SAMENVATTING SOCIALE PSYCHOLOGIE
Examen: meerkeuze, open vraag (leerpad, experiment, theorie…) & woorden/definities in beide richtingen kennen
HOOFDSTUK 1: SOCIALE COGNITIES
1. INLEIDING
1.1 WAT IS SOCIALE PSYCHOLOGIE?
Een studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de gedachten, gevoelens en
gedragingen van individuen beïnvloed worden door de waargenomen, ingebeelde of impliciete
gedachten, gevoelens of gedragingen van anderen.
= wil een antwoord bieden op de vraag hoe individuen reageren in sociale situaties.
- Welke invloed heeft de aanwezigheid van anderen op het gedrag van een individu?
• Dwingende beïnvloeding: in de buurt van de politie ga je je gedragen volgens de
regels
• Onbewuste beïnvloeding: iemand vertelt jou een verhaal. Tijdens het gesprek luister
je gewoon, maar na het gesprek merk je dat wat die persoon vertelde toch wel
impact op jou had/je voelt je onrustig…
• Je kan niet niet communiceren!
• U gedrag wordt beïnvloed door uw gedachten: je gaat niet naar de fuif want je kent
niemand en denkt hele avond alleen te staan
2. SCHEMA’S
Sociale cognitie =
• Processen waarbij we informatie:
o Verwerven / selectie / opslaan
▪ Prikkels / stimuli nodig en waarnemen: horen, zien, proeven, ruiken → je
zintuigen moeten het kunnen waarnemen en relevant zijn voor jou
o Integratie / organiseren / structureren
▪ De prikkel ordenen: kennen we het al of nog niet
o Interpreteren
, ➔ Denken en kijken hangen samen – in wisselwerking
Vb. Kind heeft geen eten s’ middags mee naar school: je ziet dat en denkt ‘misschien
is hierdoor het kind best vervelend omdat het honger heeft’ en neem je de volgende
dag extra boterhammen mee voor het kind.
• Over mensen
o Anderen = sociale perceptie
o Zichzelf = zelfperceptie
2.1 OMSCHRIJVING
Schema’s =
• Cognitieve structuur
➔ Liggen aan de basis van ons handelen
• Waarin eerder verworven kennis
• Over een stimulus of concept
o Over personen, opvattingen, fysieke daden, feiten..
o Kenmerken
o Relaties tussen die kenmerken
• Is gerepresenteerd
Cognitieve structuren die eerder verworven kennis over stimuli of concepten( over personen,
opvattingen, fysieke daden, feiten, kenmerken, relaties tussen die kenmerken) .
Ze beïnvloeden ons zelfbeeld en gedrag en kunnen leiden tot stereotypering.
• Wat we denken over onszelf
• Wat we denken dat anderen over ons denken
➔ Sociale cognitie heeft invloed op ons zelfbeeld
o We hebben andere nodig om vorm te geven aan ons zelfbeeld
o Het beeld van jezelf is vervlochten met de groep waar je toe (wilt) behoren
➔ Sociale context heeft invloed op ons handelen
Voorbeeld:
Op een dag worden op de spoedafdeling van een ziekenhuis 2 personen binnen gevoerd: een
vader en een zoon.
De vader is inmiddels overleden, maar de zoon heeft nog een kans het te halen en wordt
onmiddellijk naar de operatiekamer gebracht. Wanneer de chirurg de jongeman op de
operatietafel ziet liggen, zegt deze: “Ik kan die jongen niet opereren, dit is mijn zoon.”
→ De chirurg is de moeder van de jongen. Mensen zien mannen vaak als chirurg.
Zelfschema =
Zelfkennis uit:
1. Zelfobservatie = introspectie = zelfreflectie: hoe kijk je naar jezelf?
2. ‘Looking-glass self’ = de anderen houdt ons een spiegel voor: hoe wij overkomen/ hoe
anderen ons ervaren → feedback van anderen over jezelf
➔ Kan indirect: je maakt een grap en je vrienden lachen
➔ Kan direct: ze zeggen dat je grap niet grappig is
, 3. Sociale vergelijking = het proces waarbij individuen hun eigen eigenschappen, prestaties
en meningen vergelijken met die van anderen
Je zal in de toekomst een beeld hebben van jezelf als begeleider → Wat heeft een invloed op
jouw zelfbeeld als begeleider? (Gebruik de drie elementen van het zelfschema.)
