PARTIM: CARDIOLOGIE
1. 2025 CL1 Anamnese en klinisch onderzoek
2. 2025 CL2 Onderzoekstechnieken
3. 2025 CL3 Cardiovasculaire Preventie
4. 2025 CL4 Acuut Coronair Syndroom
Anamnese en Klinisch Onderzoek
1. Anamnese
Ken de pt die voor je zit!
Doel: weten waarom patiënt komt (motief), uitwerken van de specifieke klacht,
antecedenten (cardiaal/niet-cardiaal), risicoprofiel, functionele status (NYHA →
belangrijk voor prognose)), systeemanamnese (andere orgaansystemen checken →
differentiaaldiagnose + (contra) indicaties behandelingen)
Belangrijk: grondige voorgeschiedenis, risicofactoren volledig uitvragen, functionele
mogelijkheden (wat kan iemand nog? Bv wandelen, trappen)
Klachten
Thoracale pijn: aard, plaats, uitstraling, duur, uitlokkende factoren, houding,
begeleidende symptomen (retrosternale pijn = te vaag)
Dyspnoe: orthopneu, paroxysmale nachtelijke dyspneu
o Dys=onaangenaam → onaangename ademhaling
o Orthopneu → meer ongemak in liggende houding, vaak samenhangend met
paroxysmale nachtelijke dyspnoe (kan voorbode zijn vr longoedeem)
Hoest: prikkel- of productief, kan samenhangen met hartfalen.
Hartkloppingen: overslagen, tachycardie, regelmatig/onregelmatig, syncope,
kikkerfenomeen
o “overslagen”=volksmond → hartcontractie die te vroeg komt + pauze
Syncope/vertigo: plotse bewustzijnsverlies, orthostatisch (bij rechtopstaan → vaak
ouderen dr combo medicatie), vasovagaal, epilepsie-differentiaal.
o Amnesie=geheugenverlies
Oedeem: pitting/non-pitting, vesperaal, nocturie(=opstaan om te gaan plassen)
Claudicatio: pijn bij inspanning (etalagebenen), loopafstand.
Thoracale pijn – differentiaal
Cardiaal, aorta, respiratoir, GI (reflux), psychogeen, musculoskeletaal.
Ingedeuken wervel → uitstralende pijn nr borst of reflux geeft branderig gevoel
Cardiovasculair risicoprofiel
Familiaal (mannen <50j, vrouwen <60j met events), roken/nico, hypertensie,
diabetes, dyslipidemie/hypercholesterolemie, obesitas (pt wegen!!),
stress/beroepsanamnese.
Pagina 1 van 72
,Functionele status: NYHA-classificatie (new york health association)
Klasse I: geen beperking
Klasse II: milde beperking, klachten bij inspanning, geen hinder bij rust (moeilijk
klasse 2 inschatting te maken want is afh van wat pt gewoon is te doen)
Klasse III: klachten bij lichte inspanning, sterke beperking inspanningscapaciteit
Klasse IV: klachten in rust (bed gebonden)
Systeemanamnese
Andere aandoeningen, bredere context, contra-indicaties voor therapie (bv. bètablokker bij
astma), risico’s bijwerkingen inschatten (bv als iemand vaak valt moe je die geen
anticoagulantia geven)
2. Klinisch onderzoek
Basis
Lengte en gewicht (echt meten), ademhaling, hartfrequentie, bloeddruk.
Inspectie (huid, V jugularis, cyanose, oedeem, extremiteiten).
Palpatie (ictus cordis, pulsaties).
Auscultatie (hart, longen).
Abdominaal onderzoek (bv. tekenen rechterhartfalen).
Ademhaling
Normaal: 12–18/min.
Tachypneu (>20 → hypoxie/longoedeem), bradypneu (<8)
Verlengd experium → copd, astma cardiale
Cheyne-Stokes (ernstig hartfalen) → periodiek ademhalen, hartfalen
OSAS (vaak in combi met obesitas, snurken → → slechte slaapkwali)
Hartfrequentie & pols
Regelmatig (15s x 4) vs. onregelmatig (60s)
Polsdeficiet: verschil tussen auscultatie en palpatie.
o Oorzaken=vkfibrilliatie, bigeminie
o Bij VKF (voorkamerfibrillatie) kunnen contracties soms zo snel en zwak zijn
dat ze geen voldoende bloeddrukgolf geven → dan hoor je wel een hartslag bij
auscultatie, maar voel je die niet aan de pols → dit verschil heet het
polsdeficiet. Tellen tot 60!
o Waarom voel je sommige slagen niet? Om een polsgolf te voelen moet de
systolische bloeddruk ongeveer ≥ 90 mmHg zijn. Als een contractie te snel
volgt na de vorige → kamer vult zich niet goed → slagvolume klein →
bloeddruk te laag → geen voelbare pols.
o Bigeminie: ritme met om de beurt een normale slag en een extrasystole
Pulskenmerken: pulsus bisferiens (AR), pulsus alternans (LV-disfunctie), pulsus
paradoxus (tamponnade).
