Samenvatting Sociologie
1) Inleiding
1.1) Wat is sociologie?
Sociologie houdt zich bezig met het verklaren van gedrag van individuen en
groepen, vanuit de maatschappelijke invloeden die ze ondergaan.
1.2) Sociologie: de studie van het sociale als een FEIT
- de betekenis v/h woord ‘sociaal’
We spreken over ‘het sociale’ wnr gedrag invloed heeft op een ander of op de
omgeving. Aangezien wij verbonden zijn met een ander of omgeving, het sociale
als een feit.
- ‘Sociaal handelen’ en ‘sociale interactie’
Sociaal handelen: handelen dat gericht is op anderen of beïnvloedt wordt
door anderen. Wat jij doet houd je rekening met wat de andere doet.
Bv: 2 fietsers die op elkaar botsen en zagen elkaar niet aankomen, is geen
sociaal handelen omdat er geen motief verbonden was aan de botsing.
Sociale interactie: de handelingen van een persoon en de reactie daarop
door een andere persoon.
Bv: wnr je iemand plaagt en die negeert je dan daarvoor.
= betrokken op de ander: sociaal handelen / betrokken op elkaar: sociale
interactie
1.3) Actor en systeem
Sociologie kan worden omschreven als: het sociale als een feit en dit omvat de
interactie tsn 2 dimensies:
1) het sociaal handelen van de actor
2) de context en het resultaat van dat sociaal handelen, het systeem
Sociologisch
standpunt
degene
acto systee
r m
cultuur en structuur
die sociaal
handelt
1
, Sociale
Sociale
constructie
bepaaldheid
In de sociologie kunnen we de sociale werkelijkheid bekijken vanuit 2 kanten:
- Kijken hoe het sociaal handelen van de actor een invloed heeft op de
cultuur en structuur v/e samenleving (het systeem) =
actorperspectief/sociale constructie
- Het systeem bepaalt het sociaal handelen van de actor =
systeemperspectief/sociale bepaaldheid
Actorperspectief (sociale constructie) -> Max Weber ‘mensen
maken de samenleving’
Vb 1: zwarte zaterdag wordt zwarte maandag
Vanuit het actorperspectief kijken we naar wat mensen zelf denken en doen. Op het nieuws zeggen
ze dat het zaterdag heel druk zal zijn in het verkeer. Veel mensen besluiten daarom om pas
maandag te vertrekken op reis.
Door zo te handelen met veel samen creëren ze een bepaalde realiteit of maken ze een bepaald
systeem.
Vb 2: arbeidsomstandigheden 1920 en 2020
In 1920 werkten werknemers bijna 50 uur per week. Ze beseften dat dit niet rechtvaardig is. Dit
leidde tot actie: mensen protesteerden, stakingen,… Door dat samen handelen veranderde de
werkelijkheid. De betere werkomstandigheden van anno 2020 zijn dus geen toeval, maar het
resultaat van hoe mensen vroeger naar hun situatie keken en samen iets veranderden.
Systeemperspectief (sociale bepaaldheid) -> Emile Durkheim ‘de
samenleving maakt de mensen’
Vb 1: Durkheim en zelfmoord
Durkheim keek naar zelfmoord niet als een individueel probleem, maar als iets dat beïnvloed werd
door sociale structuren. Hij vond dat factoren religie, gezin en maatschappelijke verbondenheid,
zich alleen voelen,… een grote rol spelen. Vanuit het systeemperspectief denken we dat het gedrag
van mensen – zoals zelfmoord – meer bepaald wordt door hun plaats in het sociale systeem, en niet
enkel door persoonlijke problemen.
Vb 2: mogen we lawaai maken op een begrafenis?
Op een begrafenis doen mensen hier meestal stil en serieus. Dat lijkt normaal, maar dat komt
omdat we dat zo geleerd hebben van onze cultuur. In andere landen doen mensen dat soms heel
anders. Dat is niet fout, maar gewoon een ander systeem met andere gewoontes. Dus: hoe jij je
gedraagt, hangt vaak af van de samenleving waarin je leeft.
Vb 3: wie volgt er hoger onderwijs?
Iedereen mag naar de hogeschool, maar niet iedereen heeft evenveel kans. Als je ouders
gestudeerd hebben, is de kans groter dat jij dat ook doet. Dat komt omdat je opgroeit in een
omgeving waar dat normaal is. Je leert er veel van thuis, je krijgt steun,... Dat is wat het systeem
betekent: het geheel van regels, gewoontes en kansen die voor sommige mensen beter werken dan
voor anderen.
