het graAs ter beschikking stond.
,Waardeverschijnsel: met ons inkomen kunnen we niet tegelijk aan al onze behoe;en
voldoen.
Nut = een goed of dienst komt slechts in aanmerking voor de bevrediging van een bepaalde
behoe;e in de mate dat het voor de mens nuLg is. Goederen en diensten zijn nuLg omdat
ze behoe;en bevredigen.
Economisch principe = de mens tracht met zijn beschikbare middelen zo te kiezen, dat hij
volgens zijn schaLng een maximale behoe;ebevrediging bereikt.
Behoe;ebevrediging vindt plaats in gezinnen die geld (inkomen) uitgeven aan goederen en
diensten. Worden geproduceerd door bedrijven en overheid, die daarvoor gebruik maken
van producAemiddelen en geld betalen daarvoor aan gezinnen. Ook bedrijven en overheid
moeten kiezen uit alternaAeve mogelijkheden; gebruikt men de beperkte middelen voor een
bepaald goed , dan kan men ze niet meer inzeQen bij de producAe van een ander goed.
Economie = de studie van het menselijk streven naar bevrediging van behoe;en met behulpt
van schaarse middelen.
0.2 Welvaart en welzijn
Welvaart = de mate waarin mensen met de beschikbare schaarse middelen in hun behoe;en
kunnen voorzien. Verwezenlijking van deze wensen betekent meestal dat beslag moet
worden gelegd op schaarse middelen.
Als we erin slagen om schaarste te verminderen = welvaart gestegen
Welvaart ≠ veel geld en veel inkomen maar ook (bv: vrije 2jd, kwaliteit, leefmilieu)
Welzijn = gevoel van ‘welbevinden’ en de bevrediging van verlangens (liefde, vriendschap,
gezondheid) die geen beslag leggen op schaarse middelen.
0.3 Soorten goederen
Vrije goederen = niet-schaarse goederen. Zijn in natuur overvloedig aanwezig dat volledige
behoe;e aan dergelijke goederen kan worden bevredigd. (lucht)
Economische goederen = hierover gaat het in de economische wetenschap. De term
‘goederen’ slaat op goederen (tastbaar) als diensten (niet tastbaar).
Onderverdelen in:
- Zuiver individuele goederen = de meeste goederen waar we mee in aanmerking
komen. Er is sprake van rivaliteit onder consumenten en de producent kan
consumenten uitsluiten van gebruik. (als je een fiets koop, dan kan iemand anders
, niet ook nog eens die fiets kopen). De consumpAe van de één rivaliseert met de
consumpAe van een ander. Je kan ook consumpAe uitsluiten (als jij een pintje
uitdrinkt kan niemand anders hier nog van drinken). Ze worden geproduceerd door
bedrijven. Marktprijs dekt in principe de kosten en maakt winst mogelijk.
- Zuiver collec=eve goederen = zijn niet-rivaliserend en ook niet-uitsluitbaar (diensten
van brandweer en poli2e). Geen rivaliserende consumAe omdat de bescherming van
de ene persoon de bescherming van een andere persoon niet verhindert. Zolang
zuiver collecAeve goederen er niet zijn, betaalt men er niet voor. Als ze er wel zijn,
hoef je er niet voor te betalen om er gebruik van te maken. Omdat zuiver collecAeve
goederen aan de samenleving als geheel worden geleverd, moet in beginsel wel
iedereen aan de kosten mee betalen via belasAngheffing.
- Quasicollec=eve goederen = komen voor verkoop op de markt in aanmerking
(individuele goederen), maar soms worden ze uit sociale of prakAsche overwegingen
door de overheid aangeboden. (bv onderwijs, sprake van rivalisering, aantal
leerlingen per klas is beperkt, uitslui2ng: privéscholen alleen voor diegene die ervoor
betalen, maatschappelijk ongewenst. Consump2e van onderwijs heeB posi2eve
invloed op welvaart van anderen, daarom bied overheid dit tegen lagere prijs aan).
Economische goederen kunnen we onderverdelen in:
- Consump=egoederen = bevredigen onmiddellijk de behoe;en van
gezinshuishoudingen.
- Verbruiksgoederen = kan men slecht éénmaal verbruiken (brood).
- Gebruiksgoederen = deze goederen kun je verschillende malen voor de
bevrediging van dezelfde behoe;e aanwenden.