• Zelfobservatie = hoe je jezelf voelt, nadenken over je handelen en reflecteren wat je er
zelf van vond
• Looking-glass-self: hoe de collega’s/ cliënten op jouw reageren, de feedback die je
van hen krijgt
• Sociale vergelijking: jezelf vergelijken met collega’s
➔ Zelfschema’s vormen de basis van hoe we onszelf zien
• Scripts bieden een structuur voor ons gedrag in sociale situaties → verloop van
opeenvolgende acties
Prototype =
• = helpen ons om anderen te categoriseren en te begrijpen op basis van onze ervaringen
→ soort gemiddelde van een specifieke groep mensen
• Schema die gemaakt is van grote groep mensen, de relevante kenmerken uithalen →
beeld krijgen over de personen
Vb. je neemt elke dag het ov, na al die tijd maak je een beeld over hoe buschauffeurs
eruit zien → soort persona
• Prototype maak je vanuit eigen ervaringen
o Lijkt op stereotypen, maar deze zijn gemaakt van buitenaf, vaak ook over
groepen waar je nog niet mee in contact ben gekomen
• Soort gemiddelde van een specifieke groep mensen
• Script (= schema over bepaalde situatie) bieden een structuur voor ons gedrag in
sociale situaties: verloop van opeenvolgende acties
• Gedrag niet conform aan script geeft meer info
Samen helpen deze concepten ons om onszelf en onze interacties met anderen te begrijpen en
te navigeren. Ze zijn allemaal onderdeel van de bredere sociale cognitie en beïnvloeden hoe we
onszelf en de wereld om ons heen waarnemen.
2.2 KENMERKEN
• Gestalt =
o Het samenbrengen van losse elementen tot geheel (gestalt) dat leidt tot nieuwe
betekenis / geheel
, • Top-down of theory-driven
o = kennis die je al bezit gaat je interpretatie van iets nieuws gaan
sturen/beïnvloeden => cognitief gegenereerde kennis
o Werken op basis van eerdere kennis en verwachtingen, wat nieuwe informatie
beïnvloedt en kan leiden tot vertekeningen.
o Vb. je bent op vakantie en ziet een man lopen in blauw pak met een fluit. Bij ons
zou het een politieagent zijn dus je gaat ervan uit dat het hier ook een agent is
• Sturen persoonsperceptie
o Vooral aandacht voor wat past binnen geactiveerd schema
o Beïnvloeden hoe we anderen waarnemen; we letten vooral op informatie die past
binnen het geactiveerde schema
• Schema’s beïnvloeden de herinnering
o Schema's helpen ons om informatie die past binnen ons schema beter te
onthouden en andere informatie te vergeten of te vervormen
• Prescriptief
o Bieden een beeld van hoe iets moet/kan zijn en stuurt ons gedrag
o Creëert verwachtingen
o Attributies zoeken die schema’s in stand houden
▪ Verklaring zoeken die past bij het beeld
o Need for cognition <-> need for certainty
▪ Cognition → mensen die graag nadenken, uitdaging nodig hebben → gaan
graag buiten schema denken
▪ Certainty → mensen die graag standvastigheid hebben, houvast nodig →
liever in schema’s, hokjes denken
o = bieden verwachtingen over hoe iets "moet" zijn, wat ons gedrag kan sturen en
bevestiging van bestaande overtuigingen bevordert
• Toegankelijker naarmate:
o Vaker opgeroepen
o Recenter opgeroepen
• Door schema’s gaan we info vlugger verwerken
o Helpen ons om informatie sneller te verwerken en sneller beslissingen te nemen
o Cognitieve ruimte vrij voor andere dingen
o Vb. als ortho in leefgroep bij kinderen met ASS, door je opleiding ken je de
gedragingen van ASS en van die info heb je dus schema’s
• Label (niet altijd toegankelijk of werkelijkheid)
• Activering
o Kunnen zowel intern (door eigen gedachten) als extern (door omgevingsstimuli)
worden geactiveerd, wat kan leiden tot automatische reacties en stereotypering
➔ Laag- of hoog bevooroordeelde mensen
Examen: meerkeuze, open vraag (leerpad, experiment, theorie…) & woorden/definities in beide richtingen kennen
HOOFDSTUK 1: SOCIALE COGNITIES
1. INLEIDING
1.1 WAT IS SOCIALE PSYCHOLOGIE?
Een studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de gedachten, gevoelens en
gedragingen van individuen beïnvloed worden door de waargenomen, ingebeelde of impliciete
gedachten, gevoelens of gedragingen van anderen.