De realiteit kan je verklaren door te kijken hoe actoren beïnvloed worden door het
systeem waarin ze zich bevinden:
1 De invloed van CULTUUR
2
,- Hoe je je gedraagt op een begrafenis, maar ook welke kleren je mooi vindt,
welke studiekeuze je gaat maken, … hangt af van hoe we worden
‘gesocialiseerd’. Hoe het er in de samenleving aan toegaat, bepaalt wat jij zelf
normaal, mooi, goed vindt, en zal jouw sociaal handelen, de keuzes die jij
dagdagelijks maakt, beïnvloeden.
Maw: De gewoontes en gebruiken naargelang de specifieke plaats die mensen
innemen in de samenleving, de groepen waar ze deel van uitmaken… (=
culturele dimensie)
2 De invloed van STRUCTUUR
- De levensverwachting van mensen wordt beïnvloed door de sociaal-
economische-positie waarin iemand zich bevindt; de opleiding van je ouders
heeft een invloed op de studiekeuze van de kinderen; studiekeuze heeft een
invloed op jobtype.
Maw: de plaats die mensen/groepen innemen in de samenleving én hoe dit een
invloed heeft op hun doen en laten (= structurele dimensie)
1.4) Kijken met een sociologische blik: micro- meso en macroperspectief
🔍 Wat wordt
🧩 Niveau 🧪 Voorbeelden 🎯 Focus
bestudeerd?
- Gesprek tussen ouder en
Microniveau Gedrag en interactie kind- Leefstijlkeuzes (roken, Persoonlijk gedrag,
(individueel niveau) tussen individuen. sporten)- Gedrag van een keuzes, gevoelens
leerling in de klas
Mesoniveau Groepen, netwerken, - Schoolcultuur- Sociale omgeving,
(groeps-/organisati organisaties en hun Jeugdbeweging- Werkplek of groepsdruk,
eniveau) invloed op individuen. buurt organisatiecultuur
- Onderwijsbeleid- Wetgeving, sociale
Macroniveau Maatschappelijke
Verzorgingsstaat- ongelijkheid,
(maatschappelijk structuren en
Economische ongelijkheid- politieke/economische
niveau) systemen.
Cultuur & normen systemen
Vb: gezondheid
Micro: persoon kiest om elke dag gezond te eten en sporten
Meso: de ouders gaan elke dag om vers fruit / haar vrienden roken alleen maar
Macro: de overheid promoot gezonde voeding en investeert in
sportinfrastructuur.
1.5) Wat ben ik hiermee als sociaal werker?
Als we de mens willen begrijpen , moeten we ook begrijpen hoe die onder
invloed staat van zijn context (van het systeem). De wetenschap helpt ons
nuanceren, kritisch denken,…
3
, 2) Georganiseerd samenleven: de structuur en de cultuur
2.1) inleiding
De socioloog is geïnteresseerd in:
- de plaats die mensen/groepen innemen i/d samenleving en hoe dit een invloed
heeft op hun.
= de structurele dimensie
- de gewoontes naargelang de plaats die mensen innemen i/d samenleving, de
groepen waarvan ze deel uitmaken = de culturele dimensie
Actor-systeem schema:
2.2) De structurele dimensie (de vorm), de sociale structuur
2.2.1) sociale actoren en sociale posities
Een sociale positie is de plaats die een persoon inneemt in een netwerk van
sociale relaties zoals een gezin, een vriendengroep, school, bedrijf, …
Binnen elke sociale eenheid zijn er verschillende sociale posities, bv. binnen het
gezin is er positie van moeder, vader en kind; elke persoon heeft verschillende
sociale posities binnen verschillende netwerken.
Bv: Je bent vader, werknemer, vriend, broer. Auto’s stoppen voor ‘de agent’, niet
voor de mens die achter dat uniform zit. Een kind zal ander gedrag stellen
tegenover zijn ouders dan tegenover de juf.
De positieset is het geheel van sociale posities die iemand bekleedt. We zijn
tegelijkertijd moeder én dochter én zus én studente én vriendin…
Toegewezen sociale positie: de persoon heeft geen inspanning moeten leveren
om de positie in te nemen.
