Examenvragen 2017
1e zit
vraag 1-4 (antwoord ca. 15 regels)
1. Wat is het Grieks mirakel?
Het begin van de traditie om ‘logisch’ te spreken en te denken en kritisch te vragen naar mens en wereld is
goed dateerbaar en lokaliseerbaar: 6e-5e eeuw v. C. in Griekenland. Voor het Griekse mirakel, of het plotse
opduiken van de redelijkheid in Griekenland te midden van een wereld vol van archaïsche kennisculturen, zijn
er twee verklaringen: de redelijke kennistraditie vindt zijn oorsprong in de ‘polis’ en de ‘politiek’ als nieuwe
samenlevingsvorm (dit is de meest bekende en verspreide verklaring) óf de redelijke kennistraditie vindt zijn
oorsprong in het begrijpen van de werkelijkheid in termen van het perfect vervaardigde artefact, d.w.z. van
een verbazing over een ‘redelijkheid’ die inherent is in het handwerk, in de mogelijkheid van de mens om
dingen te maken.
2. Leg de kerngedachte van het structuralisme uit.
Het structuralisme is een denkstroming die, komende vanuit de taalwetenschap, de antropologie en later de
psychoanalyse, grote invloed heeft gehad binnen de menswetenschappen vanaf de jaren 1950 en 60. Het
structuralisme gaat frontaal in tegen de aanpak van de fenomenologie die de ervaring en de leefwereld als
primaire waarheid aanvaardt en als uitgangspunt neemt voor het denken. Voor het structuralisme is de
‘beleving’ slechts een oppervlakteverschijnsel, en het bewustzijn een ‘epifenomeen’. Het structuralisme stelt
dat het menselijk bestaan en samenleven wordt gedragen en geordend, en dus ook begrepen dient te worden,
vanuit onderliggende structuren en systemen die aan de beleving ontsnappen. Onder de zinbeleving en het
bewuste spreken en handelen (= het niveau van de ‘parole’, het gebabbel) ligt de orde van de grammatica en
de taalstructuur (de ‘langue’).
3. De middeleeuwse geheugencultuur had een religieus-spiritueel doel, verklaar.
De techniek van de ars memoria is een manier om het eigen gedachteleven en het bewustzijn te beheersen,
te ordenen, en de aandacht te richten. De geheugentechniek wordt zo gebruikt om het leven van de geest
‘stichtelijk’ te maken. Het ideaal van de gelovige bestaat er niet enkel in van het goede te doen in de wereld,
maar bestaat er ook (en vooral) in van aan de juiste dingen te denken. De ziel moet zijn bestemming buiten
deze wereld voor ogen houden…
Door het bouwen van een eigen geheugenstructuur of topologie van geheugenplaatsen, en het goed kiezen
van de ‘beelden’ waarmee men ze vult, ordent en vult men de eigen geest met waarheid en vrome gedachten.
Zo perfectioneert men zichzelf. De activiteit van het geregeld en dagelijks ‘overdenken’ van de (zelf
samengestelde) ‘beeldenverzameling’ zijn een vorm van ‘geestelijke oefening’ (excercitio spiritualis). De
geestelijke vorming en zelfdiscipline houdt in dat men zich oefent in het richten van de aandacht op het
spirituele, en daarvoor de juiste gewoontes vormt en de juiste technieken leert.
