Strafrecht in de praktijk
Hoofdstuk 2 Inleiding Materieel Strafrecht
2.1 Plaats en structuur van strafbepalingen
Het materiële strafrecht kijkt welke menselijke gedragingen strafbaar zijn en welke sancties op het
plegen van een bepaald strafbaar feit dienen te volgen. Het formele strafrecht bevat voorschriften
die omschrijven hoe de strafrechtelijke procedure dient te verlopen strafprocesrecht. In het
wetboek van strafrecht staat het materiële strafrecht en in het wetboek van strafvordering het
formeel strafrecht.
Beiden staan vastgelegd in de wet.
Strafbepaling:
Delictsomschrijving beschrijving aan de verboden gedraging. (Bestaat uit bestanddelen)
Kwalificatie-aanduiding de juridische titel, hoe wordt het genoemd
Sanctienorm (strafbedreiging) de straf die men krijgt op het moment dat hij aan
bovenstaande voldoet.
2.2 De opbouw va het strafbare feit in vier componenten
Wanneer is een gedraging strafbaar?
Aan de eis van strafbaarheid is slechts voldaan als:
Er sprake is van een menselijke gedraging
Die valt onder de delictsomschrijving
Die wederrechtelijk is
En aan schuld te wijten is
De menselijke gedraging
Er moet iets gebeurd zijn en dat moet ook bewust gedaan zijn door het menselijke individu. In de
tenlastelegging moet naar voren komen van welke gedraging het individu verdacht wordt.
Delictsomschrijving
De delictsomschrijving wijst gedrag aan dat strafbaar is. Gedragingen zijn pas strafbaar als ze in de
wet als strafbaar worden aangemerkt. Welke straf mag worden opgelegd bij overtreding van de
delictsomschrijving wordt bepaald door de sanctienorm.
Wederrechtelijkheid
Het moet ook in strijdt zijn met het recht. Een daad moet niet alleen in strijd zijn met de letter van
de wet, maar ook met het recht. Kan de strafbare daad worden gerechtvaardigd? (Je mag niet
zwemmen, redt een verdrinkend jongentje.)
1
,Aan schuld te wijten
De persoon van de dader moet een verwijt kunnen worden gemaakt van zijn gedrag, hij moet schuld
hebben aan de daad. Kan de verdachte het gedrag vermijden? Zo ja dan verwijtbaar. Er is geen
schulduitsluitingsgrond.
Er zijn twee vormen van strafuitsluitingsgronden:
Schulduitsluitingsgronden haalt de schuld weg.
Rechtvaardigingsgronden haalt de wederrechtelijkheid weg.
2.3 legaliteit en interpretatie
Strafbepalingen moeten altijd in het geschreven recht terug te vinden zijn. Naast de nationale
wetten kan de gemeente ook bepaalde gedragingen strafbaar stellen in de algemene plaatselijke
verordening. Wegens het legaliteitsbeginsel moet de rechter ook altijd de kwalificatie benoemen.
Wel is er bij artikelen ruimte voor interpretatie hiervoor zijn verschillende methoden;
Wetshistorische interpretatie er wordt gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis
van de bepaling in kwestie.
Grammaticale interpretatie taalkundige betekenis van woorden in de desbetreffende
bepaling gelet op zinsverband.
Systematische interpretatie systematiek van de wet
Theologische interpretatie wat is het doel van de wet
2.4 Bestanddelen en elementen
Bestanddelen
Bestanddelen zijn voorwaarden voor de strafbaarheid die in de wettelijke delictsomschrijving terug
te vinden zijn. Losse componenten binnen de delictsomschrijving.
Delictsomschrijving
Elementen
Voorwaarden voor de strafbaarheid die niet zijn opgenomen in een wettelijke delictsomschrijving:
Wederrechtelijkheid
Verwijtbaarheid
Het belang van het onderscheid tussen de twee bovenstaande zit hem in het bewijsrecht. De
aanwezigheid van elementen wordt in beginsel bij een strafbaar feit verondersteld. Het vervullen
hiervan hoeft niet bewezen te worden, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat dit niet is
gebeurd.
