INHOUDSOPGAVE
INTRODUCTIE: POLITIEK GEDRAG VERKLAREN 1
HOOFDSTUK 1: STEMGEDRAG 3
1. EERSTE VERKLARING: SOCIALE POSITIE 3
2. TWEEDE VERKLARING: PARTIJ-IDENTIFICATIE 6
3. DERDE VERKLARING: IDEOLOGIE EN ISSUES 9
4. VIERDE VERKLARING: ECONOMISCHE TOESTAND 12
5. VIJFDE VERKLARING: IMAGO OF EIGENSCHAPPEN VAN DE KANDIDAAT 14
6. ZESDE VERKLARING: STRATEGISCHE OVERWEGINGEN 16
7. ZEVENDE VERKLARING: AFFECTIVE TURN – EMOTIES & POLITIEK 17
8. OVERZICHT 17
HOOFDSTUK 2: POLITIEKE PARTIJEN 19
1. DOELSTELLINGEN VAN POLITIEKE PARTIJEN 19
2. FORMELE THEORIE OVER PARTIJSTANDPUNTEN: SPATIAL MODELLING THEORIE 20
3. VAN POSITIE NAAR ISSUE: THE SEMISOVEREIGN PEOPLE (SCHATTSCHNEIDER) 21
4. PARTIJ COMPETITIE EN “THE CONFLICT OF CONFLICTS” 23
5. ISSUES 24
HOOFDSTUK 3: POLITIEKE LEIDERS 27
1. PERSOONLIJKHEID EN LEIDERSCHAP 27
2. CHARISMA: CHARISMATISCH LEIDERSCHAP 29
3. BENADERINGEN EN THEORIEËN 30
4. LEIDERSCHAP EN ACHTERGRONDKENMERKEN 32
5. LEIDERS IN CRISISSITUATIES 33
HOOFDSTUK 4: COALITIEVORMING EN REGERING 35
1. HET BELANG VAN COALITIEVORMING 35
2. DOEL 1: VERKLAREN EN VOORSPELLEN WELKE COALITIES TOT STAND KOMEN 35
3. DOEL 2: VERKLAREN EN VOORSPELLEN HOE DE MINISTERPORTFOLIO’S VERDEELD WORDEN 40
HOOFDSTUK 5: POLITIEKE POLARISATIE 43
1. IDEOLOGISCHE POLARISATIE 43
2. AFFECTIEVE POLARISATIE 47
3. ROL VAN DE MEDIA: VERSCHIL VS EN EUROPA 50
4. DE ROL VAN ELITES: INCIVILITY 50
,GASTLES RUUD WOUTERS: PROTEST EN PUBLIEKE OPINIE 52
1. VOORBEELD: ELS RECHTS 52
2. SOCIALE BEWEGINGEN: WAT? 53
3. DE INVLOED VAN PROTEST 54
4. CASE 1: DE ZENDER (PROTESTKENMERKEN) 56
5. CASE 2: DE ONTVANGER (PREDISPOSITIES) 57
6. CONCLUSIE 57
GASTLES FREDERIK STEVENS: BELANGENGROEPEN 58
1. LOBBYEN EN BELANGENGROEPEN 58
2. KENMERKEN VAN BELANGENGROEPEN 59
3. TYPES BELANGENGROEPEN 60
4. SYSTEMEN VAN BELANGENVERTEGENWOORDIGING 60
5. BELANGENGROEPEN, GOED OF SLECHT NIEUWS, VOOR EEN REPRESENTATIEVE DEMOCRATIE? 61
6. WAT DOEN BELANGENGROEPEN? 62
GASTLES BENJAMIN CLARYSSE: BOND BETER LEEFMILIEU 66
1. WAAR STAAT BOND BETER LEEFMILIEU VOOR? 66
2. NETWERK 67
3. DIRECTE BEÏNVLOEDING 67
4. INDIRECTE BELEIDSBEÏNVLOEDING 68
5. THEORY OF CHANGE 70
GASTLES DANNY VAN ASSCHE: SOCIAAL OVERLEG IN WOELIGE TIJDEN 71
1. WAT ZIJN “SOCIALE PARTNERS”? 71
2. INTERPROFESSIONEEL OVERLEG 71
EXAMEN TOELICHTING 73
, INTRODUCTIE: Politiek gedrag verklaren
Wat bepaalt het politieke gedrag van burgers?
