ONDERZOEKSONTWERP
Doorlopen leerpad!! Tegen 15/12 (anders -1)
H1: PROJECTONTWERP
Onderzoeks-
ontwerp
Conceptueel
ontwerp Vb: onderzoek in
Doelstelling
Onderzoeksmodel
Vraagstelling
Begripsbepaling
Onderzoekstechnisc jeugdcriminaliteit
h ontwerp
Onderzoeksmateriaal
Onderzoeksstrategie
Onderzoeksplanning
Iteratief ontwerpen
• Voortduren heen-en-weergaande beweging
• Bijstelling
• Herbezinnen en herschrijven
DEEL 1: CONCEPTUEEL ONTWERP
HOOFDSTUK 2: DOELSTELLING
,1)& 2) Politieke & sociale context – wensen van de opdrachtgever
1 Politieke gebeurtenissen (mode-trends)
2 Grote wetenschappelijke instituten (waakhonden, long term research)
3 Opdrachtgevers (beleidsonderneming, one shot projects)
Onderzoekspotentieel – opdrachtgevers
• Universiteiten / hogescholen / privé-studiebureaus
• Opdrachtgevers
• Bv. (inter)nationale staten, ministeries, regio’s, gemeenten, bedrijven,…
Grote wetenschappelijke instituten / wetenschapsfinanciers
• Bv. FWO – Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen
3) Criminologisch paradigma
= theoretische school of traditie
• Individueel positivisme (bv. biologische criminaliteitstheorieën, …)
• Neo-individueel positivisme (bv. sociale controletheorie, …)
• Sociaal positivisme (bv. ecologische theorie, …)
• Marxistische theorieën
• Neo-marxistische theorieën (bv. links realisme, …)
• Microtheorieën – middle range theorieën – grand theorieën
• OPGELET: Theoretical blindness
4) Waarden en maatschappelijke problemen
• Maatschappelijke projecten
• Opvattingen over goed en kwaad
• Opvattingen over sociale rechtvaardigheid
• Opvattingen over vrijheid en democratie
• OPGELET: Maatschappelijk engagement versus objectiviteit
5) voorkeur voor een methode
• Alleen harde kwantitatieve technieken verdienen het etiket ’wetenschappen’?
Of
• Interesse in de eigenheid, het eigenaardige, van een fenomeen (kwalitatief)
• Voorkeur voor bepaalde dataverzamelingsmethoden en data-anaysemethoden
• OPGELET: Voorkeur versus ‘reactiviteit’
6) voorkeur voor een theorie
• Link tussen jezelf als persoon (of als lid van een bepaalde sociale groep) en een
theorie
• Vrouwen
• Etnische minderheden
• Slachtofferervaringen
, • Persoonlijke ervaringen
• OPGELET: Eigen betrokkenheid versus de nodige afstand
7) Wetenschapsfilosofische opvattingen
• Veralgemeenbaarheid
• Unieke en particuliere
• Traditie van de onderzoeksgroep: in contact komen met promotor
8) reikwijdte van de studie: ‘ruimte’ en ‘tijd’
1. Ben je geïnteresseerd in…
• Individuele psychologische processen?
• Interacties binnen kleine groepjes mensen?
• Het leven in een lokale gemeenschap?
• Of grote populaties?
2. Ben je geïnteresseerd in…
• Momentopnames?
• Vergelijkingen tussen momenten in de tijd?
9) zuiver vs toegepast wetenschappelijk onderzoek
1. Ben je geïnteresseerd in…
• Theorieën ontwikkelen?
• Hypothesen toetsen?
2. Ben je geïnteresseerd in…
• Exploreren en oplossen van maatschappelijke problemen?
• Rechtstreekse gevolgen voor het sociaal of strafrechtelijk beleid?
• Actie-onderzoek – evaluatie-onderzoek – behoeften-onderzoek?
De probleemstelling
• Nadruk op de uitvoering (bovenbouw)
• Gebrek aan onderzoeksplan (onderbouw)
• “Columbus zwierf niet doelloos rond. Hij zeilde in westelijke
richting op grond van een aannemelijke theorie.”
• Cfr. Ontwerp van een gebouw door een architect
• Onderzoeken is… “Een doelbewust en methodisch zoeken naar
nieuwe kennis in de vorm van antwoorden op tevoren gestelde
vragen”.
Onderzoeksplan
Waarom en wat?
• Onderzoeken ≠ studeren
• Productie van nieuwe kennis vs. reproductie van bestaande kennis
, • Doel van een onderzoek (waarom)
• Welke kennis heb je nodig om het doel te bereiken (wat)
• Dus: We zoeken antwoorden op vooraf gestelde vragen
Vb.