= wil een antwoord bieden op de vraag hoe individuen reageren in sociale situaties.
- Welke invloed heeft de aanwezigheid van anderen op het gedrag van een individu?
• Dwingende beïnvloeding: in de buurt van de politie ga je je gedragen volgens de
regels
• Onbewuste beïnvloeding: iemand vertelt jou een verhaal. Tijdens het gesprek luister
je gewoon, maar na het gesprek merk je dat wat die persoon vertelde toch wel
impact op jou had/je voelt je onrustig…
• Je kan niet niet communiceren!
• U gedrag wordt beïnvloed door uw gedachten: je gaat niet naar de fuif want je kent
niemand en denkt hele avond alleen te staan
2. SCHEMA’S
Sociale cognitie =
• Processen waarbij we informatie:
o Verwerven / selectie / opslaan
▪ Prikkels / stimuli nodig en waarnemen: horen, zien, proeven, ruiken → je
zintuigen moeten het kunnen waarnemen en relevant zijn voor jou
o Integratie / organiseren / structureren
▪ De prikkel ordenen: kennen we het al of nog niet
o Interpreteren
, ➔ Denken en kijken hangen samen – in wisselwerking
Vb. Kind heeft geen eten s’ middags mee naar school: je ziet dat en denkt ‘misschien
is hierdoor het kind best vervelend omdat het honger heeft’ en neem je de volgende
dag extra boterhammen mee voor het kind.
• Over mensen
o Anderen = sociale perceptie
o Zichzelf = zelfperceptie
2.1 OMSCHRIJVING
Schema’s =
• Cognitieve structuur
➔ Liggen aan de basis van ons handelen
• Waarin eerder verworven kennis
• Over een stimulus of concept
o Over personen, opvattingen, fysieke daden, feiten..
o Kenmerken
o Relaties tussen die kenmerken
• Is gerepresenteerd
Cognitieve structuren die eerder verworven kennis over stimuli of concepten( over personen,
opvattingen, fysieke daden, feiten, kenmerken, relaties tussen die kenmerken) .
Ze beïnvloeden ons zelfbeeld en gedrag en kunnen leiden tot stereotypering.
• Wat we denken over onszelf
• Wat we denken dat anderen over ons denken
➔ Sociale cognitie heeft invloed op ons zelfbeeld
o We hebben andere nodig om vorm te geven aan ons zelfbeeld
o Het beeld van jezelf is vervlochten met de groep waar je toe (wilt) behoren
➔ Sociale context heeft invloed op ons handelen
Voorbeeld:
Op een dag worden op de spoedafdeling van een ziekenhuis 2 personen binnen gevoerd: een
vader en een zoon.
De vader is inmiddels overleden, maar de zoon heeft nog een kans het te halen en wordt
onmiddellijk naar de operatiekamer gebracht. Wanneer de chirurg de jongeman op de
operatietafel ziet liggen, zegt deze: “Ik kan die jongen niet opereren, dit is mijn zoon.”
→ De chirurg is de moeder van de jongen. Mensen zien mannen vaak als chirurg.
Zelfschema =
Zelfkennis uit:
1. Zelfobservatie = introspectie = zelfreflectie: hoe kijk je naar jezelf?
2. ‘Looking-glass self’ = de anderen houdt ons een spiegel voor: hoe wij overkomen/ hoe
anderen ons ervaren → feedback van anderen over jezelf
➔ Kan indirect: je maakt een grap en je vrienden lachen
➔ Kan direct: ze zeggen dat je grap niet grappig is
, 3. Sociale vergelijking = het proces waarbij individuen hun eigen eigenschappen, prestaties
en meningen vergelijken met die van anderen
Je zal in de toekomst een beeld hebben van jezelf als begeleider → Wat heeft een invloed op
jouw zelfbeeld als begeleider? (Gebruik de drie elementen van het zelfschema.)
