ONDERZOEKSONTWERP
HOOFDSTUK 1: PROJECTONTWERP
Onderwerp afbakenen
Kies een duidelijk en afgebakend onderzoeksdomein.
Onderzoeks-
ontwerp
Conceptueel
Vermijd te brede thema’s: focus op een concreet probleem ontwerp
Doelstelling
of fenomeen. Onderzoeksmodel
Vraagstelling
Onderzoeksplaats bepalen
Begripsbepaling
Onderzoekstechnisc
h ontwerp
Onderzoeksmateriaal
Bepaal waar het onderzoek zal plaatsvinden (regio, Onderzoeksstrategie
Onderzoeksplanning
instelling, groep, enz.).
Houd rekening met toegankelijkheid, relevantie en haalbaarheid.
ITERATIEF ONTWERPEN
Onderzoeksontwerp is geen lineair proces.
Het verloopt via een voortdurende heen-en-weergang
tussen idee, uitvoering en herziening.
Bijstellen, herbezinnen en herschrijven zijn normale
onderdelen van het proces.
Nieuwe inzichten → aanpassing van eerdere keuzes
(onderwerp, methode, probleemstelling,…).
HOOFDSTUK 2: DOELSTELLING
Een goede doelstelling is essentieel: bepaalt richting, methode en interpretatie.
De keuze van het onderzoeksprobleem beïnvloedt je denkproces en
invalshoek.
FACTOREN DIE DE KEUZE VAN HET ONDERZOEKSPROBLEEM BEÏNVLOEDEN
1 & 2. POLITIEKE & SOCIALE CONTEXT + WENSEN VAN DE OPDRACHTGEVER
Politieke gebeurtenissen en maatschappelijke trends sturen
onderzoeksagenda’s.
Wetenschappelijke instituten (bv. FWO) voeren langetermijnonderzoek.
Opdrachtgevers (overheden, bedrijven, NGO’s…) sturen vaak “one shot
projects”:
o Tijdgebonden, contextspecifiek onderzoek (bv. veiligheidsgevoel tijdens
corona).
Onderzoekspotentieel ligt bij:
o Universiteiten, hogescholen, privé-studiebureaus.
o Opdrachtgevers: staten, ministeries, gemeenten, bedrijven, regio’s, enz.
o Financiers: wetenschappelijke fondsen zoals FWO.
1
,3. CRIMINOLOGISCH PARADIGMA
= de theoretische traditie of school waarin je werkt.
Voorbeelden:
o Individueel positivisme (biologische theorieën).
o Neo-individueel positivisme (sociale controletheorie).
o Sociaal positivisme (ecologische theorie).
o Marxistische en neo-marxistische theorieën (bv. links realisme).
o Micro-, middle range- en grand theory.
⚠️ Theoretical blindness: te sterk vasthouden aan één theorie kan andere
perspectieven uitsluiten.
4. WAARDEN EN MAATSCHAPPELIJKE PROBLEMEN
Onderzoek is vaak verbonden met maatschappelijke waarden:
o Opvattingen over goed/kwaad, rechtvaardigheid, vrijheid, democratie.
o Bv. standpunt over legalisering van cannabis.
⚠️Spanning tussen maatschappelijk engagement en wetenschappelijke
objectiviteit:
o Persoonlijke overtuigingen mogen interpretatie niet vertekenen.
5. VOORKEUR VOOR EEN METHODE
Kwantitatief perspectief: enkel harde cijfers worden als “wetenschappelijk”
gezien.
Kwalitatief perspectief: interesse in unieke ervaringen en betekenissen.
Voorkeur kan bestaan voor bepaalde data-verzamelings- of
analysemethoden.
⚠️ Reactiviteit: je voorkeur kan beïnvloeden hoe je onderzoek uitvoert of
interpreteert.
6. VOORKEUR VOOR EEN THEORIE
Persoonlijke achtergrond beïnvloedt vaak theoretische voorkeur:
o Geslacht, etnische achtergrond, slachtofferervaringen, persoonlijke
geschiedenis.
⚠️ Eigen betrokkenheid mag niet ten koste gaan van de nodige
wetenschappelijke afstand.
7. WETENSCHAPSFILOSOFISCHE OPVATTINGEN
Gaan over hoe je kennis ziet en wat je als geldig bewijs beschouwt.
Voorbeelden:
o Streef je naar veralgemeenbaarheid of naar unieke, contextgebonden
kennis (bv. enkel voor Gent)?
o De traditie van je onderzoeksgroep of promotor kan je richting sturen.
8. REIKWIJDTE VAN DE STUDIE: “RUIMTE EN TIJD”
Ruimtelijke reikwijdte:
o Focus op individu, kleine groep, gemeenschap of grote populatie?
Tijdsdimensie:
2
, o Momentopname (cross-sectioneel) of vergelijking
doorheen de tijd (longitudinaal)?
9. ZUIVER VS. TOEGEPAST WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Zuiver (fundamenteel) onderzoek:
o Gericht op theorieontwikkeling of het toetsen van hypothesen.
Toegepast onderzoek:
o Gericht op maatschappelijke problemen en beleidseffecten.
o Voorbeelden: actieonderzoek, evaluatieonderzoek, behoeftenonderzoek.
Beide kunnen elkaar aanvullen.
DE PROBLEEMSTELLING
Geeft richting aan het hele onderzoeksproces.
Vaak te veel focus op uitvoering (bovenbouw) en te weinig op planvorming
(onderbouw).
Een goed onderzoek vertrekt van een doordachte theorie:
o “Columbus zwierf niet doelloos rond; hij zeilde westwaarts op basis van een
aannemelijke theorie.”
Vergelijkbaar met het ontwerp van een gebouw: eerst het plan, dan de
uitvoering.
Onderzoeken = doelbewust en methodisch zoeken naar nieuwe kennis via
antwoorden op vooraf gestelde vragen.
HET ONDERZOEKSPLAN
Doel en middelen
Een onderzoeksplan geeft richting (doel) en
beschrijft hoe je dat doel zal bereiken (middelen).
WAAROM EN WAT?
Onderzoeken ≠ studeren
o Onderzoeken: produceren van nieuwe
kennis.
o Studeren: reproduceren van bestaande
kennis.
Waarom → het doel van het onderzoek (de reden
waarom je iets wil weten).
Wat → welke kennis of informatie je nodig hebt om dat doel te bereiken.
Onderzoek = antwoorden zoeken op vooraf gestelde vragen.
3
, VOORBEELDEN VAN ONDERZOEKSPLANNEN
VOORBEELD 1: PARACHUTEMOORD
Geen direct bewijs, maar verdachte wel
schuldig verklaard.
Onderzoeksvragen:
o Waarom dit onderzoeken?
o Heeft de zaak geleid tot criminalisering
in de media?
o Hoe beïnvloedde mediaberichtgeving de
publieke perceptie?
Afgebakend tot nationale kranten (geen internationale focus).
Inhoudsanalyse = kernmethode.
VOORBEELD 2: IMAGO VAN DE POLITIE
Vaststelling: negatief imago bij bevolking.
Doel: nagaan wat de oorzaken en het
ontstaan van dat imago zijn.
Focus op acceptatieprobleem van de
politie.
AFBAKENING VAN MIDDELEN EN TIJD
Hoeveel?
Elk onderzoek is beperkt in:
o Tijd
o Geld
o Menskracht
o Technische hulpmiddelen
→ Houd rekening met realistische grenzen!
Wanneer?
Plan begin- en eindmoment van elke fase.
Maak een tijdschema
voor uitvoering,
analyse en
rapportering.
4
HOOFDSTUK 1: PROJECTONTWERP
Onderwerp afbakenen
Kies een duidelijk en afgebakend onderzoeksdomein.
Onderzoeks-
ontwerp
Conceptueel
Vermijd te brede thema’s: focus op een concreet probleem ontwerp
Doelstelling
of fenomeen. Onderzoeksmodel
Vraagstelling
Onderzoeksplaats bepalen
Begripsbepaling
Onderzoekstechnisc
h ontwerp
Onderzoeksmateriaal
Bepaal waar het onderzoek zal plaatsvinden (regio, Onderzoeksstrategie
Onderzoeksplanning
instelling, groep, enz.).
Houd rekening met toegankelijkheid, relevantie en haalbaarheid.
ITERATIEF ONTWERPEN
Onderzoeksontwerp is geen lineair proces.
Het verloopt via een voortdurende heen-en-weergang
tussen idee, uitvoering en herziening.
Bijstellen, herbezinnen en herschrijven zijn normale
onderdelen van het proces.
Nieuwe inzichten → aanpassing van eerdere keuzes
(onderwerp, methode, probleemstelling,…).
HOOFDSTUK 2: DOELSTELLING
Een goede doelstelling is essentieel: bepaalt richting, methode en interpretatie.
De keuze van het onderzoeksprobleem beïnvloedt je denkproces en
invalshoek.
FACTOREN DIE DE KEUZE VAN HET ONDERZOEKSPROBLEEM BEÏNVLOEDEN
1 & 2. POLITIEKE & SOCIALE CONTEXT + WENSEN VAN DE OPDRACHTGEVER
Politieke gebeurtenissen en maatschappelijke trends sturen
onderzoeksagenda’s.
Wetenschappelijke instituten (bv. FWO) voeren langetermijnonderzoek.
Opdrachtgevers (overheden, bedrijven, NGO’s…) sturen vaak “one shot
projects”:
o Tijdgebonden, contextspecifiek onderzoek (bv. veiligheidsgevoel tijdens
corona).
Onderzoekspotentieel ligt bij:
o Universiteiten, hogescholen, privé-studiebureaus.
o Opdrachtgevers: staten, ministeries, gemeenten, bedrijven, regio’s, enz.
o Financiers: wetenschappelijke fondsen zoals FWO.
1
,3. CRIMINOLOGISCH PARADIGMA
= de theoretische traditie of school waarin je werkt.
Voorbeelden:
o Individueel positivisme (biologische theorieën).
o Neo-individueel positivisme (sociale controletheorie).
o Sociaal positivisme (ecologische theorie).
o Marxistische en neo-marxistische theorieën (bv. links realisme).
o Micro-, middle range- en grand theory.
⚠️ Theoretical blindness: te sterk vasthouden aan één theorie kan andere
perspectieven uitsluiten.
4. WAARDEN EN MAATSCHAPPELIJKE PROBLEMEN
Onderzoek is vaak verbonden met maatschappelijke waarden:
o Opvattingen over goed/kwaad, rechtvaardigheid, vrijheid, democratie.
o Bv. standpunt over legalisering van cannabis.
⚠️Spanning tussen maatschappelijk engagement en wetenschappelijke
objectiviteit:
o Persoonlijke overtuigingen mogen interpretatie niet vertekenen.
5. VOORKEUR VOOR EEN METHODE
Kwantitatief perspectief: enkel harde cijfers worden als “wetenschappelijk”
gezien.
Kwalitatief perspectief: interesse in unieke ervaringen en betekenissen.
Voorkeur kan bestaan voor bepaalde data-verzamelings- of
analysemethoden.
⚠️ Reactiviteit: je voorkeur kan beïnvloeden hoe je onderzoek uitvoert of
interpreteert.
6. VOORKEUR VOOR EEN THEORIE
Persoonlijke achtergrond beïnvloedt vaak theoretische voorkeur:
o Geslacht, etnische achtergrond, slachtofferervaringen, persoonlijke
geschiedenis.
⚠️ Eigen betrokkenheid mag niet ten koste gaan van de nodige
wetenschappelijke afstand.
7. WETENSCHAPSFILOSOFISCHE OPVATTINGEN
Gaan over hoe je kennis ziet en wat je als geldig bewijs beschouwt.
Voorbeelden:
o Streef je naar veralgemeenbaarheid of naar unieke, contextgebonden
kennis (bv. enkel voor Gent)?
o De traditie van je onderzoeksgroep of promotor kan je richting sturen.
8. REIKWIJDTE VAN DE STUDIE: “RUIMTE EN TIJD”
Ruimtelijke reikwijdte:
o Focus op individu, kleine groep, gemeenschap of grote populatie?
Tijdsdimensie:
2
, o Momentopname (cross-sectioneel) of vergelijking
doorheen de tijd (longitudinaal)?
9. ZUIVER VS. TOEGEPAST WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Zuiver (fundamenteel) onderzoek:
o Gericht op theorieontwikkeling of het toetsen van hypothesen.
Toegepast onderzoek:
o Gericht op maatschappelijke problemen en beleidseffecten.
o Voorbeelden: actieonderzoek, evaluatieonderzoek, behoeftenonderzoek.
Beide kunnen elkaar aanvullen.
DE PROBLEEMSTELLING
Geeft richting aan het hele onderzoeksproces.
Vaak te veel focus op uitvoering (bovenbouw) en te weinig op planvorming
(onderbouw).
Een goed onderzoek vertrekt van een doordachte theorie:
o “Columbus zwierf niet doelloos rond; hij zeilde westwaarts op basis van een
aannemelijke theorie.”
Vergelijkbaar met het ontwerp van een gebouw: eerst het plan, dan de
uitvoering.
Onderzoeken = doelbewust en methodisch zoeken naar nieuwe kennis via
antwoorden op vooraf gestelde vragen.
HET ONDERZOEKSPLAN
Doel en middelen
Een onderzoeksplan geeft richting (doel) en
beschrijft hoe je dat doel zal bereiken (middelen).
WAAROM EN WAT?
Onderzoeken ≠ studeren
o Onderzoeken: produceren van nieuwe
kennis.
o Studeren: reproduceren van bestaande
kennis.
Waarom → het doel van het onderzoek (de reden
waarom je iets wil weten).
Wat → welke kennis of informatie je nodig hebt om dat doel te bereiken.
Onderzoek = antwoorden zoeken op vooraf gestelde vragen.
3
, VOORBEELDEN VAN ONDERZOEKSPLANNEN
VOORBEELD 1: PARACHUTEMOORD
Geen direct bewijs, maar verdachte wel
schuldig verklaard.
Onderzoeksvragen:
o Waarom dit onderzoeken?
o Heeft de zaak geleid tot criminalisering
in de media?
o Hoe beïnvloedde mediaberichtgeving de
publieke perceptie?
Afgebakend tot nationale kranten (geen internationale focus).
Inhoudsanalyse = kernmethode.
VOORBEELD 2: IMAGO VAN DE POLITIE
Vaststelling: negatief imago bij bevolking.
Doel: nagaan wat de oorzaken en het
ontstaan van dat imago zijn.
Focus op acceptatieprobleem van de
politie.
AFBAKENING VAN MIDDELEN EN TIJD
Hoeveel?
Elk onderzoek is beperkt in:
o Tijd
o Geld
o Menskracht
o Technische hulpmiddelen
→ Houd rekening met realistische grenzen!
Wanneer?
Plan begin- en eindmoment van elke fase.
Maak een tijdschema
voor uitvoering,
analyse en
rapportering.
4