ONTWIKKELINGSPSYCHOLOG
IE
Theorie examen 1
2024-2025
Stella Verstraete
,Hoofdstuk 1: Inleiding in de
ontwikkelingspsychologie
1.1. Inleidende vragen en begrippen
Bij de ontwikkeling van het kind: nature-nurture debat
nature: genetische eigenschappen en de daarbij horende rijping
nurture: invloeden vanuit de omgeving, “men is zo geworden”
Omgevingsinvloeden spelen doorgaans een sterkere rol wanneer ze extremer zijn en dit meestal in
negatieve zin:
Bv: pesten → negatief zelfbeeld
Bv: weinig taal → taalontwikkeling
Wat is ontwikkelingspsychologie?
Ontwikkeling is een complex samenspel van aanleg en milieu én van zelfsturing
Gevoelige periode (sensitieve periode)
= Een kind is rijp om iets aan te leren (ideale periode om een kind iets aan te leren)
de hersenen zijn rond 3 jaar er klaar voor om bijvoorbeeld een tweede taal te leren
Kwalitatieve benadering:
– stapsgewijs of in sprongen ontwikkelen
– in stadia
Kwantitatieve benadering:
– geleidelijk veranderen (vloeiend)
1.2. Periodes en leeftijden
pg. 26 + 27 vanbuiten kennen
1.3. Een aantal visies op de ontwikkeling van de
kinderen
1.3.1. Psychodynamische benadering
- Invloed van het gezin op de ontwikkeling van het kind
- Ervaringen of trauma’s in kindertijd van cruciaal belang
- Het onbewuste
- Hoe wetenschappelijk te onderzoeken?
Freud: psychoseksuele persoonlijkheidsontwikkeling
Erikson: psychosociale persoonlijkheidsontwikkeling
1
,1.3.2. Behaviorisme
Hoe kan men gedrag aanleren? = een leertheorie
- aandacht voor waarneembaar gedrag
Straffen en belonen zijn belangrijk in opvoeding
Twee vormen werden onderzocht:
1. Klassieke conditionering (= het individu leert een toekomstige gebeurtenis voorspellen)
2. Operante conditionering (= men leert dat gedrag aanleiding geeft tot een bepaald gevolg)
Sociaal leren (Bandura)
- Leren gebeurt ook door observeren en imiteren (imiteren kan leiden tot beloning)
Belang van besef van onze voorbeeldfunctie
1.3.3. Cognitief-wetenschappelijke benadering
= Het cognitivisme richt zich vooral op de vraag hoe mensen denken, waarnemen en informatie
verwerken
Het cognitivisme heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan onze kennis over het verwerven en
integreren van informatie en van de toepassing ervan. Begrippen als kort sensorisch geheugen (KSG),
korte termijngeheugen (KTG), lange termijngeheugen (LTG) en werkgeheugen (WG) danken we aan
deze stroming
1.3.4. Systeembenadering
= gaan ervan uit da gedrag maar begrepen kan worden
wanneer je ook kijkt naar de context waarin dit gedrag zich
stelt (continue interacties tussen allerlei factoren)
1.3.5. Neurowetenschappelijke
benadering
= gedrag wordt bepaald door de werking van de hersenen
(neurale en biochemische factoren)
- Kind zal pas lopen als het er niet alleen lichamelijk maar ook
neuraal klaar voor is
- Kind zal pas leren schrijven als de hersenen er rijp voor zijn
Er wordt met een ‘biologische bril’ naar het gedrag van een kind gekeken
2
, Hoofdstuk 2: de ontwikkeling van
lichamelijke functies en gezondheid
2.2. Erfelijkheid en prenatale ontwikkeling
2.2.1. Chromosomen
Elke lichaamscel bevat 46 chromosomen, gegroepeerd in 23 paren
Maar: zowel de zaadcellen als de eicellen bevatten slechts 23 chromosomen Bevruchting: er
vormt zich een nieuwe cel (= de zygote) met opnieuw 23 paren
Bij elk paar is dus het ene chromosoom afkomstig van de vader en het andere van de moeder
In de zygote zitten alle chromosomen die alle noodzakelijke genetische info bevatten voor groei,
haarkleur, lichaamslengte, lichaamsvorm, temperament, intelligentie, enz.
Het 23ste paar bepaalt het geslacht van het kind
één X-chromosoom van de moeder + één X-chromosoom van de vader = een meisje
één X-chromosoom van de moeder + één Y-chromosoom van de vader = een jongen
Chromosomen bestaan op hun beurt uit lange strengenmoleculen, het DNA
(desoxyribonucleïnezuur) het is op deze strengen dat de genen zich bevinden die een
bepaalde eigenschap van het individu zullen bepalen.
Na ongeveer 8 weken zwangerschap is er:
– een kloppend hartje,
– een primitieve bloedsomloop
– kunnen ogen en oren worden onderscheiden,
– evenals een primitieve ruggengraat,
– armen en benen
Eeneiige of monozygotische tweeling
= Wanneer een tweeling ontstaat uit één bevruchte eicel en een afsplitsing van die eicel in de eerste
twee weken van de zwangerschap, dan spreken we van een eeneiige of monozygotische tweeling
Deze tweelingen hebben hetzelfde DNA en zijn dus genetisch identiek aan elkaar
Twee-eiige of dizygotische tweeling
= Wanneer een tweeling ontstaat uit de bevruchting van 2afzonderlijke eicellen die ongeveer op
hetzelfde moment werden bevrucht
2.2.2. Dominante of recessieve genen
De genen bepalen dus de erflelijke eigenschappen en bestaan uit twee delen: een kopie van de vader
en een kopie van de moeder
de ene kopie kan dominant of overheersend zijn
de andere onderdrukt of recessief
3
IE
Theorie examen 1
2024-2025
Stella Verstraete
,Hoofdstuk 1: Inleiding in de
ontwikkelingspsychologie
1.1. Inleidende vragen en begrippen
Bij de ontwikkeling van het kind: nature-nurture debat
nature: genetische eigenschappen en de daarbij horende rijping
nurture: invloeden vanuit de omgeving, “men is zo geworden”
Omgevingsinvloeden spelen doorgaans een sterkere rol wanneer ze extremer zijn en dit meestal in
negatieve zin:
Bv: pesten → negatief zelfbeeld
Bv: weinig taal → taalontwikkeling
Wat is ontwikkelingspsychologie?
