Klinisch onderzoek gebruiken Als comparable sign voor onze behandeling : kijken of er al beterschap is en of de
behandeling aanslaat
INSPECTIE
• Beoordeling van
o Curvatuur van de wervelkolom
o Stand van het bekken
o Spierconditie
▪ Spiervolume
▪ Tonus
▪ symmetrie
o Huidtoestand
▪ Kleur
▪ Intrekkingen van huid
o Andere (OL’en)
▪ Horizontaliteit van trohanter major, bil en knie plooi
▪ Stand femur knie en enkel
▪ Steunname van beide benen
• Steeds in de 3 vlakken
o DORSAAL
▪ scoliose
• verandering van curvatuur, verschil schouder neklijn
• TEST door voorover te buigen
▪ Shift
• verplaatsing in de lengte, schouder en bekken wel nog evenwijdig, we gaan de shift
benoemen naar de schouders
o vb. shift naar links gaan de schouders naar links
• luchtfiguur ( ruimte tussen romp en arm ) → wordt groter aan kant van shift
▪ bekken torsie → Hoogte van SIPS ( S2 )
• bij de onderrand voor hoogte van het bekken
▪ Beenlengte verschil kan enkel met Rx bevestigd worden
o SAGITAAL
▪ Verschil in hoogte tussen SIPS EN SISA
• we willen dat SIPS hoger staat dan SISA omdat we een natuurlijke lordose hebben
normaal ( 12° )
• anteversie of retroversie
▪ hyperlordose
▪ hyperkyfose
▪ afgevlakte rug
▪ Knikpunt
• punt in de lage wervelkolom, hier gaat al de beweging op binnen komen, dit segment is
hypermobiel, het segment er boven en onder is vaak hypomobiel. Vaak ook
huidplooitjes rond dit segment.
• Wanneer je rug extensie doet is dit duidelijker zichtbaar
• Niet iedereen heeft dit
▪ Geheven borstkast
▪ Overstrekte stand van knie
o VENTRAAL
▪ Musculatuur van buik en been spieren
▪ Stand van het bekken
▪ Stand van OL
▪ Bekken torsie
▪ Endo/exo stand van femur
▪ Varus/valgus stand van knie
▪ Varus/valgus enkel
,• Houding
o In stand
▪ Sway-backhouding
• Posterieure tilt van het bekken
• Toegenomen rek op het anterieure kapsel, anterieure ligamenten van de
heup en m. iliopsoas
• Vaak hyperextensie van de knieën met verminderd gebruik van m.
quadriceps
• M. gluteus max eerder verzwakt t.v.v. hamstrings
• Vaak hypertonie v.d. grote buikspieren
• Vaak verkorting v.d. hamstrings
• Voorwaartse hoofdpositie
• Afgevlakte lumbale lordose en toegenomen thoracale kyfose
▪ Kyfolordotische houding
• Anterieure tilt van het bekken
• Met mogelijks verkorting v.d. heupflexoren ( hypertoon )
• Toegenomen lumbale lordose, thoracale kyfose en cervicale lordose
• Voorwaartse hoofdpositie
• Hypertone rugspieren
• Verzwakking v.d. buikspieren ( hypotoon )
• Heupextensoren verlengd ( hypotoon )
• Hyperextensie knieën
▪ Flat-back Houding
• Posterieure tilt van het bekken
• Verkorting v.d. hamstrings
• Minder optimale werking v.d. heupflexoren
• Afgenomen lumbale lordose en thoracale kyfose
▪ Militaire houding
• Borst vooruit
• Toegenomen lumbale lordose
o In zit (voeten gesteund) → houding en curvatuur
▪ Bij zittende job is het beter om dit in zit te gaan inspecteren.