• Zelfobservatie = hoe je jezelf voelt, nadenken over je handelen en reflecteren wat je er
zelf van vond
• Looking-glass-self: hoe de collega’s/ cliënten op jouw reageren, de feedback die je
van hen krijgt
• Sociale vergelijking: jezelf vergelijken met collega’s
➔ Zelfschema’s vormen de basis van hoe we onszelf zien
• Scripts bieden een structuur voor ons gedrag in sociale situaties → verloop van
opeenvolgende acties
Prototype =
• = helpen ons om anderen te categoriseren en te begrijpen op basis van onze ervaringen
→ soort gemiddelde van een specifieke groep mensen
• Schema die gemaakt is van grote groep mensen, de relevante kenmerken uithalen →
beeld krijgen over de personen
Vb. je neemt elke dag het ov, na al die tijd maak je een beeld over hoe buschauffeurs
eruit zien → soort persona
• Prototype maak je vanuit eigen ervaringen
o Lijkt op stereotypen, maar deze zijn gemaakt van buitenaf, vaak ook over
groepen waar je nog niet mee in contact ben gekomen
• Soort gemiddelde van een specifieke groep mensen
• Script (= schema over bepaalde situatie) bieden een structuur voor ons gedrag in
sociale situaties: verloop van opeenvolgende acties
• Gedrag niet conform aan script geeft meer info
Samen helpen deze concepten ons om onszelf en onze interacties met anderen te begrijpen en
te navigeren. Ze zijn allemaal onderdeel van de bredere sociale cognitie en beïnvloeden hoe we
onszelf en de wereld om ons heen waarnemen.
2.2 KENMERKEN
• Gestalt =
o Het samenbrengen van losse elementen tot geheel (gestalt) dat leidt tot nieuwe
betekenis / geheel
, • Top-down of theory-driven
o = kennis die je al bezit gaat je interpretatie van iets nieuws gaan
sturen/beïnvloeden => cognitief gegenereerde kennis
o Werken op basis van eerdere kennis en verwachtingen, wat nieuwe informatie
beïnvloedt en kan leiden tot vertekeningen.
o Vb. je bent op vakantie en ziet een man lopen in blauw pak met een fluit. Bij ons
zou het een politieagent zijn dus je gaat ervan uit dat het hier ook een agent is
• Sturen persoonsperceptie
o Vooral aandacht voor wat past binnen geactiveerd schema
o Beïnvloeden hoe we anderen waarnemen; we letten vooral op informatie die past
binnen het geactiveerde schema
• Schema’s beïnvloeden de herinnering
o Schema's helpen ons om informatie die past binnen ons schema beter te
onthouden en andere informatie te vergeten of te vervormen
• Prescriptief
o Bieden een beeld van hoe iets moet/kan zijn en stuurt ons gedrag
o Creëert verwachtingen
o Attributies zoeken die schema’s in stand houden
▪ Verklaring zoeken die past bij het beeld
o Need for cognition <-> need for certainty
▪ Cognition → mensen die graag nadenken, uitdaging nodig hebben → gaan
graag buiten schema denken
▪ Certainty → mensen die graag standvastigheid hebben, houvast nodig →
liever in schema’s, hokjes denken
o = bieden verwachtingen over hoe iets "moet" zijn, wat ons gedrag kan sturen en
bevestiging van bestaande overtuigingen bevordert
• Toegankelijker naarmate:
o Vaker opgeroepen
o Recenter opgeroepen
• Door schema’s gaan we info vlugger verwerken
o Helpen ons om informatie sneller te verwerken en sneller beslissingen te nemen
o Cognitieve ruimte vrij voor andere dingen
o Vb. als ortho in leefgroep bij kinderen met ASS, door je opleiding ken je de
gedragingen van ASS en van die info heb je dus schema’s
• Label (niet altijd toegankelijk of werkelijkheid)
• Activering
o Kunnen zowel intern (door eigen gedachten) als extern (door omgevingsstimuli)
worden geactiveerd, wat kan leiden tot automatische reacties en stereotypering
➔ Laag- of hoog bevooroordeelde mensen