1. Persoonlijkheid
- Uniek: Iedereen heeft bepaalde kenmerken hetzelfde, maar zal nooit exact hetzelfde zijn.
Daarom kijken naar de algemeenheden (vb. big five).
- Centraal: Persoonlijkheid is iets dat centraal aanwezig is en bepaalt wie je bent als persoon.
Het is iets dat je moeilijk kan verbergen. Het is soms ook onbewust, omdat we vaak niet weten
hoe een andere persoon gaat reageren op bepaalde dingen.
- Stabiel: Persoonlijkheid verandert niet zomaar en is daarbij stabiel.
2. Waarden
Het zijn dieperliggende opvattingen over wat iemand als goed of slecht beschouwt. Het zijn zaken
die zowel te maken hebben met dingen die iemand belangrijk vindt zowel in de bredere context of
samenleving, als in interpersoonlijke relaties.
3. Identiteit
Het heeft te maken met hoe je jezelf ziet. Identiteit heeft ook een politieke vertaling.
4. Attitudes
Het is een geheel van opvattingen ten aanzien van een bepaald subject, met een cognitieve (wat je
ervan afweet) en affectieve (wat voel je erbij) component.
Eigenschappen:
- Het is anders dan een waarde, omdat het specifieker is.
- Stabiel en duurzaam: Mensen kunnen evolueren, maar gebeurt traag en langzaam en komen
ook pas later voor in je leven.
- Gedragsmatige component: Attitudes worden gebruikt om gedrag te verklaren, maar de link
is niet altijd even sterk. Er is een discrepantie tussen gedrag en attitudes. Bijvoorbeeld, je vindt
het klimaat belangrijk, maar neemt wel soms eens het vliegtuig.
- Non-attitudes: Soms zijn er kwesties waar je nog niet over hebt nagedacht (nieuwe thema’s).
1
, 5. Cognitief proces
Attribution theory: Mensen proberen constant de oorzaak van gedrag van anderen te achterhalen.
Mensen gaan zich daarvoor baseren op hun eigen ervaringen (heuristics = shortcuts), dat kan als
gevolg hebben dat daar foute assumpties uit worden getrokken:
- Availibility heuristic: Gedrag gaan voorspellen op basis van eerdere voorbeelden of
ervaringen.
- Fundamental attribution error: Mensen maken veel fouten in toewijzen van de oorzaken
van gedrag van anderen.
6. Emoties
Wanneer mensen iets voelen gaan ze vaak hierdoor een bepaald gedrag stellen. Bijvoorbeeld, mensen
die protesteren zijn vaak niet onverschillig over een onderwerp maar voelen daar iets bij.
7. Groepen
Wij political in-group + out-group: Politiek is iets sociaal, je praat erover met anderen. Groepen
met wie je je omringt kunnen ook processen beïnvloeden.
Sociale identiteitstheorie: Een deel van het zelfbeeld als gevolg van het behoren tot een groep en
een emotionele waarde hebben met het lidmaatschap. Bijvoorbeeld, iemand vindt het belangrijk om
deel te zijn van een supportersgroep van de voetbal.
Theorie:
- Leden proberen een positieve sociale identiteit te bekomen
- Gevolg van vergelijkingen met niet-leden of leden van een andere groep en toekennen van
negatieve kenmerken aan de outgroup
- Als sociale identiteit niet voldoet, gaan ze opzoek naar een andere groep (sociale mobiliteit)
Onderzoek Sherif: Toevallig ingedeelde groepen leiden tot groepsidentificatie. Ze werden random
ingedeeld in kleur en ze begonnen zichzelf als goede groep te zien en de andere groep met negatieve
kenmerken te associëren. Er zijn wel mogelijkheden om groepsverschillen te verkleinen.