Pagina 2 van 72
, Bloeddruk
Meting volgens Korotkov (systole = verschijnen tonen want terug bloed doorheen
slagader, diastole = verdwijnen tonen want laminaire flow)
Correcte techniek: arm op hartniveau, patiënt ontspannen (office vs thuis meting), 3x
meten, bilateraal bij eerste meting.
o Eerst systolische druk schatten via palpatie (oppompen tot 30 mmHg boven
verdwijnen pols).
o Auscultatoir meten met stethoscoop (zachte, egale druk, geen contact met
kledij).
o Druk traag laten dalen (2–3 mmHg per seconde).
o Systolische druk (Pₛ) = bij verschijnen Korotkov-tonen.
o Diastolische druk (P𝒹) = bij verdwijnen tonen (fase 5); bij
kinderen/zwangeren/anemiepatiënten/bejaarden eventueel fase 4 gebruiken.
o 3 metingen over 5 min gespreid.
o Eerste keer: beide armen meten (R+L).
*Fouten: verkeerde cuffmaat, slechte techniek, ritmestoornissen, bijzondere omstandigheden
(zwangerschap, bejaarden → systolische hypertensie).
V. jugularis
Schatting centrale veneuze druk (CVD) → overvulling
Golven (a, c, v) en dalen (x, y).
Belangrijk bij rechterhartfalen (rechter vk en v jug = rechtstreeks verbonden zonder
klep)
Pt in 45 graden op onderzoekstafel, CVD=verhoogd als meer dan 1/2 e vd hals = gevuld
Inspectie
Cyanose: centraal (slijmvliezen, hypoxie, RL shunt), perifeer (vingers/tenen, laag
debiet/cardiale output).
Lipidenstapeling: xanthelasmata, arcus senilis (<50j pathologisch), xanthomen.
Extremiteiten:
o Perifeer vaatlijden: kleurveranderingen bij elevatie (elevatie=wit vs
decubitus=roze)
o Raynaud (2 laatste kootjes = wit), trommelstokvingers (lage O2 in bloed en
horlogeglasnagels, Janeway letsels (endocarditis), blue toe
syndroom(embooltjes, vaak na operatie)
o Oedeem: pitting (putje induwen → hartfalen), lymfoedeem.
o Varices, atrophie blanche(sclerotisch), ulcus cruris.
Perifere pulsaties
→ a radialis/carotis/femoralis/poplitea/dorsalis pedis/tibialis posterior
Type pols Kenmerken / Oorzaken
Normale pols Pulse pressure 30–40 mmHg
Zwakke pols CHF (hartfalen), hypovolemie, aortastenose (AS)
Vinnige pols Koorts, anemie, hyperthyreoïdie, AV-fistel, ductus, aortaregurgitatie
(AR),bradycardie, bejaarde
Pulsus bisferiens Aortaregurgitatie (AR), AS + AR, hypertrofe cardiomyopathie (CMP)
Pagina 3 van 72
, Pulsus alternans Linker ventrikel (LV) dysfunctie, geassocieerd met S₃-galop
Bigeminie Normale en extrasystolen (ES) alternerend (≠ pulsus alternans), irregulair
Pulsus paradoxus Systolische druk daalt >10 mmHg bij inspiratie. Oorzaken: tamponnade,
pericarditis constrictiva, COPD
Enkel-Arm Index (EAI)
Screening atheromatose/perifeer vaatlijden.
Normaal >0.95; <0.9 = perifeer vaatlijden.
EAI < 0.9 → RR 3.3 → 3,3 keer hoger risico op cardiovasculaire mortaliteit
A brachialis en a dorsalis pedis/tibialis posterior
Kritieke ischemie: rustpijn >2 weken of ulcera/gangreen + enkeldruk ≤50 mmHg →
urgent.
Ictus cordis
Normaal in 4e–5e ICR links, medioclaviculair, hier mitralisklep horen
Verplaatsing
o naar onder : LVH
o naar lateraal : LV dilatatie
o parasternaal links : RVH
o varia : dextrocardie, pneumothorax, atelectase
Amplitude
o toename (LVH, magere persoon, afname hyperthyreose, anemie, koorts,...)
o afname (obesitas, emphyseem, hartfalen, spiermassa, borstweefsel,...)
Hartauscultatie
Omgeving & techniek: rustige kamer, goede stethoscoop, rechtstreeks op de huid.
Harttonen best geplaatst in de hartcyclus.
1e toon: sluiten van AV-kleppen (mitralis + tricuspidalis).
2e toon: sluiten van aorta- en pulmonalisklep. Normaal samen, afwijkingen bij
pathologie.
Auscultatieplaatsen:
o M-punt (ictus cordis)
o T-punt: 4e ICR links parasternaal
o A-punt: 2e ICR rechts parasternaal
o P-punt: 2e ICR links parasternaal
3e toon: kort na de 2e toon, door snelle ventrikelvulling. Kenmerkend voor hartfalen
en hoge vullingsdrukken (galopritme).
Intensiteit hartgeruis (1–6):
o 1/6 zeer zacht
o 2/6 zacht maar steeds hoorbaar
o 3/6 matig luid
o 4/6 luid met thrill
o 5–6/6 zeer luid, hoorbaar met of zonder stethoscoop deels los van thorax
→ luisteren naar sluiten van kleppen, extra tonen (3e toon bij hartfalen), geruis (gradatie
1–6), en dit op de juiste auscultatiepunten.
Pagina 4 van 72