Verworven sociale positie: een positie die je verwerft na bv. studies. Maar soms te
4
1) Inleiding
1.1) Wat is sociologie?
Sociologie houdt zich bezig met het verklaren van gedrag van individuen en
groepen, vanuit de maatschappelijke invloeden die ze ondergaan.
1.2) Sociologie: de studie van het sociale als een FEIT
- de betekenis v/h woord ‘sociaal’
We spreken over ‘het sociale’ wnr gedrag invloed heeft op een ander of op de
omgeving. Aangezien wij verbonden zijn met een ander of omgeving, het sociale
als een feit.
- ‘Sociaal handelen’ en ‘sociale interactie’
Sociaal handelen: handelen dat gericht is op anderen of beïnvloedt wordt
door anderen. Wat jij doet houd je rekening met wat de andere doet.
Bv: 2 fietsers die op elkaar botsen en zagen elkaar niet aankomen, is geen
sociaal handelen omdat er geen motief verbonden was aan de botsing.
Sociale interactie: de handelingen van een persoon en de reactie daarop
door een andere persoon.
Bv: wnr je iemand plaagt en die negeert je dan daarvoor.
= betrokken op de ander: sociaal handelen / betrokken op elkaar: sociale
interactie
1.3) Actor en systeem
Sociologie kan worden omschreven als: het sociale als een feit en dit omvat de
interactie tsn 2 dimensies:
1) het sociaal handelen van de actor
2) de context en het resultaat van dat sociaal handelen, het systeem
Sociologisch
standpunt
degene
acto systee
r m
cultuur en structuur
die sociaal
handelt
1
, Sociale
Sociale
constructie
bepaaldheid
In de sociologie kunnen we de sociale werkelijkheid bekijken vanuit 2 kanten:
- Kijken hoe het sociaal handelen van de actor een invloed heeft op de
cultuur en structuur v/e samenleving (het systeem) =
actorperspectief/sociale constructie
- Het systeem bepaalt het sociaal handelen van de actor =
systeemperspectief/sociale bepaaldheid
Actorperspectief (sociale constructie) -> Max Weber ‘mensen
maken de samenleving’
Vb 1: zwarte zaterdag wordt zwarte maandag
Vanuit het actorperspectief kijken we naar wat mensen zelf denken en doen. Op het nieuws zeggen
ze dat het zaterdag heel druk zal zijn in het verkeer. Veel mensen besluiten daarom om pas
maandag te vertrekken op reis.
Door zo te handelen met veel samen creëren ze een bepaalde realiteit of maken ze een bepaald
systeem.
Vb 2: arbeidsomstandigheden 1920 en 2020
In 1920 werkten werknemers bijna 50 uur per week. Ze beseften dat dit niet rechtvaardig is. Dit
leidde tot actie: mensen protesteerden, stakingen,… Door dat samen handelen veranderde de
werkelijkheid. De betere werkomstandigheden van anno 2020 zijn dus geen toeval, maar het
resultaat van hoe mensen vroeger naar hun situatie keken en samen iets veranderden.
Systeemperspectief (sociale bepaaldheid) -> Emile Durkheim ‘de
samenleving maakt de mensen’
Vb 1: Durkheim en zelfmoord
Durkheim keek naar zelfmoord niet als een individueel probleem, maar als iets dat beïnvloed werd
door sociale structuren. Hij vond dat factoren religie, gezin en maatschappelijke verbondenheid,
zich alleen voelen,… een grote rol spelen. Vanuit het systeemperspectief denken we dat het gedrag
van mensen – zoals zelfmoord – meer bepaald wordt door hun plaats in het sociale systeem, en niet
enkel door persoonlijke problemen.
Vb 2: mogen we lawaai maken op een begrafenis?
Op een begrafenis doen mensen hier meestal stil en serieus. Dat lijkt normaal, maar dat komt
omdat we dat zo geleerd hebben van onze cultuur. In andere landen doen mensen dat soms heel
anders. Dat is niet fout, maar gewoon een ander systeem met andere gewoontes. Dus: hoe jij je
gedraagt, hangt vaak af van de samenleving waarin je leeft.
Vb 3: wie volgt er hoger onderwijs?
Iedereen mag naar de hogeschool, maar niet iedereen heeft evenveel kans. Als je ouders
gestudeerd hebben, is de kans groter dat jij dat ook doet. Dat komt omdat je opgroeit in een
omgeving waar dat normaal is. Je leert er veel van thuis, je krijgt steun,... Dat is wat het systeem
betekent: het geheel van regels, gewoontes en kansen die voor sommige mensen beter werken dan
voor anderen.