Social learning theory (Bandura): Negatieve attitudes tegenover anderen worden aangeleerd (=
politieke socialisatie). Bijvoorbeeld, een klein kindje steekt een middelvinger uit naar een
tegenstander ven Feyenoord. Daarbij komen veel vragen kijken over hoe het kan dat hij nu al zo een
attitudes heeft ontwikkeld.
8. Context
Voorbeeld: Als iemand in een dictatuur leeft met weinig tolerantie voor afwijkende meningen stuurt
dat zijn of haar gedrag.
2
, HOOFDSTUK 1: Stemgedrag
_ Focus op de vraagzijde.
Voornaamste verklaringen van stemgedrag:
1. Sociale positie
Klassieke en algemene verklaringen
2. Partij-identificatie
3. Ideologie/issues
4. Economische toestand
5. Eigenschappen/imago van de kandidaten
6. Strategische overwegingen
7. Andere elementen
1. Eerste verklaring: Sociale positie
1.1 Colombia university: “Social group model” van stemgedrag
Columbia University is de eerste school die onderzoek heeft gedaan naar stemgedrag. Stemgedrag
heeft te maken met religie, leeftijd, inkomen, etc. Volgens de University van Colombia is er een
samenhang tussen de sociale positie en op welke partijen mensen stemmen.
Onderzoek: The people’s choice (Lazarsfeld)
Het is een eerste systematische verkiezingsstudie van Amerikaanse kiezers. Het is een surveypanel
om stemgedrag te kunnen begrijpen. De rol van sociale positie en interpersoonlijke communicatie is
allesbepalend:
- Belang sociale positie: Bij sociale positie wordt er vooral gekeken naar religie en sociale
klasse. Hun sociale positie is allesbepalend om te kijken op welke kandidaten mensen
stemmen.
- Belang interpersoonlijke communicatie: Mensen gaan om met mensen van dezelfde religie
bijvoorbeeld door samen naar de kerk te gaan. Er werd verwacht dat een grote groep mensen
beïnvloed zou worden door de media. Echter is dat niet het geval en is het maar een kleine
groep mensen die beïnvloed worden door de media. Die kleine groep mensen zal daarna in
hun sociale kringen over de media spreken en anderen zo beïnvloeden.
3
, 1.2 Aansluiting in Europa: Lipset & Rokkan
Breuklijnen (cleavages)
Lipset en Rokkan komen tot een gelijkaardige conclusie in Europa, maar ze zien wel breuklijnen
terugkomen die verschillen tussen landen. Breuklijnen zijn sociale conflicten tussen verschillende
groepen. Na de nationale revolutie zien we twee breuklijnen ontstaan: centrum versus periferie en
kerk versus staat. Na de industriële revolutie komen daar twee nieuwe breuklijnen: land versus
industrie en arbeid versus kapitaal.
Partijen zijn een institutionalisering van de sociale conflicten, ze zijn dus afkomstig van de sociale
groepen. Electoraten waren dus de vroegere sociale groepen. Bijvoorbeeld CD&V die staat voor
katholieken en de landbouw. Vroeger was het met 80% zekerheid dat men kon zeggen op wie iemand
ging stemmen op basis van zijn positie in de samenleving. Vandaag de dag is dat niet meer het geval.
Nieuwe breuklijnen
Lange tijd domineerden de drie traditionele partijen het politieke landschap. Vandaag is dat anders:
er zijn meer partijen ontstaan, vooral als reactie op nieuwe breuklijnen in de samenleving. Die nieuwe
breuklijnen hebben te maken met globalisering, migratie en klimaatverandering. Als gevolg daarvan
zijn onder andere groene partijen en radicaal-rechtse partijen opgericht. Zij positioneren zich deels
binnen de klassieke breuklijnen, maar richten zich vooral op deze nieuwe thema’s. De traditionele
partijen verliezen daardoor aan invloed, omdat ze zich niet overtuigend genoeg hebben kunnen
profileren rond deze nieuwe maatschappelijke scheidslijnen.
