Mitose en Meiose
Celkern:
- Grootste en meest opvallende organel in de cel
- Besturingscentrum en meest actieve deel van de cel
- Bepaalt de structuur en de functies van de cel
- Bevat de genetische informatie voor synthese van elk type eiwit in
de cel (100.000 in het menselijk genoom)
Structuur en inhoud van de celkern
- Meestal 1 kern
- uitzonderingen: spiercel: tientallen, rode bloedcel: geen
Structuur
- kernmembraan bestaat uit een dubbele membraan, omgeeft de kern
en vormt de scheiding tussen de vloeibare inhoud, het kernplasma
(nucleoplasma) en het cytosol.
- nucleoplasma of kernplasma (bevat ionen, H2O, nucleotides -
bouwstenen van DNA en RNA, eiwitten)
- kernlichaampje(s) of nucleoli: zijn organellen waar de synthese van
ribosomaal RNA (rRNA) gebeurt.
Communicatie tussen kern en cytoplasma gebeurt via poriën in de
kernmembraan
deze subeenheden kunnen door de poriën van het kernmembraan
heen het cytoplasma in om vervolgens functionerende ribosomen te
vormen.
Om deze reden zijn ze het meest opvallend in cellen die grote
hoeveelheden eiwitten produceren, zoals spier-en levercellen
In het DNA in de celkern liggen de instructies voor de eiwitsynthese
opgeslagen; het DNA bevindt zich in de chromosomen.
- De kernen van de lichaamscellen van de mens bevatten 23 paar
chromosomen
- Één van de moeder, één van de vader
, elk chromosoom bevat DNA-
strengen die rond eiwitten zijn
gewikkeld: histonen
het DNA en histonen vormen een
complex dat een nucleosoom
genoemd wordt.
De mate waarin het DNA stevig
is opgerold, bepaalt of het
chromosoom lang en dun is, of
kort en dik is
In cellen die zich niet meer
kunnen delen zijn de
nucleosomen losjes opgerold
en vormen ze een kluwen van
fijne filamenten: chromatine
Chromosomen in een delende
cel bevatten heel compact
opgerold DNA.
Informatieopslag in de celkern
- DNA = code voor ons genetisch materiaal = code voor eiwitten
- Eiwitten bestaan uit aminozuren die in een bepaalde volgorde
gecodeerd zijn in het DNA
- DNA is uniek per individu (behalve bij 1-eiige tweelingen)
- Vier bases: adenine, thymine, cytosine en guanine
- Drie bases (triplet) in een welbepaalde volgorde coderen voor één
aminozuur
- Gen: een functionele eenheid van erfelijkheid: reeks tripletten nodig
voor vorming van één welbepaald eiwit (met start en stop signaal)
DNA- vingerafdruk:
, - Elke lichaamscel met een celkern heeft een set van 46
chromosomen die gelijk is aan de set chromosomen in de cel die bij
de bevruchting is ontstaan
- Niet alle DNA van deze chromosoom codeert echter voor eiwitten,
binnen het DNA dat niet voor eiwitten codeert, bevinden zich stukjes
dat short tandem repeats wordt genoemd.
- Kleine verschillen in je DNA die zichtbaar gemaakt kunnen worden.
- Informatie uit een DNA- vingerafdruk wordt gebruikt om mensen
te veroordelen
Elk DNA-molecule bevat duizenden genen waarin de informatie is
opgeslagen die nodig is voor de synthese van duizenden eiwitten. Deze
genen zijn normaal strak opgerold en aan histonen gebonden.
Histonen verhinderen dat ze worden geactiveerd, waardoor de synthese
van eiwitten wordt tegengegaan.
Het proces van de eiwitsynthese wordt opgesplitst in 2 onderdelen:
- Transcriptie, vindt plaats in de celkern
- Translatie, vindt plaats in het cytoplasma
Transcriptie = het overschrijven van DNA naar RNA
1. DNA ligt in de celkern: je DNA bevat alle bouwplannen voor je
lichaam. Maar het DNA zelf blijft veilig in de celkern
2. Een enzym maakt een kopie: van één stukje DNA, alleen het gen
dat nodig is wordt “gelezen”
3. Die kopie heet mRNA: soort briefje met de instructies om een
eiwit te maken
4. Het mRNA verlaat de celkern: het gaat naar een ribosoom waar
stap 2 gebeurd.
