Rechtspsychologie en Forensisch bewijs – MET4008
Josette Bosker – i6367900
Whitney Hintzen – i6243205
Sander Peters – i6169517
Datum: 18/12/2024
1000 woorden
, 1.
1. Maximalisatie van het delict: De verhoorder benadrukt hoe ernstig het gepleegde delict is en wijst
op de zware consequenties. Hij stelt dat het om zeer ernstige zaken gaat, die verdachte serieus moet
nemen, omdat het niet alledaags is. Dit wijst op het belang om “de waarheid” te vertellen, hetgeen in
de ogen van verhoorder bekennen betekent. Hij wijst op de zware straffen (gevolgen), zoals “dertig
jaar tot levenslang” bij moord en betrokkenheid daarbij. Hiermee probeert de verhoorder schuldgevoel
en druk op te wekken bij de verdachte, ondanks de mogelijkheid dat deze onschuldig is. 1
2. Ongeloof uiten (investigator bias): De verhoorder maakt duidelijk dat er sterk bewijs is tegen
verdachte, zoals het telefoonnummer en het toestel dat bij hem thuis is gevonden. Hij doet alsof de
schuld van verdachte vaststaat en onderbreekt hem telkens wanneer deze ontkent, bijvoorbeeld door te
zeggen “het is toch allemaal heel raar” en zijn toon te verheffen. Hierdoor krijgt de verdachte
nauwelijks de ruimte om in te grijpen en zijn eigen verhaal te vertellen. Ontkenningen worden direct
afgedaan als onmogelijk, zonder ruimte voor een vrije verklaring. 2
3. Verdachte onzeker maken: De verhoorder suggereert dat verdachte veel problemen heeft door het
bewijs dat tegen hem zou spreken en stelt dat verdachte dit zelf ook wel zal merken. Deze
manipulatieve techniek kan het gebruik van vals bewijs inhouden waarmee ze de verdachte willen
confronteren om zo een bekentenis te ontlokken uit angst. Het lijkt erop dat de verklaring van
verdachte cruciaal is, wat suggereert dat er mogelijk onvoldoende hard bewijs is. Verdachte krijgt
geen kans om te verklaren hoe het gevonden bewijs aan hem gelinkt kan worden. Op het einde van het
verhoor, na de bekentenis, haalt de ondervrager aan dat bij de herroeping van de bekentenis, de jury
hem alleen maar zou uitlachen. Dit wijst ook weer op het onzeker maken van verdachte. 3
4. Het stellen van suggestieve vragen door verhoorder: De verhoorder legt hetgeen hij wil horen en
wil krijgen (een bekentenis) al in de mond van de verdachte. Verhoorder stelt zelf de hele bekentenis
voor het proces-verbaal op alsof het de woorden van verdachte zijn, terwijl dit in wezen niet het geval
is. Verdacht antwoordt namelijk enkel steeds met, “ja”. Als de verhoorder uiteindelijk de bekentenis
heeft verkregen (en verdachte meegaat in het verhaal van de ondervrager), wordt verdachte hiervoor
gecomplimenteerd. Na de verklaring mag de druk van de verhoorder omlaag. Dit zien we terug
doordat de ondervrager van toon verandert (een stuk vriendelijker) na de bekentenis. Hij zegt; ‘je zult
wel opgelucht zijn, je hoeft in ieder geval niet meer te liegen’. Alles met een positieve lading, zodat
de verdachte het gevoel krijgt het juiste gedaan te hebben. 4
5. Verdachte overtuigen: Om te voorkomen dat de verdachte zijn verklaring aanpast, probeert de
verhoorder hem hiervan te weerhouden door in te praten op zijn onzekerheid. Hij benadrukt dat
niemand hem zal geloven als hij nu met een ander verhaal komt en dat hij er dan helemaal alleen voor
zal staan. Zelfs als hij vanaf dit moment honderd keer beweert dat alles gelogen is, zal volgens de
verhoorder geen enkel mens hem geloven. Dit overtuigen blijkt ook uit opmerkingen zoals: ‘Maak
jezelf niet belachelijk’.5
2.
1 Kassin et al. 2010, p. 12.
2 Narchet et al. 2011, p. 453.
3 Kassin 2017, p. 3-4.
4 Kassin et al. 2003, p.189-191.
5 Appleby and Kassin 2016, p. 128-130 & 132-133.
1