2.5 Wederrechtelijkheid als bestanddeel: een moeilijk geval
In een aantal wetten is de wederrechtelijkheid als bestanddeel opgenomen in de wet.
Voorbeeld: vernieling van de autoruit omdat de autosleutels in de auto zitten.
Er wordt een strafbaar feit gepleegd maar dit is niet in strijd met het recht
rechtvaardigheidsgrond.
2
,2.6 Soorten delicten
Misdrijven en overtredingen
Strafbare feiten zijn onder te verdelen in misdrijven en overtredingen. Of het een misdrijf of een
overtreding is hangt af van de ernst van het strafbare feit. Meestal zijn misdrijven het ernstigere feit.
In het wetboek van strafrecht:
Boek twee misdrijf
Boek drie overtreding
Het onderscheid is om verschillende redenen van belang:
Procesrechtelijke reden: de indeling naar misdrijven en overtredingen bepaalt welk soort
rechter bevoegd is om kennis te nemen van een zaak. (Absolute competentie)
Poging tot overtreding en medeplichtigheid aan overtreding zijn niet strafbaar, beide zijn wel
strafbaar als het om een misdrijf gaat.
Toepassing van dwangmiddelen (aftappen telefoon) mogen enkel in het geval van een
verdenking van een misdrijf.
Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten
In beide situatie wordt er een extra deel toegevoegd aan delictsomschrijvingen bijzondere
strafbepaling. Deze heeft dan een extra bestanddeel:
Gekwalificeerde delicten een strafverzwarend bestanddeel
Geprivilegieerde delicten à een strafverlichtend bestanddeel
Hoofdstuk 3 Opzet en schuld
3
, 3.2 opzet
Met opzet wordt bedoeld dat de dader zich bewust is geweest van zijn handeling en dit ook heeft
gewild. Bij opzet handelt men willens en wetens.
Er zijn drie gradaties van opzet:
1. Oogmerk
2. Opzet bij zekerheidsbewustzijn
3. Voorwaardelijke opzet
Oogmerk (willens en wetens, opzet met bedoeling)
Het oogmerk is de zwaarste schuldvorm; het uitvoeren van een bepaalde handeling omdat men
ervan overtuigd is dat een beoogd gevolg vervolgens ook daadwerkelijk zal intreden. Men doet dat
met het volle besef van zijn eigen wil en de strekking van zijn handelen.
Opzet met zekerheidsbewustzijn
Men heeft een ander doel, maar weet dat het andere gevolg kan gebeuren en accepteert dit. (Wil 1
leraar te grazen nemen, maar accepteert dat de andere leraren ook de dupe zullen zijn.
Voorwaardelijke opzet (287 doodslag, vaak is dat voorwaardelijke opzet)
Het aanvaarden van de kans dat het gevolg intreedt, het op de koop toenemen (toets) (naar
beneden laten vallen)
De situatie waarin iemand kon inzien dat het gevolg dat hij niet beoogde wel zou intreden en hij
desondanks zijn handeling voortzette. De dader gaat onverschillig om met het mogelijke gevolg. Of
er daadwerkelijk sprake is van deze vorm van opzet is afhankelijk van de specifieke feiten en
omstandigheden van het geval. Het volgende wordt hoe dan ook geïmpliceerd:
Voorwaardelijke opzet kent 3 componenten (onderdelen):
1. Een aanmerkelijke kans op een bepaald strafbaar gevolg of strafbare omstandigheid.
(Risicocomponent, een onverschillige of cynische houding ten opzichte van het
gevolg)
2. De dader heeft wetenschap van deze aanmerkelijke kans. (Kenniscomponent,
willens en wetens handelen)
3. De dader heeft deze aanmerkelijke kans aanvaard/ op de koop toegenomen.
(Wilscomponent, aanvaarden dat er een aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg
intreedt)
De aanmerkelijke kans
De hoge raad oordeelt dat de vraag of er sprake is van een aanmerkelijke kans dat een bepaalde
gedraging een gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval waarbij
de betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is
verricht.