- Investeringsgoederen = dienen om andere goederen te produceren. ProducAe
gebeurt door bedrijfsverhoudingen. Het gebruik ervan is bepalend voor verschil.
- Kapitaalgoederen of produc=egoederen = duurzaam, hebben een levensduur
van tenminste 1 jaar (gebouwen, machines).
- VloJende investeringsgoederen = niet-duurzaam, worden Ajdens het
producAeproces verwerkt of vernieAgd (grondstoffen, hulpmaterialen).
(Voorraden).
0.4 ConsumpAe en producAe
Consump=e = aanwending van economische goederen voor niet-producAeve doeleinden.
Consumeren gaat gepaard met besteding van een inkomen.
Produc=e = scheppen of toevoegen van waarde (=nuLgheden) aan economische goederen.
Produceren gaat gepaard met verwerven van een inkomen.
Produc=efactoren = producAe ontstaat door de samenwerking van drie categorieën
producAefactoren: natuur, arbeid en kapitaal. Deze zijn vereist voor producAe.
, - De natuur = omvat natuurlijke rijkdommen. Belangrijk als leverancier van
grondstoffen van energie. Laatste jaren meer aandacht. De nog beschikbare middelen
van de natuur moet men zuiniger aanwenden en milieuverontreiniging moet men
dringend terugdringen.
- De arbeid = omvat alle mogelijke arbeidsprestaAes, zowel fysieke als intellectuele
aard. In moderne samenleving wordt geschoolde arbeid steeds belangrijker.
Bijzondere vorm van intellectuele arbeid is het management.
Ondernemingscapaciteit zien we niet als afzonderlijke producAefactor (arbeid gericht
op ondernemen).
- Het kapitaal = omvat reële kapitaalgoederen, geheel van door mensen
geproduceerde producAemiddelen (machines, gebouwen). Ze dragen slechts indirect
bij tot de uiteindelijke behoe;ebevrediging = omwegproduc=e. Daar het kapitaal
door de samenwerking van natuur en arbeid wordt gevormd = afgeleide
produc=efactor.
0.5 De methode
Induc=eve methode = vertrekt van een groot aantal feitelijke gegevens (nuts beschrijvende
sta2s2ek). Bij voldoende ervaring formuleert men een wetmaAgheid die voor alle gevallen
principieel van toepassing is. (zo kan men bv: vaststellen dat als de prijs van smartphone
s2jgt, gevraagde hoeveelheid smartphones vermindert en wanneer prijs daalt, hoeveelheid
toeneemt). Er bestaat een negaAef verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid.
Deduc=eve methode = gaat uit van algemeen beginsel waaruit men nieuwe besluiten afleidt.
Als men uitgaat van algemeen beginsel dat de consumenten streven naar maximale
behoe;ebevrediging gegeven hun budgetbeperking, kan men hieruit de vraag naar bv
smartphones afleiden. Bij hogere prijs is er minder vraag. Bij een lagere prijs meer vraag.
Beste resultaten worden bereikt door combinaAe van inducAeve en deducAeve methode.
0.6 De ceteris-paribusclausule
Ceteris-paribusclausule = aangezien men moeilijk laboratoriumexperimenten kan uitvoeren
in economische wetenschap gebruikt men dit (= als het overige gelijk is, onder overigens
gelijke omstandigheden). Men ziet een welbepaald economisch verschijnsel ahankelijk van
één variabele, terwijl men alle andere factoren waarvan het economische verschijnsel
ahankelijk is, veronderstelt als constant.
In onderzoek naar samenhang tussen prijs en gevraagde hoeveelheid van smartphones
gingen we uit van aantal veronderstellingen (=ceteris paribus). Zo veronderstellen we dat de
koopkracht van consumenten, voorkeuren van consumenten en prijs van belminuten
onveranderd blijven.
0.1 Het doel van economische wetenschap
Elementen van de keuze:
Behoe;es:
Behoe%e = het aanvoelen van een tekort en het streven om dit tekort te bevredigen.
Primaire of levensnoodzakelijke (behoe%e) = voeding, kleding en huisvesAging, niet alAjd
van materiële aard.
Immateriële (behoe%e) = onderwijs, ontspanning, geneeskundige verzorging
Collec=eve of gemeenschappelijke (behoe%e) = behoe;en die gelijkaardig zijn voor een
groot aantal personen en worden door de gemeenschap als geheel bevredigd (onderwijs,
wegen, bejaardenzorg, recrea2ezones).
