FYSICA EXAMEN DECEMBER 2025
THEMA 1 : METEN IS WETEN
1. WAT IS FYSICA (NATUURKUNDE)
Onderzoek van de algemene eigenschappen van stoffen door onder meer
fysische verschijnselen en gedragingen van systemen te bestuderen.
Wetten zoeken die overal en altijd gelden
Raakpunten met verschillende disciplines: tussendisciplines
o STE(A)M-beroepen
Fysisch verschijnsel?
- Verschijnsel waarbij de aard van de stof niet verandert
o géén vorming van nieuwe stoffen.
Een systeem?
- Bestaat uit verschillende onderdelen
- Kan gigantisch groot zijn (Vb. heelal of atoom)
- Wordt eenvoudig voorgesteld door een punt waarin alle massa geconcentreerd is
= de puntmassa
o Heeft geen afmetingen meer, maar behoudt zijn volledige massa
Voorbeelden NATUURWETENSCHAPPEN (Fysica, chemie, geologie, …):
- Opladen elektrische wagen
- Onderzoek met een grote en krachtige deeltjesversneller
- Onderzoek en ontwikkeling van een schedel
- Ruimtevaartontwikkeling
- Architecturale hoogstandjes
CONTROLE: Waar of niet waar?
- Kokende aardappelen ondergaan een fysisch verschijnsel.
o NIET WAAR. Structuur van zetmeel verandert en is onomkeerbaar, dus
chemische verandering, geen fysisch verschijnsel want verandering van
stoffen!!
- Een voorbeeld van een systeem is je bank.
o WAAR. Afgebakend deel van de werkelijkheid.
- Fysica is een natuurwetenschap, net zoals chemie en astronomie
o WAAR. Bestuderen natuur en haar verschijnselen.
,2
2. ONDERZOEK VOLGENS EEN WETENSCHAPPELIJKE METHODE
Wetenschappelijk onderzoek om fysisch verschijnsel te verklaren.
Via wetenschappelijke methode = altijd gestructureerd (stappenplan met
verschillende fasen)
Voorbeeld wetenschappelijke methode:
Onderzoek: roomijs maken warme bereiding bevroor sneller dan lauwe bereiding
(Erasto B. Mpemba)
Onderzoeksvraag: Welke invloed heeft temperatuur van water op de snelheid
van het bevriezen ervan
Mogelijke hypothese: water met hoge temperatuur bevriest sneller dan water
met lage temperatuur
Werkwijze:
o Identieke maatbekers (100 ml) vullen met 70 ml water met verschillende
temperatuur
o Zet ze op een isomoplaat in dezelfde diepvriezer
o Meet de snelheid van het bevriezen
o Plaats olielaagje op het water (= geen verdamping!) en herhaal de proef
o Neem verschillende vloeistoffen en herhaal de proef
o …
HELAAS, resultaten werden niet serieus genomen, maar wel enkele keren herhaald
doordat het heel precies werd uitgeschreven! Sommige herhalingen bevestigden het
Mpemba-effect méér onderzoek nodig om fenomeen te verklaren
CONTROLE: Waar of niet waar?
- Bij de onderzoeken binnen de wetenschap fysica vertrek je vanuit de
waarneming van een fysisch verschijnsel of een bestaande theorie.
o WAAR. Onderzoek start altijd vanuit een observatie of bestaande theorie
die je wil verfijnen.
- Je laat een steentje vallen in een waterput. Je vraagt je af of een
zwaarder object sneller zou vallen. Je onderzoek vertrekt dan vanuit een
waarneming van een fysisch verschijnsel.
o WAAR. Experiment uit observatie en de vraag daarover.
,3
- Door je experiment stapsgewijs uit te schrijven kunnen andere
onderzoekers dat makkelijk opnieuw uitvoeren. Je experiment is
reproduceerbaar.
o WAAR. Reproduceerbaarheid is een kernprincipe van wetenschap.
- “Valt een voorwerp met een verschillende massa even snel?” Is een
voorbeeld van een goede onderzoeksvraag.
o WAAR. Het is concreet, toetsbaar en sluit aan bij fysisch verschijnsel
(zwaartekracht).
- In een reflectie denk je kritisch na over hoe je je onderzoek hebt
uitgevoerd.
o WAAR. Gaat over evaluatie van je aanpak, fouten, verbeterpunten en
betrouwbaarheid.
, 4
3. WAARNEMEN
Waarnemen met je zintuigen
o Je omschrijft de eigenschappen van het natuurverschijnsel in eigen
woorden
o = kwalitatieve waarneming (hoe je iets ervaart)
o Voorbeeld: warm of koud in de kamer; kort of lang lesuur;
Waarnemen met een meettoestel
o Getalwaarde als resultaat
o = kwantitatieve waarneming
o Voorbeeld; 22 °C in de kamer; lesuur duur 3 000 seconden
Fysisch verschijnsel meestal eerst kwalitatieve waarneming, maar voor het onderzoek
een kwantitatieve waarneming want geeft een eenduidiger resultaat én getalwaarde is te
controleren.
OPDRACHT: Bestuderen van kwalitatieve en kwantitatieve waarnemingen
- De man lijkt kleiner te zijn dan de vrouw, maar in werkelijkheid staat de man
verder weg en lijkt hij daarom kleiner.
- Eenzelfde ruimte kan voor de ene persoon warm aanvoelen en voor de andere
koud. Toch heeft de ruimte dezelfde temperatuur.
- De witte bolletjes lijken op te lichten, maar dat is niet zo.
- Lijnstuk 1 lijkt langer dan lijnstuk 2. Toch zijn beiden exact even lang.
Welke soort waarneming is dan het waardevolst bij een fysisch onderzoek?
Verklaar!
Een kwantitatieve waarneming geeft een eenduidig resultaat, een gemeten
waarde. Dat kun je controleren. Kwalitatieve waarnemingen zijn
CONTROLE: Waar of niet waar?
- “Deze tafel heeft een ruw oppervlak” is een voorbeeld van een
kwalitatieve waarneming.
o WAAR. Beschrijving eigenschap zonder te meten. Ruw = beschrijvende
eigenschap, geen getal.
- Om kwantitatief te onderzoeken of een lesuur langer duurt dan een
middagpauze, kun je een chronometer gebruiken.
o WAAR. Duur meten in minuten/seconden en zo objectief vergelijken.