Fleur Verdonck - TP1 – Sem 1
Leerstof: Thomas more – Antwerpen
1
,Inhoud:
Les samenvattingen:
• INLEIDING
• HOOFDSTUK 1: Biopsychosociaal kader
• HOOFDSTUK 2: Cellulaire fylogenese
• HOOFDSTUK 3: Cellulaire neuroanatomie
• HOOFDSTUK 4: De zenuwimpuls - Cellulaire neurofysiologie
• HOOFDSTUK 5: De neuronale impulsoverdracht - Cellulaire neurofysiologie
• HOOFDSTUK 6: Cellulaire neuroplasticiteit - ADDENDUM
• HOOFDSTUK 7: Cellulaire plasticiteit tijdens de ontwikkeling van het zenuwstelsel
• HOOFDSTUK 8: Van neuron naar neurale circuits - fylogenetische aspecten
• HOOFDSTUK 9: Van neurale circuits naar basisbouwplan van de hersenen
• HOOFDSTUK 10: Systematische neuroanatomie
• HOOFDSTUK 11: Hoofdstuk 11: cerebrale cortex
• Les spiegelneuronen
• Les hersenbeeldvorming
Extra’s:
• Wat te kennen voor examen (gegeven door leerkracht)
• Oefening Meerkeuzevragen Hoofdstuk 1 -3 en begin Hfst 4 (Christophe Lafosse)
+ verbetelsleutel
2
,Inleiding:
Wat is gedragsneurowetenschappen?
=> wetenschappelijke studie van het gedrag begrepen vanuit
de werking van de hersenen (in interactie met de omgeving)
• Zowel vanuit het gezonde brein als het beschadigde
brein.
Gedrag is meer dan hoe je je effectief gedraagt!!!
-> gedrag = alle mogelijke resultaten van wat je brein doet. (ademen, hart klopt, …)
Neurodiversiteit in de hersenen = verschil in alle hersenen bv. ADHD, ASS, …
Het menselijke brein= een informatie verwerkend orgaan.
→ brein heeft hulp van zenuwen die zowel in het brein zelf als door heel je lichaam
lopen, zo kan het brein ook alles in je lichaam sturen en controleren.
→ Je brein gebruikt je zintuigen om dingen uit de wereld waar te nemen. Op basis van
die informatie ( die het brein van de buitenwereld krijgt)ga je gedrag creëren.
→ Ons brein is heel sterk, maar heeft ook zijn limieten. Informatieverwerking is
gelimiteerd! Kijk zo maar naar multitasking.
→ Brein is uitgerust met GEHEUGEN. = alleen voor de hogere diersoorten.
Hersenen nemen informatie op ons ons geheugen OM TE LEREN
-> MAAR hersenen kunnen ons ook op het verkeerd spoor zetten = Bv. Illusies.
= zenuwen die in de war raken tijdens de reconstructie van informatie.
3
,Hoofdstuk 1: Biopsychosociaal kader van hersenen en gedrag.
• Brein = een zeer complex kader
• Conceptueel kader => om het te begrijpen.
Orgaansystemen en dus ook het zenuwstelsel maken deel uit van ingewikkelde
ecosystemen.
➢ Elke entiteit, hoe klein het ook is begeeft zich altijd in een omgeving.
➢ je kan een orgaan niet loskoppelen van zijn omgeving.
Vanuit de systeembiologie is heel het ecosysteem in de natuur in lagen geordend als een
hiërarchisch continuüm. Waarbij complexere grotere eenheden zijn samengevoegd tot
mindere complexe eenheden
➢ uit welke kleine onderdelen zijn de hersenen opgebouwd.
=> Zo beschrijven we in elk biologisch systeem in een opklimmende volgorde de
volgende lagen:
Kwantumdeeltjes • Subatomaire deeltjes • Atomen • Moleculen •
Macromoleculen • Organellen • Cellen • Weefsels • Organen en Orgaansystemen
• Zenuwstelsel • Organismen en persoon • Populaties • Leefgemeenschappen •
Cultuursubcultuur • Maatschappij-staat • Ecosystemen • Biosfeer
=> EVOLUTIE HEEFT GELEID TOT EEN TOENEMENDE COMPLEXITEIT VAN NEURALE
STRUCTUREN EN HERSENEN
Een conceptueel biopsychosociaal kader van hersenen en gedrag.