▪ Als pijn op de voorgrond staat bij staan dan is zit iets comfortabeler en minder belastend
▪ Bij evenwichtsproblematiek
▪ Bij problemen met knie en heup
▪ Bij mensen met een beenlengte verschil wordt dit uitgeschakeld bij in zit
• Balans
o Bipodale stand
▪ Op 1 been kunnen we rap een bekkenkanteling zien ( anteversie/ retroversie maar ook
bekken afzakking )
▪ Vb trendelenburg
o Unipodale stand
• Ganganalyse
,PALPATIE
• Benige structuren
o Crista iliaca (L4)
▪ Van SIAS tot SIPS
▪ Ventrolaterale zijde makkelijker te palperen dan het dorsale gedeelte (aanhechting pars
aponeurotica fasciae thoracolumbalis)
▪ Hoogste punt +/- t.h.v. wervel L4 of segment L4-L5
o SIPS
▪ In omgeving v.d. huidkuiltjes juist boven de billen
▪ Normaliter t.h.v. S2
o SIAS
▪ Palpatie vanuit de liesplooi naar laterocraniaal: vrij dikke botverhevenheid
o Tuber ischiadicum
▪ Palpatie mediaal v.h. midden v.d. horizontale bilplooi
o Processus spinosus (& transversi) T12-S2
▪ Palpatie vanaf SIPS ➔ S2 ➔S1 ➔L5➔ L4➔ L3➔ L2➔ L1 ➔T12
o Rib 11 & 12
▪ Ofwel vertrekkende vanaf processi spinosi T11 & T12
▪ Ofwel vanuit weke delen massa (zwevende ribben)
• Myofasciale structuren (volume, tonus, trofiek)
o Kibblertest : de therapeut staat naast de patiënt en neemt de huid op tussen duim en wijsvinger en
neemt de huid er mee op. De Therapeut vraagt aan de P. of dat dit gevoelig of pijnlijk is en test naar
de oppakbaarheid en mogelijke veranderingen in consistentie
o Mm. erector spinae
▪ Kunnen vaak in stand waargenomen worden
▪ Palpatie vanaf de mediaanlijn. De laterale rand is goed voelbaar.
o Mm. multifidi
▪ Niet direct te visualiseren
▪ Palpatie direct lateraal v.d. processi spinosi laag lumbaal
o Mm. glutei (maximus & medius)
▪ Contour bilspieren duidelijk te visualiseren
▪ Palpatie craniaal en dorsaal v.d. trochanter major
o M. quadratus lumborum
▪ Niet duidelijk te visualiseren
▪ Palpatie vanaf de laterale zijde v.d. romp naar dorsaal en mediaal
o M. rectus abdominis
▪ Meestal goed te visualiseren (vanuit ruglig weinig oprichten)
▪ Goed palpabel, zeker bij contractie
o M. transversus abdominis
▪ Niet direct te visualiseren
▪ Indirecte palpatie vanaf SIAS: +/- 2cm mediaal en +/-1cm caudaal
▪ Navel intrekken om deze te voelen aanspannen
, ACTIEF BEWEGELIJKHEIDSONDERZOEK
FUNCTIONEEL
• Parameters:
o ROM
o Pijn
o Coördinatie
o Compensatie
o Bereidheid tot bewegen
• Principe van evaluatie
o Initiële instructie geven
o Observeren
o Auditieve feedback
o Observeren
o Tactiele feedback
o Observeren
• Ademhaling
o Inspectie/observeren
o Ruglig < zit < stand
▪ Ruglig: kijken hoe en waar de P. ademend
• Oppervlakkig of diep
• Snel of traag
• Symmetrisch of asymmetrisch
• Buik- en flankademhaling vs. Topademhaling
o Buikademhaling is meest optimale ademhaling in rust
o We vragen aan de P. om rustig en diep door te ademen
o Indien veranderd ademhalingspatroon:
▪ laat patiënt eerst actief corrigeren met auditieve feedback
▪ Daarna pas bijsturen met tactiele feedback : je vraagt om tijdens het inademen met de buik
te duwen tegen de handen van T ( via de buik of via de flanken )
• Doorgezakt rechtop zitten
o “ga eens helemaal doorgezakt zitten en dan recht gaan zitten”
o Van waaruit zet patiënt de correctie in?
▪ Vaak is er een correctie vanuit thoracale beweging
o Therapeut stuurt patiënt eventueel bij naar correcte houding met neutrale lumbale lordose
▪ Typisch bij lumbale klachten P. = dan gaat er vooral uit thoracaal de beweging in gezet
worden
▪ Normaal is er voornamelijk van lumbaal dat er gaat worden in gestuurd worden.
o Beïnvloedt de houdingsverandering de klachten?
o Tactiele feedback
▪ Je gaat met een eendenbekje 1 vinger lumbaal en 1 vinger sacraal de beweging mee in laten
sturen
• Zit-stand-zit
o “je mag vanuit zit recht gaan staan”
o Waar wordt de beweging ingezet?
▪ we willen heupflexie en lumbale lordose behouden ( niet te veel rompflexie )
o Compensaties?
▪ Met de handen mee opduwen
▪ Endorotatie van de benen ( door zwakte van de glutei)
o Auditieve/tactiele feedback
• Unipodale stand
o “je mag op 1 been gaan staan”
o Observatie van
▪ Klachten
▪ Rotatie van wervelkolom of bekken
▪ Adductie van heup
▪ Knikpunten