Data en definities Maurice Merleau-Ponty: 1908-1961
data Jean-Paul Sartres L’Etre et le néant: 1943
Clisthenes: 508 v.C Georges Batailles Architecture: 1929
Socrates: 470-399 v.C. Ferdinand de Saussure en Claude Levi-Strauss: 1908-2009
Anaximander: 550 v.C. Michel Foucault: jaren 1950-1960
Plato: 428-347 v.C. Jean-François Lyotards La condition postmoderne: 1924-1998
Academie van Athene: 387 v.C. Charles Jencks’ The Language of Postmodern Architecture: 1939
Thomas Mores Utopia: 1516 Architectuurbiënnale in Venetië: 1980
Beeldenstorm: 2e helft 16e eeuw Jacques Derrida: 1930-2004
Aristoteles: 384-322 v.C. definities
Aristoteles’ Poetica: 335 v.C. existentieel: houdt verband met menselijk bestaan
middeleeuwen: 500-1500 polis: publieke belangen
René Descartes: 1596 oikos: private belangen
Encyclopédie: 1750 isonomia: gelijkheid
Chamforts Maximes et Pensées: 1741-1791 homoioi: vele gelijken
Immanuel Kant: 1724-1804 logos: rede
Verlichting en romantiek: 18e-19e eeuw dèmes: bloedverwantschap
Camille Lemonnier (L’Époque du vrai est arrivée): 1836 stam: volksverwantschap
John Ruskins The Seven Lamps of Architecture en The Stones of Venice: 1850 artefact: door mensen gemaakt
Johann Gottfried Herder: 1744-1803 daidalon: perfect werkstuk
Jean-Jacques Rousseau: 1712-1778 hedonisme: genotsethiek
Karl Marx: 1818-1883 retorica: redekunst
Karl Marx’ Het communistisch manifest: 1848 imagines agentes: sprekende beelden
Friedrich Nietzsche: 1844-1900 causaliteit: oorzakelijkheid
Sigmund Freud: 1856-1939 empirisch: gebaseerd op waarneming
Edmond Husserl: 1859-1938 secularisatie: meer en meer scheiding tussen kerk en staat
Martin Heidegger: 1889-1776 es to meson: publiek, openbaar
1
, bios politikos: politieke leven van man, naast zijn privéleven ding-fur-mich: gestructureerde verschijningsvorm van natuur die wij wel kunnen
waarnemen
filo-sofos: vriend van waarheid, men kan waarheid niet bezitten, er enkel naar zoeken
en verlangen categorisch imperatief:
theorein: wet die mens aan zichzelf stelt als meer-dan-natuur-wezen, zedelijke kant
schouwen legt onvoorwaardelijk moeten op dat driften bedwingt
afgevaardigde, ambassadeur van stad, gezonden om getuige te zijn bij kunst:
Olympische Spelen in naam van stad (religieuze functie)
sterke subject neemt op voor zwakke
verwijzing naar theorie: onze ziel die getuige was in ideeënwereld voor
aardse leven kracht van geniale, productiviteit van kunstenaar neemt op voor gevoel,
passie, schoonheid
hylèmorfisme: elk bestaand ding bestaat uit materie in bepaalde vorm
mimesische kunst: kunst waarbij ornament dient tot verduidelijking van functie
ousia: bestaand ding
historisch materialisme: geschiedenis is niet ontstaan uit bewuste handelingen en
hylè: materie of stof beslissingen van individuen, maar door economische en sociale mechanismen, die
samenhangen met hoe arbeid georganiseerd is in samenleving, en met plaats van
morphè: vorm individuen en groepen daarbinnen
act: vorm infrastructuur:
dunamis: dynamiek, potentie, mogelijkheid van materie om andere act aan te nemen organisatie van economie, arbeid en bezitsverhoudingen
eidénai: echt wéten, oorzaken van dingen kennen bepalen politieke, economische en sociale verhoudingen in samenleving
eudaimonisme: geluksethiek superstructuur:
fronèsis: kunde om gelukt-gelukkig leven te leiden betekenisproductie, meningen, moraal, theorieën en cultuur
mimèsis: nabootsing (van natuur) product van klassenverhoudingen, maatschappelijke en economische
posities en belangen
loci: kamers, geheugenruimtes
voluntarisme: idee dat handelingen en bedoelingen, engagement van individu iets kan
res: zaken die je moet onthouden die je koppelt aan beelden
verrichten in maatschappij
notae: memo’s, grafische tekens die je aan die beelden hangt
ideologie: groep ideeën, overtuigingen en manieren waarop iets wordt voorgesteld, die
reminiscentia: door uw geheugenruimtes lopen en herinneren impliciet of expliciet bestaande samenleving rechtvaardigt en werkelijke sociale
verhoudingen afdekt en beschermt
exercitio spiritualis: geestelijke oefening, waarbij men vrome gedachten overloopt
nihilisme:
curiositas: nieuwsgierigheid, leidt aandacht af van vrome concentratie, ondeugd
cultuurdiagnose van Nietzsche: failliet van onze cultuur, grote waarden en
pictura: beelden die helpen voor vrome concentratie mensbeeld van Westerse samenleving, noodzaak aan nieuwe cultuur en
nieuw mensbeeld (übermensch)
substance pensante: wij zijn denkend, twijfelend wezen
jenseits-moraal:
ding-an-sich: elementen waaruit natuur bestaat op zich, die wij niet kunnen
waarnemen christelijk moraal dat zegt dat we moeten leven in ascese en onthouding
