1) Belang van opvoeding
Pedagogiek/Opvoedkunde : de wetenschap van de begeleiding of
opvoeding van kinderen. → ped- verwijst naar kinderen, agogiek naar
leiden
Opvoeding = een proces, waarbij kinderen worden ondersteund in hun
ontwikkeling tot ze zelfstandig kunnen meedraaien in de samenleving.
↑ Waar? Thuis, gezin, school, jeugdbeweging,media
Orthopedagogiek = de wetenschap die opvoeding bestudeert in
problematische opvoedingssituaties.
Socialisatie: proces waarin individuen de eigen cultuur leren om te
functioneren in hun gemeenschap.
Beschrijvend proces.
Toont hoe kinderen deel uitmaken van de samenleving
Sterke link tussen socialisatie en opvoeding
↑ Opvoeding
Doelgericht.
Beantwoordt wat opvoeders willen bereiken met kinderen.
1.2 Doelen van opvoeding
verschillende manieren van opvoeden → Bv = streng vs. vrijlatend:
opvoeding varieert sterk tussen gezinnen.
Factoren die verschillen beïnvloeden:
Culturen.
Levensbeschouwingen.
Tijdperk
Pedagogiek als wetenschap
Waarom bijzonder? → vaak niet waardevrij
Drie opvoedingsdoelen (Jan Kuipers):
o Zelfstandigheid: Kind leert eigen keuzes maken.
o Zelfredzaamheid: Kind leert voor zichzelf zorgen.
o Zelfvertrouwen: Kind leert in eigen mogelijkheden geloven.
, - Doelen tonen wat Kuipers waardevol vindt in de opvoeding.
- Verschil tussen culturen en tijdsperiodes
→ Elk doel vraagt een andere manier van opvoeden ,
Invulling van opvoeding hangt af van wat opvoeders willen bereiken.
Gehoorzame kinderen → volgen groepsregels en gewoontes.
Onafhankelijke kinderen → kiezen hun eigen pad.
Opvoedingsdoelen in westerse, individualistische culturen:
- → autonomie, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van belang
- → gehoorzaamheid, ijver en conformisme worden als minder
belangrijk
Waarom? zelfstandig kunnen leven, kunnen functioneren in de
maatschappij en een kritisch oordeel over de samenleving
Opvattingen over opvoeding binnen westerse cultuur:
Verschillen per opvoeder; gebaseerd op mensbeeld.
Drie mensbeelden:
1) Kind als vat vol driften en impulsen
Kind wordt geboren met driften en impulsen.
Opvoeders leiden het kind in goede banen.
Belangrijke opvoedings doelen?:
- Zelfcontrole.
- Gewetensvorming.
Vergelijking opvoeders = met brandweerlui, die klaarstaan om brandjes te
blussen.
2) Kind als onbeschreven blad
Kind is een blanco blad; ontwikkeling kan nog alle kanten op.
Opvoeders bieden een goed voorbeeld en leren kennis en
vaardigheden aan.
Opvoedingsdoelen? = Aanleren van kennis, vaardigheden, en goed
gedrag.
Pedagogisch optimisme → overtuiging dat opvoeders grote invloed
hebben.
Opvoedingsdoel → Kinderen vormen tot succesvolle volwassenen.
Vergelijking opvoeders = Leerkrachten, ze bieden actieve leerkrachten
, 3) Kind als van nature goed wezen
Kind is van nature goed en bepaalt eigen pad.
Opvoeders moeten stimuleren en kansen bieden voor ontwikkeling.
Opvoedingsdoelen? → Zelfontplooiing en groei van het kind.
Vergelijking? = tuiniers, die de juiste omstandigheden bieden voor groei
psychologische stromingen verband drie mensbeelden
Het eerste mensbeeld sluit aan bij de psychoanalyse.
Het tweede mensbeeld past bij het behaviorisme en bij de sociaal-
cognitieve theorie.
Het derde mensbeeld sluit aan bij de humanistische psychologie.
1.3 Transactioneel proces
Opvoeding is interactief:
o Actie en reactie: Opvoeder handelt op basis van overtuigingen,
persoonlijkheid en ervaringen → roept reactie op bij het kind.
o Reactie van het kind: Afhankelijk van persoonlijkheid, leeftijd,
ervaringen → beïnvloedt het gedrag van de opvoeder.
Drie actoren
1. Het kind
o Persoonlijkheidskenmerken, talenten, beperkingen, enz.
2. De opvoeders
o Overtuigingen, ervaringen, persoonlijkheidskenmerken.
3. De omgeving
o Sociale context, culturele invloeden.
- Vriendin: geschiedenisleraar = saaie lessen, boos.
- Jij: dezelfde leraar = gedreven, boeiend, persoonlijke
gesprekken.
Betekenis?: Gedrag opvoeder beïnvloedt reacties van leerlingen →
beïnvloedt gedrag van de leraar.