1. Inleiding (zie extra blaadjes!)
→ Zuivere stoffen of mengsel
= meeste materie is een mengsel van verschillenden stoffen of
componenten.
Vb.: N2 , O2 CO2 , CO32 drink water
olie+ water
Na, Fe H2O , C6H12O6 lucht
zand + water
→ Atomen of elementen (pse) zijn de bouwstoffen voor
moleculen/molecuul te vormen.
En die moleculen zijn bouwstenen voor stoffen te vormen.
→ Mengsels willen scheiden, verschillende technieken:
Filtreren: Scheiden van stoffen met verschillende
aggregatietoestanden, zoals vaste stof/vloeistof of vaste stof/gas.
Centrifugeren: Scheiden op basis van verschillende dichtheden
(soortelijke massa), bijvoorbeeld vet in melk stijgt naar boven, eiwit
zakt naar beneden.
Destilleren: Scheiden door het verschil in kookpunten, bijvoorbeeld
bij het koken van wijn verdampt eerst de alcohol, die daarna wordt
opgevangen en gecondenseerd.
Kristalliseren: Scheiden door verschil in oplosbaarheid, waarbij de
ene stof sneller kristalliseert bij afkoeling dan de andere.
Adsorptie: Een stof in het mengsel hecht zich aan actieve kool,
zodat het gescheiden kan worden.
= Die scheidingstechnieken zorgen voor terug zuivere stoffen te krijgen
, 2. Bouw materie & inzicht periodiek systeem (zie extra
blaadjes!)
2.1 Elementaire deeltjes van de stof
→ Atomen en moleculen hebben hun plaats binnen cellen en levende
organismen:
1. Organismen worden gevormd door cellen
2. Cellen worden gevormd door moleculen
3. Moleculen worden gevormd door atomen
4. Atomen worden gevormd door subatomaire deeltjes
2.2 Atomen en periodiek systeem
2.2.1 Atomen
→ De kleinst mogelijke deeltjes die van een stof verkregen kunnen
worden. Alle atomen of elementen hebben een symbool, meestal de
afkorting van de Latijnse naam.
Vb.: Waterstof H, ijzer Fe
2.2.2 Periodiek systeem
→ PSE of periodiek systeem der elementen
= Atomen staan hierin met hun symbool op volgorde van atoomnummer
(Z) en met ↑ massa van links naar rechts.
= Bij de rangschikking van de elementen naar opklimmend
atoomnummer, bleken bepaalde chemische eigenschappen periodiek
terug te komen.
= De rangschikking van de elementen in verticale richting naar het aantal
elektronenschillen en in horizontale richting naar het aantal elektronen in
de buitenste schil.
→ 7 horizontale rijen: perioden
→ 18 verticale kolommen: groepen
→ 8 hoofdgroepen (Ia tot VIIa + 0) & 8 nevengroepen (Ib tot VIIb + VIII)
Groep Ia: alkalimetalen
Groep IIa: aardalkalimetalen
Groep IIIa: aardmetalen
Groep IVa: koolstofgroep
Groep Va: stikstofgroep
Groep VIa: zuurstofgroep
Groep VIIa: halogenen
Groep 0: edelgassen
= atomen zijn niet stabiel en edelgassen zijn wel stabiel
, → Opbouw:
2.3 Atoombouw
2.3.1 Protonen, neutronen en elektronen
→ Atoom is opgebouwd uit: protonen, neutronen en elketronen
IN DE KERN:
∫ protonen p+ (Z): + lading, massa 1 (1,6*10-27
kg), eenheidsmassa 1u -- > Z
∫ neutronen n0 (A-Z): geen lading, massa 1
(1,6*10-27 kg)
ROND DE KERN:
∫ elektronen e- (Z): - ladingen, massa (9,1*10-
31
kg)
= Ze bewegen rond de kern op de
elektronenschillen
→ Atomen neutraal geladen zijn, moeten p+ en e- gelijk zijn
Vb.: He; p+ 2 & e- 2 & n0 4 (relatieve atoommassa) -2= 2
→ Elementen zijn geranschikt volgen toenemen atoomnummer Z/
ranggetal/ protonennummer
& massagetal A: som van het aantal protonen en neutronen
, 2.3.2 Isotopen
= Zijn atomen die een gelijk aantal protonen en elektronen hebben, maar
waarvan het aantal neutronen verschillend is.
= Hetzelfde atoomnummer, maar een verschillend massagetal.
Vb.:
→ Er bestaan twee soorten isotopen:
1. De radioactieve isotopen vervallen (door kernsplitsing) met een zekere
halfwaardetijd en kunnen voordelige toepassingen hebben in de medische
diagnostiek, maar ook nadelige effecten zoals bij kernrampen
2. De stabiele isotopen zijn ongevaarlijk (vervallen niet) en zijn zeer
bruikbaar voor onderzoek naar belangrijke levensprocessen zoals de
stofwisseling bij mensen.
= Op de test: als ze vraagt geef atoom zullen de antwoorden dus isotopen
zijn want je moet afronden tenzij zij de isotoop geeft.
2.3.3 Elektronen en elektronenschillen
→ Er bestaan twee regels:
Het aantal elektronen per schil is maximaal 2n² hierin is n het
nummer van de schil.
Het aantal elektronen in de buitenste schil (=valentie elektronen) is
maximaal 8, dat in de op één na buitenste schil maximaal 18
K (n=1): max 2 e⁻
L (n=2): max 8 e⁻
M (n=3): max 18 e⁻
N (n=4): max 32 e⁻
O (n=5): max 50 e⁻
P (n=6): max 72 e⁻
Q (n=7): max 98 e⁻
Daarboven (O, P, Q, ...): theoretisch meer volgens 2n22n^22n2, maar
praktisch ook max 32 e⁻, omdat er niet meer subschillen bestaan die
gevuld kunnen worden.
Vb.: