Theorie
1. Tijd
1.1 basisbegrippen notenwaarden
wat zijn noten
noten = schriftelijke voorstelling van tonen
geef de onderdelen van een noot
Wat geeft de notenwaarde aan
lengte van noten
o tellen
verhouding tussen de verschillende noten
geef de notenwaarden
,Begrippen
Waardestrepen = streepje die noten verbindt met elkaar
Triool = ritmisch figuur waarbij drie noten van dezelfde waarden uitgevoerd moeten worden
binnen de tijdsduur waar normaalgezien twee noten van deze waarden zouden staan.
Wat doet een punt achter een noot
verlengt de noot met de helft van haar waarden
1.2 tijdtaal
een klankwoord voor elke notenwaarden
1.3 maat en maatstreep
Dubbele
maatstreep
,Kenmerken van de noot na de
maatstreep
beklemtoond
1.4 maatcijfer
wat vertelt het maatcijfer je
hoeveel tellen in elke maat (bovenste)
waarde van elke noot (onderste)
o hele noot
o halve noot
o 4 vierde noot
o Achtste noot
1.4.1 de neermaat
geef de verschillende maten
neermaat
o normaal
o begint met vierde noot
opmaat
o begint niet met een hele maat
o eerste en laatste vormen samen 1 maat
1.5 maatsoorten
1.5.1 de maatsoort twee vierde
synoniem van maatsoort 2/4
stapmaat
kenmerken 2/4 maat
2 noten per maat
Noten duren een vierde tel
symbolen
, 1.5.2 de maatsoort drie vierde
kenmerken 3/4
3 noten per maat
Noten duren een vierde tel
synoniem van maatsoort 3/4
De walsmaat
1.5.3 de maatsoort vier vierde
kenmerken 4/4
4 noten per maat
Noten duren een vierde tel
Notatie
C
1.6 Metrum of cadans
1.7 Ritme
1.8 tempo
Begrippen
Metrum =regelmatig terugkeren van dezelfde klemtonen in de muziek
Ritme = opeenvolging van lange en korte klanken, en van lange en korte rusten
Tempo = de snelheid waarmee je een lied zingt
1.9 articulatie
begrippen
articulatie = manier waarop je klanken of tonen speelt
staccato = kort aangezet worden
portato = los van elkaar aangezet worden
accent = noot accentueren
fermate-teken = blijven aanhouden tot dirigent teken doet
bindboog = je speelt de noten in een adem