Individuele behoe%en = subjecAever en worden bevredigd dankzij de inspanningen van
personen of van hun gezin (voeding, kleding, huisves2ging, ontspanning).
Schaars middel:
De middelen (goederen en diensten) waarover consument beschikt om zijn talrijke behoe;es
te bevredigen, zijn maar in beperkte mate beschikbaar. Noemen we schaarse of economische
goederen.
Schaars middel = een middel waarvan de verlangde hoeveelheid de beschikbare hoeveelheid
zou overtreffen indien het graAs ter beschikking stond.
,Waardeverschijnsel: met ons inkomen kunnen we niet tegelijk aan al onze behoe;en
voldoen.
Nut = een goed of dienst komt slechts in aanmerking voor de bevrediging van een bepaalde
behoe;e in de mate dat het voor de mens nuLg is. Goederen en diensten zijn nuLg omdat
ze behoe;en bevredigen.
Economisch principe = de mens tracht met zijn beschikbare middelen zo te kiezen, dat hij
volgens zijn schaLng een maximale behoe;ebevrediging bereikt.
Behoe;ebevrediging vindt plaats in gezinnen die geld (inkomen) uitgeven aan goederen en
diensten. Worden geproduceerd door bedrijven en overheid, die daarvoor gebruik maken
van producAemiddelen en geld betalen daarvoor aan gezinnen. Ook bedrijven en overheid
moeten kiezen uit alternaAeve mogelijkheden; gebruikt men de beperkte middelen voor een
bepaald goed , dan kan men ze niet meer inzeQen bij de producAe van een ander goed.
Economie = de studie van het menselijk streven naar bevrediging van behoe;en met behulpt
van schaarse middelen.
0.2 Welvaart en welzijn
Welvaart = de mate waarin mensen met de beschikbare schaarse middelen in hun behoe;en
kunnen voorzien. Verwezenlijking van deze wensen betekent meestal dat beslag moet
worden gelegd op schaarse middelen.
Als we erin slagen om schaarste te verminderen = welvaart gestegen
Welvaart ≠ veel geld en veel inkomen maar ook (bv: vrije 2jd, kwaliteit, leefmilieu)
Welzijn = gevoel van ‘welbevinden’ en de bevrediging van verlangens (liefde, vriendschap,
gezondheid) die geen beslag leggen op schaarse middelen.
0.3 Soorten goederen
Vrije goederen = niet-schaarse goederen. Zijn in natuur overvloedig aanwezig dat volledige
behoe;e aan dergelijke goederen kan worden bevredigd. (lucht)
Economische goederen = hierover gaat het in de economische wetenschap. De term
‘goederen’ slaat op goederen (tastbaar) als diensten (niet tastbaar).
Onderverdelen in:
- Zuiver individuele goederen = de meeste goederen waar we mee in aanmerking
komen. Er is sprake van rivaliteit onder consumenten en de producent kan
consumenten uitsluiten van gebruik. (als je een fiets koop, dan kan iemand anders
, niet ook nog eens die fiets kopen). De consumpAe van de één rivaliseert met de
consumpAe van een ander. Je kan ook consumpAe uitsluiten (als jij een pintje
uitdrinkt kan niemand anders hier nog van drinken). Ze worden geproduceerd door
bedrijven. Marktprijs dekt in principe de kosten en maakt winst mogelijk.
- Zuiver collec=eve goederen = zijn niet-rivaliserend en ook niet-uitsluitbaar (diensten
van brandweer en poli2e). Geen rivaliserende consumAe omdat de bescherming van
de ene persoon de bescherming van een andere persoon niet verhindert. Zolang
zuiver collecAeve goederen er niet zijn, betaalt men er niet voor. Als ze er wel zijn,
hoef je er niet voor te betalen om er gebruik van te maken. Omdat zuiver collecAeve
goederen aan de samenleving als geheel worden geleverd, moet in beginsel wel
iedereen aan de kosten mee betalen via belasAngheffing.
- Quasicollec=eve goederen = komen voor verkoop op de markt in aanmerking
(individuele goederen), maar soms worden ze uit sociale of prakAsche overwegingen
door de overheid aangeboden. (bv onderwijs, sprake van rivalisering, aantal
leerlingen per klas is beperkt, uitslui2ng: privéscholen alleen voor diegene die ervoor
betalen, maatschappelijk ongewenst. Consump2e van onderwijs heeB posi2eve
invloed op welvaart van anderen, daarom bied overheid dit tegen lagere prijs aan).