Ontwikkeling is een complex samenspel van aanleg en milieu én van zelfsturing
Gevoelige periode (sensitieve periode)
= Een kind is rijp om iets aan te leren (ideale periode om een kind iets aan te leren)
de hersenen zijn rond 3 jaar er klaar voor om bijvoorbeeld een tweede taal te leren
Kwalitatieve benadering:
– stapsgewijs of in sprongen ontwikkelen
– in stadia
Kwantitatieve benadering:
– geleidelijk veranderen (vloeiend)
1.2. Periodes en leeftijden
pg. 26 + 27 vanbuiten kennen
1.3. Een aantal visies op de ontwikkeling van de
kinderen
1.3.1. Psychodynamische benadering
- Invloed van het gezin op de ontwikkeling van het kind
- Ervaringen of trauma’s in kindertijd van cruciaal belang
- Het onbewuste
- Hoe wetenschappelijk te onderzoeken?
Freud: psychoseksuele persoonlijkheidsontwikkeling
Erikson: psychosociale persoonlijkheidsontwikkeling
1
,1.3.2. Behaviorisme
Hoe kan men gedrag aanleren? = een leertheorie
- aandacht voor waarneembaar gedrag
Straffen en belonen zijn belangrijk in opvoeding
Twee vormen werden onderzocht:
1. Klassieke conditionering (= het individu leert een toekomstige gebeurtenis voorspellen)
2. Operante conditionering (= men leert dat gedrag aanleiding geeft tot een bepaald gevolg)
Sociaal leren (Bandura)
- Leren gebeurt ook door observeren en imiteren (imiteren kan leiden tot beloning)
Belang van besef van onze voorbeeldfunctie
1.3.3. Cognitief-wetenschappelijke benadering
= Het cognitivisme richt zich vooral op de vraag hoe mensen denken, waarnemen en informatie
verwerken
Het cognitivisme heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan onze kennis over het verwerven en
integreren van informatie en van de toepassing ervan. Begrippen als kort sensorisch geheugen (KSG),
korte termijngeheugen (KTG), lange termijngeheugen (LTG) en werkgeheugen (WG) danken we aan
deze stroming
1.3.4. Systeembenadering
= gaan ervan uit da gedrag maar begrepen kan worden
wanneer je ook kijkt naar de context waarin dit gedrag zich
stelt (continue interacties tussen allerlei factoren)
1.3.5. Neurowetenschappelijke
benadering
= gedrag wordt bepaald door de werking van de hersenen
(neurale en biochemische factoren)
- Kind zal pas lopen als het er niet alleen lichamelijk maar ook
neuraal klaar voor is
- Kind zal pas leren schrijven als de hersenen er rijp voor zijn
Er wordt met een ‘biologische bril’ naar het gedrag van een kind gekeken
2
, Hoofdstuk 2: de ontwikkeling van
lichamelijke functies en gezondheid
2.2. Erfelijkheid en prenatale ontwikkeling
2.2.1. Chromosomen
Elke lichaamscel bevat 46 chromosomen, gegroepeerd in 23 paren
Maar: zowel de zaadcellen als de eicellen bevatten slechts 23 chromosomen Bevruchting: er
vormt zich een nieuwe cel (= de zygote) met opnieuw 23 paren
Bij elk paar is dus het ene chromosoom afkomstig van de vader en het andere van de moeder
In de zygote zitten alle chromosomen die alle noodzakelijke genetische info bevatten voor groei,
haarkleur, lichaamslengte, lichaamsvorm, temperament, intelligentie, enz.
Het 23ste paar bepaalt het geslacht van het kind
één X-chromosoom van de moeder + één X-chromosoom van de vader = een meisje
één X-chromosoom van de moeder + één Y-chromosoom van de vader = een jongen
Chromosomen bestaan op hun beurt uit lange strengenmoleculen, het DNA
(desoxyribonucleïnezuur) het is op deze strengen dat de genen zich bevinden die een
bepaalde eigenschap van het individu zullen bepalen.
Na ongeveer 8 weken zwangerschap is er:
– een kloppend hartje,
– een primitieve bloedsomloop
– kunnen ogen en oren worden onderscheiden,
– evenals een primitieve ruggengraat,
– armen en benen
Eeneiige of monozygotische tweeling
= Wanneer een tweeling ontstaat uit één bevruchte eicel en een afsplitsing van die eicel in de eerste
twee weken van de zwangerschap, dan spreken we van een eeneiige of monozygotische tweeling
Deze tweelingen hebben hetzelfde DNA en zijn dus genetisch identiek aan elkaar
Twee-eiige of dizygotische tweeling
= Wanneer een tweeling ontstaat uit de bevruchting van 2afzonderlijke eicellen die ongeveer op
hetzelfde moment werden bevrucht
2.2.2. Dominante of recessieve genen
De genen bepalen dus de erflelijke eigenschappen en bestaan uit twee delen: een kopie van de vader
en een kopie van de moeder
de ene kopie kan dominant of overheersend zijn
de andere onderdrukt of recessief
3