De realiteit kan je verklaren door te kijken hoe actoren beïnvloed worden door het
systeem waarin ze zich bevinden:
1 De invloed van CULTUUR
2
,- Hoe je je gedraagt op een begrafenis, maar ook welke kleren je mooi vindt,
welke studiekeuze je gaat maken, … hangt af van hoe we worden
‘gesocialiseerd’. Hoe het er in de samenleving aan toegaat, bepaalt wat jij zelf
normaal, mooi, goed vindt, en zal jouw sociaal handelen, de keuzes die jij
dagdagelijks maakt, beïnvloeden.
Maw: De gewoontes en gebruiken naargelang de specifieke plaats die mensen
innemen in de samenleving, de groepen waar ze deel van uitmaken… (=
culturele dimensie)
2 De invloed van STRUCTUUR
- De levensverwachting van mensen wordt beïnvloed door de sociaal-
economische-positie waarin iemand zich bevindt; de opleiding van je ouders
heeft een invloed op de studiekeuze van de kinderen; studiekeuze heeft een
invloed op jobtype.
Maw: de plaats die mensen/groepen innemen in de samenleving én hoe dit een
invloed heeft op hun doen en laten (= structurele dimensie)
1.4) Kijken met een sociologische blik: micro- meso en macroperspectief
🔍 Wat wordt
🧩 Niveau 🧪 Voorbeelden 🎯 Focus
bestudeerd?
- Gesprek tussen ouder en
Microniveau Gedrag en interactie kind- Leefstijlkeuzes (roken, Persoonlijk gedrag,
(individueel niveau) tussen individuen. sporten)- Gedrag van een keuzes, gevoelens
leerling in de klas
Mesoniveau Groepen, netwerken, - Schoolcultuur- Sociale omgeving,
(groeps-/organisati organisaties en hun Jeugdbeweging- Werkplek of groepsdruk,
eniveau) invloed op individuen. buurt organisatiecultuur
- Onderwijsbeleid- Wetgeving, sociale
Macroniveau Maatschappelijke
Verzorgingsstaat- ongelijkheid,
(maatschappelijk structuren en
Economische ongelijkheid- politieke/economische
niveau) systemen.
Cultuur & normen systemen
Vb: gezondheid
Micro: persoon kiest om elke dag gezond te eten en sporten
Meso: de ouders gaan elke dag om vers fruit / haar vrienden roken alleen maar
Macro: de overheid promoot gezonde voeding en investeert in
sportinfrastructuur.
1.5) Wat ben ik hiermee als sociaal werker?
Als we de mens willen begrijpen , moeten we ook begrijpen hoe die onder
invloed staat van zijn context (van het systeem). De wetenschap helpt ons
nuanceren, kritisch denken,…
3
, 2) Georganiseerd samenleven: de structuur en de cultuur
2.1) inleiding
De socioloog is geïnteresseerd in:
- de plaats die mensen/groepen innemen i/d samenleving en hoe dit een invloed
heeft op hun.
= de structurele dimensie
- de gewoontes naargelang de plaats die mensen innemen i/d samenleving, de
groepen waarvan ze deel uitmaken = de culturele dimensie
Actor-systeem schema:
2.2) De structurele dimensie (de vorm), de sociale structuur
2.2.1) sociale actoren en sociale posities
Een sociale positie is de plaats die een persoon inneemt in een netwerk van
sociale relaties zoals een gezin, een vriendengroep, school, bedrijf, …
Binnen elke sociale eenheid zijn er verschillende sociale posities, bv. binnen het
gezin is er positie van moeder, vader en kind; elke persoon heeft verschillende
sociale posities binnen verschillende netwerken.
Bv: Je bent vader, werknemer, vriend, broer. Auto’s stoppen voor ‘de agent’, niet
voor de mens die achter dat uniform zit. Een kind zal ander gedrag stellen
tegenover zijn ouders dan tegenover de juf.
De positieset is het geheel van sociale posities die iemand bekleedt. We zijn
tegelijkertijd moeder én dochter én zus én studente én vriendin…
Toegewezen sociale positie: de persoon heeft geen inspanning moeten leveren
om de positie in te nemen.
Verworven sociale positie: een positie die je verwerft na bv. studies. Maar soms te
4