Celkern:
- Grootste en meest opvallende organel in de cel
- Besturingscentrum en meest actieve deel van de cel
- Bepaalt de structuur en de functies van de cel
- Bevat de genetische informatie voor synthese van elk type eiwit in
de cel (100.000 in het menselijk genoom)
Structuur en inhoud van de celkern
- Meestal 1 kern
- uitzonderingen: spiercel: tientallen, rode bloedcel: geen
Structuur
- kernmembraan bestaat uit een dubbele membraan, omgeeft de kern
en vormt de scheiding tussen de vloeibare inhoud, het kernplasma
(nucleoplasma) en het cytosol.
- nucleoplasma of kernplasma (bevat ionen, H2O, nucleotides -
bouwstenen van DNA en RNA, eiwitten)
- kernlichaampje(s) of nucleoli: zijn organellen waar de synthese van
ribosomaal RNA (rRNA) gebeurt.
Communicatie tussen kern en cytoplasma gebeurt via poriën in de
kernmembraan
deze subeenheden kunnen door de poriën van het kernmembraan
heen het cytoplasma in om vervolgens functionerende ribosomen te
vormen.
Om deze reden zijn ze het meest opvallend in cellen die grote
hoeveelheden eiwitten produceren, zoals spier-en levercellen
In het DNA in de celkern liggen de instructies voor de eiwitsynthese
opgeslagen; het DNA bevindt zich in de chromosomen.
- De kernen van de lichaamscellen van de mens bevatten 23 paar
chromosomen
- Één van de moeder, één van de vader
, elk chromosoom bevat DNA-
strengen die rond eiwitten zijn
gewikkeld: histonen
het DNA en histonen vormen een
complex dat een nucleosoom
genoemd wordt.
De mate waarin het DNA stevig
is opgerold, bepaalt of het
chromosoom lang en dun is, of
kort en dik is
In cellen die zich niet meer
kunnen delen zijn de
nucleosomen losjes opgerold
en vormen ze een kluwen van
fijne filamenten: chromatine
Chromosomen in een delende
cel bevatten heel compact
opgerold DNA.
Informatieopslag in de celkern
- DNA = code voor ons genetisch materiaal = code voor eiwitten
- Eiwitten bestaan uit aminozuren die in een bepaalde volgorde
gecodeerd zijn in het DNA
- DNA is uniek per individu (behalve bij 1-eiige tweelingen)
- Vier bases: adenine, thymine, cytosine en guanine
- Drie bases (triplet) in een welbepaalde volgorde coderen voor één
aminozuur
- Gen: een functionele eenheid van erfelijkheid: reeks tripletten nodig
voor vorming van één welbepaald eiwit (met start en stop signaal)
DNA- vingerafdruk:
, - Elke lichaamscel met een celkern heeft een set van 46
chromosomen die gelijk is aan de set chromosomen in de cel die bij
de bevruchting is ontstaan
- Niet alle DNA van deze chromosoom codeert echter voor eiwitten,
binnen het DNA dat niet voor eiwitten codeert, bevinden zich stukjes
dat short tandem repeats wordt genoemd.
- Kleine verschillen in je DNA die zichtbaar gemaakt kunnen worden.
- Informatie uit een DNA- vingerafdruk wordt gebruikt om mensen
te veroordelen
Elk DNA-molecule bevat duizenden genen waarin de informatie is
opgeslagen die nodig is voor de synthese van duizenden eiwitten. Deze
genen zijn normaal strak opgerold en aan histonen gebonden.
Histonen verhinderen dat ze worden geactiveerd, waardoor de synthese
van eiwitten wordt tegengegaan.
Het proces van de eiwitsynthese wordt opgesplitst in 2 onderdelen:
- Transcriptie, vindt plaats in de celkern
- Translatie, vindt plaats in het cytoplasma
Transcriptie = het overschrijven van DNA naar RNA
1. DNA ligt in de celkern: je DNA bevat alle bouwplannen voor je
lichaam. Maar het DNA zelf blijft veilig in de celkern
2. Een enzym maakt een kopie: van één stukje DNA, alleen het gen
dat nodig is wordt “gelezen”
3. Die kopie heet mRNA: soort briefje met de instructies om een
eiwit te maken
4. Het mRNA verlaat de celkern: het gaat naar een ribosoom waar
stap 2 gebeurd.