=> Biopsychosociaal kader bestaat uit
verschillende lagen:
1. Neuron
2. Hersenen, zenuwstelsel, neurale circuits
3. viscerale functies, gedragsfuncties
4. activiteiten en maatschappelijke participatie.
=> Dit hoofdstuk = uitleg en ontleding van die
lagen.
4
,Het Biopsychosociaal kader: => Drie basisfactoren om altijd rekening mee te houden
Wanneer we kijken naar gedrag, ontwikkeling of hersenwerking, spelen altijd drie dingen
mee:
1. Endogene processen (binnenkant)
→ Wat gebeurt er in het lichaam of de hersenen?
→ Dit is sterk verbonden met genetica.
2. Exogene processen (buitenkant)
→ Wat doet de omgeving met ons?
→ Alle prikkels, ervaringen en omstandigheden.
3. Tijd
→ Alles verandert voortdurend; het brein staat nooit stil.
→ Het lichaam vormt de schakel tussen binnen- en buitenwereld.
→ Neurale circuits stellen ons in staat om te handelen en te reageren.
→ Gedrag ontstaat door:
o genetische basis → “het brein weet al iets”
o omgevingsinvloeden → “ervaring leert het brein hoe het moet reageren”
→ Gedragsfuncties helpen ons actie te begrijpen, te verklaren en uit te voeren.
LAAG 1 = neuron (= zenuwcellen)
Dit is de basissteen van alles wat we doen, denken en voelen.
=> Een neuron is een zenuwcel die elektrische en chemische signalen verstuurt.
• De neuron is de kleinste functionele eenheid van het zenuwstelsel.
• Wetenschappers zijn nog altijd bezig om volledig te begrijpen hoe één neuron
precies werkt.
• In ons brein zitten miljarden van deze cellen → samen vormen ze neurale circuits.
Wat bepaalt het functioneren van een neuron?
• Endogene factoren: genetische informatie die zegt hoe een neuron zijn werk moet
doen.
• Exogene factoren: omgevingsinvloeden zoals ervaringen, prikkels, stress,
trauma…
Waarom is dit belangrijk?
Alles — maar dan ook alles — begint met een neuron dat informatie verwerkt en
doorgeeft.
5
, LAAG 2. Hersenen, zenuwstelsel en neurale circuits
Hier komen de individuele neuronen samen in grote netwerken (neurale circuits).
Wat gebeurt hier?
• Dit is waar informatie wordt verwerkt.
• Netwerken bepalen hoe je denkt, hoe je beweegt, hoe je emoties voelt…
• Het brein is altijd 100% actief en reageert constant op prikkels uit de omgeving.
Waarom is dit belangrijk?
De samenwerking tussen al die circuits bepaalt jouw basisfuncties: aandacht,
geheugen, motoriek, emotionele reacties…
LAAG 3. Viscerale functies & gedragsfuncties
=> Dit is de laag waar het interne lichaam, emoties en cognitieve functies samenkomen.
Viscerale functies: Dit zijn de automatische processen die je lichaam regelen bv.
• ademhaling
• hartslag
• hormoonhuishouding
• honger, slaap, stressreacties
→ Je hoeft hier niet bij na te denken, maar ze beïnvloeden je gedrag enorm.
Gedragsfuncties: Hier gaat het over hoe je je gedraagt, inclusief:
• Beweging (motoriek)
• Cognitie (denken, plannen, begrijpen)
• Emotie (voelen, reageren)
Dit is de laag waarin intern (endogeen) en extern (omgeving) elkaar het sterkste
beïnvloeden.
=> Door onze gedragsfuncties kunnen we dagelijkse activiteiten uitvoeren en een rol in
de maatschappij opnemen.
Waarom is dit belangrijk?
Omdat gedrag de zichtbare uiting is van wat er binnenin gebeurt.
Hier komt de vraag “waarom doet iemand dit?” tot leven.
6