1.3 Andere factoren
Sociale klasse en religie
Class-voting
Dit laat het effect van sociale klasse zien. Een samenleving kan ingedeeld worden in verschillende
sociale klassen, dat is geïnspireerd op het Marxistisch klasse denken. Waar de werkende klasse
(proletariaat) tegenover de bourgeoisie staan. Later is er een groeiende groep in de middenklasse die
in rekening moet worden gebracht.
Denominational voting
Dit laat het effect van religie zien. Bijvoorbeeld als iemand katholiek gelovig is dan is de kans groter
dat die persoon op een katholieke persoon zal stemmen.
_ Voorbeeld VS: In de Verenigde staten wordt vaak de vraag gesteld of ze nog religieus zijn
om hun stemverdrag te kunnen verklaren.
_ Voorbeeld België: CD&V is minder katholiek dan vroeger. Sammy Mehdi wou de paus
niet ontmoeten.
4
,Gender
Vroeger stemden vrouwen gemiddeld genomen eerder conservatief. Geleidelijk aan is dat echter
veranderd: vrouwen stemmen vandaag doorgaans linkser, terwijl mannen vaker rechts stemmen. Het
is wel moeilijk om deze evolutie op lange termijn te bestuderen, waardoor er nog verder onderzoek
naar wordt gedaan.
Leeftijd
Een goed voorbeeld is de Brexit. Daarbij bleek er een duidelijk verschil tussen leeftijdsgroepen:
oudere kiezers wilden liever uit de EU stappen, terwijl jongere kiezers juist wilden blijven binnen de
EU.
Migratieachtergrond
Gemiddeld gezien zijn mensen met een migratieachtergrond vaker geneigd om op linkse partijen te
stemmen dan op rechtse partijen.
Woonplaats: fusies en stad versus platteland
In dunbevolkte gebieden behaalt Vlaams Belang vaak gemakkelijk winst, terwijl de partij in stedelijke
gebieden minder goed scoort.
1.4 Dealignment of ontkoppeling van sociale positie
Vroeger kon met ongeveer 80% zekerheid worden voorspeld op welke partij iemand zou stemmen op
basis van zijn sociale achtergrond. Tegenwoordig is dat verband veel minder sterk, wat wordt
aangeduid met de term ontkoppeling. Dit verwijst naar het afnemende belang van sociale positie en
groepslidmaatschap als verklaring voor stemgedrag.
Alford Class voting
De Alford Class Voting Index wordt gebruikt om dit te meten. Deze index vergelijkt het percentage
arbeiders dat op een linkse partij stemt met het percentage niet-arbeiders dat op een linkse partij stemt.
Hoe lager de waarde of hoe dichter bij nul, hoe groter de ontkoppeling en hoe kleiner de invloed van
sociale klasse op stemgedrag. Over de decennia heen is deze vorm van class voting sterk afgenomen.
Oorzaken van sociale ontkoppeling:
1. Zwakkere link tussen kiezer en sociale groep
Compositie effect: Sociale groepen zien er niet meer hetzelfde uit als vroeger.
- Traditionele groepen zijn kleiner geworden: De verschillende groepen stemmen nog steeds
grotendeels zoals verwacht, maar het aantal mensen dat tot deze groepen behoort, is kleiner
geworden.
- Convergentie: Levenstandaarden liggen dichter bij elkaar.
5
, - Meer mobiliteit tussen de groepen: Mensen belanden tegenwoordig vaker in een andere
sociale klasse dan hun ouders. Dit komt doordat kinderen nu meer mogelijkheden hebben om
verder te studeren, wat vroeger veel minder het geval was.