2
data Jean-Paul Sartres L’Etre et le néant: 1943
Clisthenes: 508 v.C Georges Batailles Architecture: 1929
Socrates: 470-399 v.C. Ferdinand de Saussure en Claude Levi-Strauss: 1908-2009
Anaximander: 550 v.C. Michel Foucault: jaren 1950-1960
Plato: 428-347 v.C. Jean-François Lyotards La condition postmoderne: 1924-1998
Academie van Athene: 387 v.C. Charles Jencks’ The Language of Postmodern Architecture: 1939
Thomas Mores Utopia: 1516 Architectuurbiënnale in Venetië: 1980
Beeldenstorm: 2e helft 16e eeuw Jacques Derrida: 1930-2004
Aristoteles: 384-322 v.C. definities
Aristoteles’ Poetica: 335 v.C. existentieel: houdt verband met menselijk bestaan
middeleeuwen: 500-1500 polis: publieke belangen
René Descartes: 1596 oikos: private belangen
Encyclopédie: 1750 isonomia: gelijkheid
Chamforts Maximes et Pensées: 1741-1791 homoioi: vele gelijken
Immanuel Kant: 1724-1804 logos: rede
Verlichting en romantiek: 18e-19e eeuw dèmes: bloedverwantschap
Camille Lemonnier (L’Époque du vrai est arrivée): 1836 stam: volksverwantschap
John Ruskins The Seven Lamps of Architecture en The Stones of Venice: 1850 artefact: door mensen gemaakt
Johann Gottfried Herder: 1744-1803 daidalon: perfect werkstuk
Jean-Jacques Rousseau: 1712-1778 hedonisme: genotsethiek
Karl Marx: 1818-1883 retorica: redekunst
Karl Marx’ Het communistisch manifest: 1848 imagines agentes: sprekende beelden
Friedrich Nietzsche: 1844-1900 causaliteit: oorzakelijkheid
Sigmund Freud: 1856-1939 empirisch: gebaseerd op waarneming
Edmond Husserl: 1859-1938 secularisatie: meer en meer scheiding tussen kerk en staat
Martin Heidegger: 1889-1776 es to meson: publiek, openbaar
1
, bios politikos: politieke leven van man, naast zijn privéleven ding-fur-mich: gestructureerde verschijningsvorm van natuur die wij wel kunnen
waarnemen
filo-sofos: vriend van waarheid, men kan waarheid niet bezitten, er enkel naar zoeken
en verlangen categorisch imperatief:
theorein: wet die mens aan zichzelf stelt als meer-dan-natuur-wezen, zedelijke kant
schouwen legt onvoorwaardelijk moeten op dat driften bedwingt
afgevaardigde, ambassadeur van stad, gezonden om getuige te zijn bij kunst:
Olympische Spelen in naam van stad (religieuze functie)
sterke subject neemt op voor zwakke
verwijzing naar theorie: onze ziel die getuige was in ideeënwereld voor
aardse leven kracht van geniale, productiviteit van kunstenaar neemt op voor gevoel,
passie, schoonheid
hylèmorfisme: elk bestaand ding bestaat uit materie in bepaalde vorm
mimesische kunst: kunst waarbij ornament dient tot verduidelijking van functie
ousia: bestaand ding
historisch materialisme: geschiedenis is niet ontstaan uit bewuste handelingen en
hylè: materie of stof beslissingen van individuen, maar door economische en sociale mechanismen, die
samenhangen met hoe arbeid georganiseerd is in samenleving, en met plaats van
morphè: vorm individuen en groepen daarbinnen
act: vorm infrastructuur:
dunamis: dynamiek, potentie, mogelijkheid van materie om andere act aan te nemen organisatie van economie, arbeid en bezitsverhoudingen
eidénai: echt wéten, oorzaken van dingen kennen bepalen politieke, economische en sociale verhoudingen in samenleving
eudaimonisme: geluksethiek superstructuur:
fronèsis: kunde om gelukt-gelukkig leven te leiden betekenisproductie, meningen, moraal, theorieën en cultuur
mimèsis: nabootsing (van natuur) product van klassenverhoudingen, maatschappelijke en economische
posities en belangen
loci: kamers, geheugenruimtes
voluntarisme: idee dat handelingen en bedoelingen, engagement van individu iets kan
res: zaken die je moet onthouden die je koppelt aan beelden
verrichten in maatschappij
notae: memo’s, grafische tekens die je aan die beelden hangt
ideologie: groep ideeën, overtuigingen en manieren waarop iets wordt voorgesteld, die
reminiscentia: door uw geheugenruimtes lopen en herinneren impliciet of expliciet bestaande samenleving rechtvaardigt en werkelijke sociale
verhoudingen afdekt en beschermt
exercitio spiritualis: geestelijke oefening, waarbij men vrome gedachten overloopt
nihilisme:
curiositas: nieuwsgierigheid, leidt aandacht af van vrome concentratie, ondeugd
cultuurdiagnose van Nietzsche: failliet van onze cultuur, grote waarden en
pictura: beelden die helpen voor vrome concentratie mensbeeld van Westerse samenleving, noodzaak aan nieuwe cultuur en
nieuw mensbeeld (übermensch)
substance pensante: wij zijn denkend, twijfelend wezen
jenseits-moraal:
ding-an-sich: elementen waaruit natuur bestaat op zich, die wij niet kunnen
waarnemen christelijk moraal dat zegt dat we moeten leven in ascese en onthouding
2