Economische goederen kunnen we onderverdelen in:
- Consump=egoederen = bevredigen onmiddellijk de behoe;en van
gezinshuishoudingen.
- Verbruiksgoederen = kan men slecht éénmaal verbruiken (brood).
- Gebruiksgoederen = deze goederen kun je verschillende malen voor de
bevrediging van dezelfde behoe;e aanwenden.
- Investeringsgoederen = dienen om andere goederen te produceren. ProducAe
gebeurt door bedrijfsverhoudingen. Het gebruik ervan is bepalend voor verschil.
- Kapitaalgoederen of produc=egoederen = duurzaam, hebben een levensduur
van tenminste 1 jaar (gebouwen, machines).
- VloJende investeringsgoederen = niet-duurzaam, worden Ajdens het
producAeproces verwerkt of vernieAgd (grondstoffen, hulpmaterialen).
(Voorraden).
0.4 ConsumpAe en producAe
Consump=e = aanwending van economische goederen voor niet-producAeve doeleinden.
Consumeren gaat gepaard met besteding van een inkomen.
Produc=e = scheppen of toevoegen van waarde (=nuLgheden) aan economische goederen.
Produceren gaat gepaard met verwerven van een inkomen.
Produc=efactoren = producAe ontstaat door de samenwerking van drie categorieën
producAefactoren: natuur, arbeid en kapitaal. Deze zijn vereist voor producAe.
, - De natuur = omvat natuurlijke rijkdommen. Belangrijk als leverancier van
grondstoffen van energie. Laatste jaren meer aandacht. De nog beschikbare middelen
van de natuur moet men zuiniger aanwenden en milieuverontreiniging moet men
dringend terugdringen.
- De arbeid = omvat alle mogelijke arbeidsprestaAes, zowel fysieke als intellectuele
aard. In moderne samenleving wordt geschoolde arbeid steeds belangrijker.
Bijzondere vorm van intellectuele arbeid is het management.
Ondernemingscapaciteit zien we niet als afzonderlijke producAefactor (arbeid gericht
op ondernemen).
- Het kapitaal = omvat reële kapitaalgoederen, geheel van door mensen
geproduceerde producAemiddelen (machines, gebouwen). Ze dragen slechts indirect
bij tot de uiteindelijke behoe;ebevrediging = omwegproduc=e. Daar het kapitaal
door de samenwerking van natuur en arbeid wordt gevormd = afgeleide
produc=efactor.
0.5 De methode
Induc=eve methode = vertrekt van een groot aantal feitelijke gegevens (nuts beschrijvende
sta2s2ek). Bij voldoende ervaring formuleert men een wetmaAgheid die voor alle gevallen
principieel van toepassing is. (zo kan men bv: vaststellen dat als de prijs van smartphone
s2jgt, gevraagde hoeveelheid smartphones vermindert en wanneer prijs daalt, hoeveelheid
toeneemt). Er bestaat een negaAef verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid.
Deduc=eve methode = gaat uit van algemeen beginsel waaruit men nieuwe besluiten afleidt.
Als men uitgaat van algemeen beginsel dat de consumenten streven naar maximale
behoe;ebevrediging gegeven hun budgetbeperking, kan men hieruit de vraag naar bv
smartphones afleiden. Bij hogere prijs is er minder vraag. Bij een lagere prijs meer vraag.
Beste resultaten worden bereikt door combinaAe van inducAeve en deducAeve methode.
0.6 De ceteris-paribusclausule
Ceteris-paribusclausule = aangezien men moeilijk laboratoriumexperimenten kan uitvoeren
in economische wetenschap gebruikt men dit (= als het overige gelijk is, onder overigens
gelijke omstandigheden). Men ziet een welbepaald economisch verschijnsel ahankelijk van
één variabele, terwijl men alle andere factoren waarvan het economische verschijnsel
ahankelijk is, veronderstelt als constant.
In onderzoek naar samenhang tussen prijs en gevraagde hoeveelheid van smartphones
gingen we uit van aantal veronderstellingen (=ceteris paribus). Zo veronderstellen we dat de
koopkracht van consumenten, voorkeuren van consumenten en prijs van belminuten
onveranderd blijven.