parachutemoord (zie dia 25)
Waarom? (relevantie, doel van)
• Mediatisering van criminaliteit
• Impact media op punitiviteit en perceptie bevolking
Wat? (doel in)
• Mediaberichtgeving over assisenprocessen
Waar? (Object)
• Parachutemoord
• 3 kranten
Hoe (methode)
• Inhoudsanalyse
Nog 2 extra vragen:
1) Hoeveel? Elk onderzoek is beperkt qua tijd, geld, menskracht en technische
hulpmiddelen
2) Wanneer? Tijdstip van begin en einde van elke fase
Doorlopen leerpad!! Tegen 15/12 (anders -1)
H1: PROJECTONTWERP
Onderzoeks-
ontwerp
Conceptueel
ontwerp Vb: onderzoek in
Doelstelling
Onderzoeksmodel
Vraagstelling
Begripsbepaling
Onderzoekstechnisc jeugdcriminaliteit
h ontwerp
Onderzoeksmateriaal
Onderzoeksstrategie
Onderzoeksplanning
Iteratief ontwerpen
• Voortduren heen-en-weergaande beweging
• Bijstelling
• Herbezinnen en herschrijven
DEEL 1: CONCEPTUEEL ONTWERP
HOOFDSTUK 2: DOELSTELLING
,1)& 2) Politieke & sociale context – wensen van de opdrachtgever
1 Politieke gebeurtenissen (mode-trends)
2 Grote wetenschappelijke instituten (waakhonden, long term research)
3 Opdrachtgevers (beleidsonderneming, one shot projects)
Onderzoekspotentieel – opdrachtgevers
• Universiteiten / hogescholen / privé-studiebureaus
• Opdrachtgevers
• Bv. (inter)nationale staten, ministeries, regio’s, gemeenten, bedrijven,…
Grote wetenschappelijke instituten / wetenschapsfinanciers
• Bv. FWO – Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen
3) Criminologisch paradigma
= theoretische school of traditie
• Individueel positivisme (bv. biologische criminaliteitstheorieën, …)
• Neo-individueel positivisme (bv. sociale controletheorie, …)
• Sociaal positivisme (bv. ecologische theorie, …)
• Marxistische theorieën
• Neo-marxistische theorieën (bv. links realisme, …)
• Microtheorieën – middle range theorieën – grand theorieën
• OPGELET: Theoretical blindness
4) Waarden en maatschappelijke problemen
• Maatschappelijke projecten
• Opvattingen over goed en kwaad
• Opvattingen over sociale rechtvaardigheid
• Opvattingen over vrijheid en democratie
• OPGELET: Maatschappelijk engagement versus objectiviteit
5) voorkeur voor een methode
• Alleen harde kwantitatieve technieken verdienen het etiket ’wetenschappen’?
Of
• Interesse in de eigenheid, het eigenaardige, van een fenomeen (kwalitatief)
• Voorkeur voor bepaalde dataverzamelingsmethoden en data-anaysemethoden
• OPGELET: Voorkeur versus ‘reactiviteit’
6) voorkeur voor een theorie
• Link tussen jezelf als persoon (of als lid van een bepaalde sociale groep) en een
theorie
• Vrouwen
• Etnische minderheden
• Slachtofferervaringen
, • Persoonlijke ervaringen
• OPGELET: Eigen betrokkenheid versus de nodige afstand
7) Wetenschapsfilosofische opvattingen
• Veralgemeenbaarheid
• Unieke en particuliere
• Traditie van de onderzoeksgroep: in contact komen met promotor
8) reikwijdte van de studie: ‘ruimte’ en ‘tijd’
1. Ben je geïnteresseerd in…
• Individuele psychologische processen?
• Interacties binnen kleine groepjes mensen?
• Het leven in een lokale gemeenschap?
• Of grote populaties?
2. Ben je geïnteresseerd in…
• Momentopnames?
• Vergelijkingen tussen momenten in de tijd?
9) zuiver vs toegepast wetenschappelijk onderzoek
1. Ben je geïnteresseerd in…
• Theorieën ontwikkelen?
• Hypothesen toetsen?
2. Ben je geïnteresseerd in…
• Exploreren en oplossen van maatschappelijke problemen?
• Rechtstreekse gevolgen voor het sociaal of strafrechtelijk beleid?
• Actie-onderzoek – evaluatie-onderzoek – behoeften-onderzoek?
De probleemstelling
• Nadruk op de uitvoering (bovenbouw)
• Gebrek aan onderzoeksplan (onderbouw)
• “Columbus zwierf niet doelloos rond. Hij zeilde in westelijke
richting op grond van een aannemelijke theorie.”
• Cfr. Ontwerp van een gebouw door een architect
• Onderzoeken is… “Een doelbewust en methodisch zoeken naar
nieuwe kennis in de vorm van antwoorden op tevoren gestelde
vragen”.
Onderzoeksplan
Waarom en wat?
• Onderzoeken ≠ studeren
• Productie van nieuwe kennis vs. reproductie van bestaande kennis
, • Doel van een onderzoek (waarom)
• Welke kennis heb je nodig om het doel te bereiken (wat)
• Dus: We zoeken antwoorden op vooraf gestelde vragen
Vb.
parachutemoord (zie dia 25)
Waarom? (relevantie, doel van)
• Mediatisering van criminaliteit
• Impact media op punitiviteit en perceptie bevolking
Wat? (doel in)
• Mediaberichtgeving over assisenprocessen
Waar? (Object)
• Parachutemoord
• 3 kranten
Hoe (methode)
• Inhoudsanalyse
Nog 2 extra vragen:
1) Hoeveel? Elk onderzoek is beperkt qua tijd, geld, menskracht en technische
hulpmiddelen
2) Wanneer? Tijdstip van begin en einde van elke fase