2. Zwakkere link tussen sociale groep en politieke partij
Party appeal effect: Partijen passen hun strategie aan de veranderende samenstelling van de
samenleving en aan nieuwe maatschappelijke thema’s. Ze richten zich niet langer uitsluitend op
specifieke groepen, zoals arbeiders, maar proberen ook jongeren en de middenklasse aan te spreken.
Op die manier streven ze ernaar een catch-all partij te worden, die zoveel mogelijk kiezers wil
bereiken.
_ Er bestaan echter ook tegenvoorbeelden. Na een slecht verkiezingsresultaat kan een partij
ervoor kiezen om opnieuw de focus te leggen op haar oorspronkelijke achterban en
kernwaarden, om zo verloren kiezers terug te winnen.
Correlatie-effect: Tegenwoordig is het minder vanzelfsprekend dat mensen uit een bepaalde sociale
groep stemmen op de partij die traditioneel bij die groep hoort. Dit komt doordat sociaaleconomische
tegenstellingen minder dominant zijn geworden. De huidige politieke conflicten draaien vooral om
nieuwe breuklijnen, met nadruk op sociaal-culturele thema’s. Deze conflicten zijn cross-cutting, wat
betekent dat ze dwars door de oude, bestaande breuklijnen heen lopen.
2. Tweede verklaring: Partij-identificatie
2.1 Michigan school: nieuw model
De Universiteit van Michigan uitte kritiek op de benadering van de Universiteit van Columbia. Hun
kritiek bestaat uit twee belangrijke punten:
- De sociale breuklijnen verklaren niet waarom mensen precies op een bepaalde partij stemmen.
- De sociale breuklijnen kunnen ook niet de variatie tussen verkiezingen verklaren, aangezien
specifieke thema’s en issues eveneens een belangrijke rol spelen.
Onderzoek: The American Voter (Campbell)
The American Voter kwam met een nieuw model het sociopsychological model. De stemkeuze wordt
beïnvloed door een combinatie van verschillende factoren, zowel van veraf als van dichtbij. Er wordt
op een algemene manier naar gekeken, maar vervolgens opgesplitst in subcategorieën om het
persoonlijker te maken. Daarbij wordt rekening gehouden met zowel maatschappelijke als individuele
kenmerken. Eerst spelen de bredere invloeden een rol, die vervolgens de meer persoonlijke factoren
beïnvloeden, wat uiteindelijk leidt tot de uiteindelijke stemkeuze.
6
, 2.2 Partisanship
Partij-identificatie verwijst naar een langdurige verbondenheid met een bepaalde partij. Deze band
ontstaat vaak al in de kindertijd, doordat ouders hun politieke voorkeur onbewust doorgeven. Tijdens
de tienerjaren en volwassenheid wordt deze identificatie verder gevormd. Naarmate iemand ouder
wordt, versterkt de band met een partij meestal, omdat men er vaker op stemt. Uiteindelijk wordt dit
een stabiel referentiekader dat bepaalt hoe nieuwe politieke informatie wordt geïnterpreteerd.
In de Verenigde Staten is partij-identificatie doorgaans sterker verbonden met stemgedrag, aangezien
het politieke systeem daar voornamelijk uit twee partijen bestaat. In West-Europese landen is dat
verband minder sterk, omdat kiezers kunnen kiezen uit een groter aantal partijen.
Nog meer effecten:
- Effect op de mening over issues
- Effect op evaluaties
- Effect op politieke activiteit
Afnemend belang van partisanship
Jongeren zijn minder uitgesproken bij partijidentificatie: Jongeren hebben minder vaak een
duurzame partijidentificatie en baseren hun stemkeuze eerder op andere factoren dan louter
partijlidmaatschap of traditie. Ze zijn ook meer geneigd om van partij te wisselen tussen verschillende
verkiezingen, een fenomeen dat volatiliteit wordt genoemd.
Negative partinsanship
Negatieve partij-identificatie verwijst naar de afkeer die iemand voelt tegenover een specifieke
politieke partij of ideologie. Het gaat om een partij waarmee men zich zeker niet wil identificeren en
waarop men niet wil stemmen.
