Prokaryoot/eukaryoot
- Prokaryoot
o geen kernwand, genetisch materiaal ligt los in cytoplasma
o geen organellen
- Eukaryoot
o door membraan afgelijnde kern, genetisch materiaal georganizeerd in chromosomen
o complexe celbouw met meerdere door membraan omgeven organellen
diagnose van de 6 rijken
archaebacterie
- algemeen
o microscopisch klein
o meeste zijn anoëroob en sommige aëroob
o mogelijk oudst nog levende organisme
o sommige zijn autotroof
- methanogene bacteriën
o meest voorkomende Archaebacteria
o compleet anaëroob
o reduceren o a. CO2 tot CH4 (methaan)
o leven in stilstaand water, in het rumen van runderen, in de darm van vele dieren o a.
thermieten, in de oceaanbodem, in heetwaterbronnen..., maar enkel als vrije zuurstof
volkomen ontbreekt
- extreem halofiele bacteriën
o leven in zeer hoge zout concentraties
o hebben roze cartenoïden kleurstoffen in hun celwand, deze beschermt hen tegen de
intense UV stralen
o sommige hebbben een bijkomend uitwendig membraan waarin het pigment
bacteriorhodopsine zit, laat eenvoudige fotosynthese toe
- thermofiele non-methanogene bacteriën
o leven in extreem zure omstandigheden of zwavelhoudende bronnen
o kunnen extreme temperaturen weerstaan
o hebben een stijf en weerstandig membraan
o de vorm kan zeer verschillen
eubacteria of monera
- algemeen
o microscopisch klein
o foto‐autotroof, chemo‐autotroof of heterotroof
o meestal saprotroof (voedend op dood organisch materiaal) of parasitair
o beweeglijk of onbeweeglijk
o meestal unicellulair, soms multicellulair
o Ubiquist (= voorkomend in vele biotopen)
o zowel zeer nuttige als uiterst schadelijke soorten
o problematische systematiek
1
, - groene zwavelbacterien
- flavobacteriën en bacteroiden
- gram-positieve bacteriën
o hebben een dikke celwand die gram kleurstof absorbeerd
- cyanobacteria of blauwwieren
o leven in het water
o fotosynthetish en produceren zuurstof
o eencellig en kunnen eventueel kolonies vormen
o liggen aan de basis van het ontstaan van de chloroplasten
- proteobacteria of purperbacteriën
o zijn bekende ziekte verwekkers
o sommige zijn foto-synthetisch
o liggen aan de basisch van het ontstan van mitochondrium
- spirochten
o lange, spiraalvormige bacteeriën
o zijn verschillende ziekteverwekkers
o soorten arme groep
protista
- algemeen
o unicellulair, eventueel kolonievormend
o meestal microscopisch klein
o twee grote groepen op basis van voedingswijze: eencellige foto ‐autotrofe Algae en
heterotrofe Protozoa (fagotroof, osmotroof, saprotroof)
o voorouders van meercellige meercellige eukaryoten
fungi
- algemeen
o geen fotosyntetische pigmenten, heterotroof (organische bestanddelen)
o tubulaire filamenten (’hyphen’)
o meestal saprofaag, soms parasitair
- glomeromycota
- chytridomycota
o aquatische vorm
o vormt mogelijk de link tussen protista en fungi
- zygomycota of schimmels
o terresctiesch fungi die leven in de bodem of op afgestorven plantenmateriaal
- ascomicota of gisten en zakzwammen
o produceren geslachteljke sporen in zakachtige structuren
o komen in zowat alle milieus voor
- basidiomycota of echte paddenstoelen
o hebben een typisch vruchtlicaam, die ontwikkelen uit een lang leven mycelium
plantae
- algemeen
o multicellulair
o foto-autotroof
o stijve celwanden en meestal niet mobiel
2
, o koolhydraten opgeslagen onder de vorm van zetmeel
animale
- algemeen
o multicellulair
o heterotroof
o slaan koolhydraten op als glycogeen
o hebben geen stijve celwand
o kunnen zich autonoom voortbewegen
o seksuele voortplanting