4. Wat bedoelt Sartre met ‘de mens heeft geen natuur’?
Er is geen ‘menselijke natuur’, er zijn dus ook geen modellen of normen over wat een mens moet zijn,
waarachter men zich kan verschuilen. Wie dat doet beschouwt zichzelf als een ‘ding’, en dat getuigt van
mauvaise foi. De mens valt samen met zijn eigen pro-ject, waarin hij kiest wat hij zelf zal zijn en wat de wereld
zal zijn. In de keuzes die men in het eigen leven maakt beslist men bovendien niet enkel voor zichzelf: elke
keuze die men maakt is tegelijk een voorstel, een keuze die men maakt voor wat de mens kan zijn. Sartre
vertegenwoordigt radicaal de mensopvatting dat betekenis niet gevonden, of gekregen, maar gemaakt wordt:
de mens is de absolute, enige bron van zingeving. ‘Authentiek mens zijn’ impliceert het totaal geëngageerd
zijn in, en de verantwoordelijkheid dragen voor, het eigen levensproject.
vraag 5-6 (antwoord ca. 30 regels)
5. Waaruit blijkt dat Kant tot de Verlichting behoort?
De filosofische werken van Kant bepalen, enerzijds, de grenzen en beperkingen van de menselijke redelijkheid,
maar erkennen en affirmeren anderzijds de structurerende en zelfbepalende kracht van de subjectiviteit. Kant
antwoordt op de grote filosofische vragen ‘Wat kan ik kennen?’, ‘Wat moet ik doen?’ en ‘Wat mag ik hopen?’,
in drie belangrijke filosofische werken: De kritiek van de zuivere rede, De kritiek van de praktische rede, en De
kritiek van het oordeelsvermogen. Het antwoord op deze drie vragen levert het antwoord op de vraag: wat is
de mens? ‘Kritiek’ betekent hier: onderzoek naar de bronnen en de grenzen van het uitoefenen van een vorm
van redelijkheid.
De visie van Kant is kenmerkend voor het algemeen vertrouwen van de mens in zichzelf en in de redelijkheid
als principe voor de organisatie van de cultuur en de samenleving, heersend van het einde van de 18e eeuw
tot en met de 20e eeuw. De principes van de redelijkheid, omgezet tot (a) de burgerlijk-democratische
politieke idealen (vrijheid, gelijkheid, broederschap), (b) tot het officieel geloof in het belang van scholing en
Bildung voor elk individu, en (c) tot het geloof in het belang van kennis voor de samenleving en in de
1
1e zit
vraag 1-4 (antwoord ca. 15 regels)
1. Wat is het Grieks mirakel?
Het begin van de traditie om ‘logisch’ te spreken en te denken en kritisch te vragen naar mens en wereld is
goed dateerbaar en lokaliseerbaar: 6e-5e eeuw v. C. in Griekenland. Voor het Griekse mirakel, of het plotse
opduiken van de redelijkheid in Griekenland te midden van een wereld vol van archaïsche kennisculturen, zijn
er twee verklaringen: de redelijke kennistraditie vindt zijn oorsprong in de ‘polis’ en de ‘politiek’ als nieuwe
samenlevingsvorm (dit is de meest bekende en verspreide verklaring) óf de redelijke kennistraditie vindt zijn
oorsprong in het begrijpen van de werkelijkheid in termen van het perfect vervaardigde artefact, d.w.z. van
een verbazing over een ‘redelijkheid’ die inherent is in het handwerk, in de mogelijkheid van de mens om
dingen te maken.
2. Leg de kerngedachte van het structuralisme uit.
Het structuralisme is een denkstroming die, komende vanuit de taalwetenschap, de antropologie en later de
psychoanalyse, grote invloed heeft gehad binnen de menswetenschappen vanaf de jaren 1950 en 60. Het
structuralisme gaat frontaal in tegen de aanpak van de fenomenologie die de ervaring en de leefwereld als
primaire waarheid aanvaardt en als uitgangspunt neemt voor het denken. Voor het structuralisme is de
‘beleving’ slechts een oppervlakteverschijnsel, en het bewustzijn een ‘epifenomeen’. Het structuralisme stelt
dat het menselijk bestaan en samenleven wordt gedragen en geordend, en dus ook begrepen dient te worden,
vanuit onderliggende structuren en systemen die aan de beleving ontsnappen. Onder de zinbeleving en het
bewuste spreken en handelen (= het niveau van de ‘parole’, het gebabbel) ligt de orde van de grammatica en
de taalstructuur (de ‘langue’).