In een tweepartijstelsel, zoals in de Verenigde Staten, gaan positieve en negatieve partij-identificatie
vaak hand in hand. Wie zich positief identificeert met de Democratische Partij, heeft doorgaans een
negatieve houding tegenover de Republikeinse Partij, en omgekeerd.
In meerpartijenstelsels, zoals in West-Europa, is dat minder uitgesproken. Mensen kunnen een
duidelijke afkeer hebben van één bepaalde partij, maar twijfelen tegelijk bij elke verkiezing tussen
verschillende andere partijen die ideologisch dicht bij elkaar liggen. Ze identificeren zich niet
noodzakelijk met één specifieke partij, maar plaatsen zichzelf eerder op een ideologisch spectrum,
bijvoorbeeld als links, rechts of centrum.
7
, 2.3 Dealignment of ontkoppeling van partij-identificatie
Oorzaken van ontkoppeling van de partij-identificatie:
1. Sociale veranderingen
Sociale veranderingen, ook wel social dealignment genoemd, zorgen ervoor dat partijen niet langer
automatisch de ‘logische’ belangenvertegenwoordiger zijn van bepaalde sociale groepen. Door
sociale mobiliteit, het opklimmen naar een andere sociale klasse dan die van de ouders, wordt de band
tussen sociale achtergrond en partijkeuze zwakker. Hierdoor wordt partij-identificatie minder vaak
van generatie op generatie doorgegeven.
2. Slechte prestaties van politieke partijen
Slechte prestaties van politieke partijen kunnen leiden tot een dalend vertrouwen bij kiezers. Dit
gebeurt bijvoorbeeld door schandalen of ontevredenheid over het gevoerde beleid. Daarnaast hebben
partijen soms moeite om standpunten in te nemen over nieuwe maatschappelijke thema’s, wat hun
geloofwaardigheid vermindert. Door cognitieve mobilisatie, het stijgende opleidingsniveau van de
bevolking, hebben mensen bovendien hogere verwachtingen van politici. Wanneer die verwachtingen
niet worden ingelost, neemt het vertrouwen in politieke partijen verder af.
3. Partijen staan minder centraal in de samenleving
Partijen nemen tegenwoordig een minder centrale plaats in binnen de samenleving. Deze evolutie
wordt verklaard vanuit een functionele benadering: het nut van partijbinding is voor veel mensen
afgenomen. Waar het vroeger belangrijk was om lid te zijn van een partij of een partijkaart te hebben,
is dat vandaag minder relevant. Andere organisaties, zoals belangengroepen, lobbygroepen en sociale
bewegingen, hebben een deel van de rol van politieke partijen overgenomen en zijn belangrijker
geworden in het vertegenwoordigen van maatschappelijke belangen.
4. Rol van media en de personalisatie van de politiek
De media spelen een steeds grotere rol in de manier waarop burgers geïnformeerd worden, waardoor
politieke partijen minder controle hebben over de verspreiding van informatie. De aandacht verschuift
bovendien van partijen naar individuele politici en leiders, wat leidt tot een toenemende personalisatie
van de politiek. Daardoor komt er in het publieke debat minder nadruk te liggen op partijen en hun
standpunten, en meer op de persoonlijkheden en communicatie van afzonderlijke politici.
CONCLUSIE
Dealignment betekent niet dat class voting of partij-identificatie volledig verdwenen zijn. Er is wel
een dalende trend, maar die is niet overal en altijd even duidelijk. Er zijn vaak fluctuaties in de mate
waarin sociale klasse of partijbinding het stemgedrag beïnvloeden, en ze behouden nog steeds een
zekere verklaringskracht. Bovendien kan er sprake zijn van een mogelijke realignment: nieuwe
tegenstellingen of breuklijnen die ontstaan in de samenleving. Deze evoluties verschillen echter
van land tot land.
8