o lichaam wordt bij een gehouden door structurele eiwitten en gespecialiseerde
intercellulaire verbindingen
generieke kenmerken van het leven
- een unieke en complexe moleculaire organisatie
- hierarchische organisaties
- leven de systemen kunnen zichzelf reproduceren, op elk niveau van de biologische hierarchie
- een genetisch programma zorgt voor overerving van kenmerken
- organismen doorlopen een levenscyclus
- organismen houden in stand door nutriënten uit hun omgeving op te nemen, eventueel af te
breken en opnieuw te gerbuiken: metabolisme
- organismen interageren met hun omgeving: ecologie
grondbeginselen voor de biologie
- eerste wet van de thermodynamica: behoud van energie: energie kan niet verdwijnen of
worden bijgemaakt, enkel omgezet tussen verschillende vormen
- tweede wet van de thermodynamica: fysische systemen neigen steeds naar een staat van
grotere wanorde tenzij er energie wordt toegevoegd
ontstaan van cellen
- eukaryote cel: ontstaan van de kern: invouwen van plasmamembraan geeft aanleiding tot de
kernmembraan en endoplasmatisch reticulum
- dierlijke eukaryote cel: opname van heterotrofe prokaryote cel geeft aanleiding tot cellen
met mitochondrie
- plantaardige eukaryote cel: bijkomende opname van een fotosynthetiserende prokaryot cel
geeft aanleiding tot vorming van plastiden
3
, Systematiek
Classificatie
1. regnum
2. phylumc
3. classis
4. ordo
5. familia
6. genus
7. species
indeling van het dierenrijk
- fylogenetische benadering
o studie van het ontstaan van de verwantschappen tussen groepen, gemeenschappelijke
afstamming
o monofyletische groepen: alle afstammelingen van de gemeenschappelijke voorouder
(inclusief deze voorouder) worden in één taxon geklasseerd
parafyletisch: niet alle afstammelingen van de gemeenschappelijke voorouder behoren
tot het taxon
polyfyletisch: de gemeenschappelijke voorouder (en niet alle afstammelingen) behoort
niet tot het taxon
o clade gedefineerd op basisch van synapomorfieën (= gemeendschappelijk afgeleide
kenmerken)
o enkel dichotome splitsingen
- genetische of fenetische kenmerken
o fenetische kenmerken = de wijze waarop genetisch materiaal zich uit (bouwplan en
morfologie)
o genetische en proteoomkenmerken = moleculaire kenmerken, hangt af van de
samenenstelling van het genetische materiaal
- bouwplannen
diagnose: door morfologisch, fysiologisch, biochemisch, ecologisch, ethologisch signalement
kan je een groep van een andere groep onderscheiden: gelijk bouwplan verwantschap
o homologe kenmerken: kenmerken die dezelfde voorouderlijke oorsprong hebben, maar
eventueel in uiterlijk kunnen verschillen
analoge kenmerken: organen of structure met eenzelfde functie of uitzicht, maar een
verschillende voorouder
o cellulaire organisaties: eencellig), meercellig maar geen organen, meercellig met organen
o lichaamssymetrie: sferisch, radiaal of bilateraal
o verteringsapparaat: onvolledige (enkel een mond) en volledige darmtactus
protostomia: wanneer de eerst gevormde opening zich tot mond ontwikkelt
deuterostomia: wanneer de mond zich vormt uit de laatst ontwikkelde opening
o zenuwstelsel en skeletvorming: zenuwstelsel ventraal en skelet (uitwendig) vormt zich uit
ectoblast of zenuwstelsel dorsaal en skelet (inwendig) vormt zich uit mesoblast
o matamerisatie: lichaamssegmentatie
o lichaamsholte: 2 (dipoblast) of 3 (tripoblast) kiembladen: ectoblast (buitenlaag is
lichaamaflijnend), entoblast (binnenlaag is voedsel opnemend) en mesoblast
(middenlaag omvat alle andere lichaamsstructuren)
4