3. De middeleeuwse geheugencultuur had een religieus-spiritueel doel, verklaar.
De techniek van de ars memoria is een manier om het eigen gedachteleven en het bewustzijn te beheersen,
te ordenen, en de aandacht te richten. De geheugentechniek wordt zo gebruikt om het leven van de geest
‘stichtelijk’ te maken. Het ideaal van de gelovige bestaat er niet enkel in van het goede te doen in de wereld,
maar bestaat er ook (en vooral) in van aan de juiste dingen te denken. De ziel moet zijn bestemming buiten
deze wereld voor ogen houden…
Door het bouwen van een eigen geheugenstructuur of topologie van geheugenplaatsen, en het goed kiezen
van de ‘beelden’ waarmee men ze vult, ordent en vult men de eigen geest met waarheid en vrome gedachten.
Zo perfectioneert men zichzelf. De activiteit van het geregeld en dagelijks ‘overdenken’ van de (zelf
samengestelde) ‘beeldenverzameling’ zijn een vorm van ‘geestelijke oefening’ (excercitio spiritualis). De
geestelijke vorming en zelfdiscipline houdt in dat men zich oefent in het richten van de aandacht op het
spirituele, en daarvoor de juiste gewoontes vormt en de juiste technieken leert.
4. Wat bedoelt Sartre met ‘de mens heeft geen natuur’?
Er is geen ‘menselijke natuur’, er zijn dus ook geen modellen of normen over wat een mens moet zijn,
waarachter men zich kan verschuilen. Wie dat doet beschouwt zichzelf als een ‘ding’, en dat getuigt van
mauvaise foi. De mens valt samen met zijn eigen pro-ject, waarin hij kiest wat hij zelf zal zijn en wat de wereld
zal zijn. In de keuzes die men in het eigen leven maakt beslist men bovendien niet enkel voor zichzelf: elke
keuze die men maakt is tegelijk een voorstel, een keuze die men maakt voor wat de mens kan zijn. Sartre
vertegenwoordigt radicaal de mensopvatting dat betekenis niet gevonden, of gekregen, maar gemaakt wordt:
de mens is de absolute, enige bron van zingeving. ‘Authentiek mens zijn’ impliceert het totaal geëngageerd
zijn in, en de verantwoordelijkheid dragen voor, het eigen levensproject.
vraag 5-6 (antwoord ca. 30 regels)
5. Waaruit blijkt dat Kant tot de Verlichting behoort?
De filosofische werken van Kant bepalen, enerzijds, de grenzen en beperkingen van de menselijke redelijkheid,
maar erkennen en affirmeren anderzijds de structurerende en zelfbepalende kracht van de subjectiviteit. Kant
antwoordt op de grote filosofische vragen ‘Wat kan ik kennen?’, ‘Wat moet ik doen?’ en ‘Wat mag ik hopen?’,
in drie belangrijke filosofische werken: De kritiek van de zuivere rede, De kritiek van de praktische rede, en De
kritiek van het oordeelsvermogen. Het antwoord op deze drie vragen levert het antwoord op de vraag: wat is
de mens? ‘Kritiek’ betekent hier: onderzoek naar de bronnen en de grenzen van het uitoefenen van een vorm
van redelijkheid.
De visie van Kant is kenmerkend voor het algemeen vertrouwen van de mens in zichzelf en in de redelijkheid
als principe voor de organisatie van de cultuur en de samenleving, heersend van het einde van de 18e eeuw
tot en met de 20e eeuw. De principes van de redelijkheid, omgezet tot (a) de burgerlijk-democratische
politieke idealen (vrijheid, gelijkheid, broederschap), (b) tot het officieel geloof in het belang van scholing en
Bildung voor elk individu, en (c) tot het geloof in het belang van kennis voor de samenleving en in de
1