Oogmerk ziet op het naastgelegen doel
Oogmerk ziet op het naastgelegen doel en niet op het uiteindelijke doel. (Vrouw die kleed steelt
omdat ze niet mag ruilen).
4
Hoofdstuk 2 Inleiding Materieel Strafrecht
2.1 Plaats en structuur van strafbepalingen
Het materiële strafrecht kijkt welke menselijke gedragingen strafbaar zijn en welke sancties op het
plegen van een bepaald strafbaar feit dienen te volgen. Het formele strafrecht bevat voorschriften
die omschrijven hoe de strafrechtelijke procedure dient te verlopen strafprocesrecht. In het
wetboek van strafrecht staat het materiële strafrecht en in het wetboek van strafvordering het
formeel strafrecht.
Beiden staan vastgelegd in de wet.
Strafbepaling:
Delictsomschrijving beschrijving aan de verboden gedraging. (Bestaat uit bestanddelen)
Kwalificatie-aanduiding de juridische titel, hoe wordt het genoemd
Sanctienorm (strafbedreiging) de straf die men krijgt op het moment dat hij aan
bovenstaande voldoet.
2.2 De opbouw va het strafbare feit in vier componenten
Wanneer is een gedraging strafbaar?
Aan de eis van strafbaarheid is slechts voldaan als:
Er sprake is van een menselijke gedraging
Die valt onder de delictsomschrijving
Die wederrechtelijk is
En aan schuld te wijten is
De menselijke gedraging
Er moet iets gebeurd zijn en dat moet ook bewust gedaan zijn door het menselijke individu. In de
tenlastelegging moet naar voren komen van welke gedraging het individu verdacht wordt.
Delictsomschrijving
De delictsomschrijving wijst gedrag aan dat strafbaar is. Gedragingen zijn pas strafbaar als ze in de
wet als strafbaar worden aangemerkt. Welke straf mag worden opgelegd bij overtreding van de
delictsomschrijving wordt bepaald door de sanctienorm.
Wederrechtelijkheid
Het moet ook in strijdt zijn met het recht. Een daad moet niet alleen in strijd zijn met de letter van
de wet, maar ook met het recht. Kan de strafbare daad worden gerechtvaardigd? (Je mag niet
zwemmen, redt een verdrinkend jongentje.)
1
,Aan schuld te wijten
De persoon van de dader moet een verwijt kunnen worden gemaakt van zijn gedrag, hij moet schuld
hebben aan de daad. Kan de verdachte het gedrag vermijden? Zo ja dan verwijtbaar. Er is geen
schulduitsluitingsgrond.
Er zijn twee vormen van strafuitsluitingsgronden:
Schulduitsluitingsgronden haalt de schuld weg.
Rechtvaardigingsgronden haalt de wederrechtelijkheid weg.
2.3 legaliteit en interpretatie
Strafbepalingen moeten altijd in het geschreven recht terug te vinden zijn. Naast de nationale
wetten kan de gemeente ook bepaalde gedragingen strafbaar stellen in de algemene plaatselijke
verordening. Wegens het legaliteitsbeginsel moet de rechter ook altijd de kwalificatie benoemen.
Wel is er bij artikelen ruimte voor interpretatie hiervoor zijn verschillende methoden;
Wetshistorische interpretatie er wordt gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis
van de bepaling in kwestie.
Grammaticale interpretatie taalkundige betekenis van woorden in de desbetreffende
bepaling gelet op zinsverband.
Systematische interpretatie systematiek van de wet
Theologische interpretatie wat is het doel van de wet
2.4 Bestanddelen en elementen
Bestanddelen
Bestanddelen zijn voorwaarden voor de strafbaarheid die in de wettelijke delictsomschrijving terug
te vinden zijn. Losse componenten binnen de delictsomschrijving.
Delictsomschrijving
Elementen
Voorwaarden voor de strafbaarheid die niet zijn opgenomen in een wettelijke delictsomschrijving:
Wederrechtelijkheid
Verwijtbaarheid
Het belang van het onderscheid tussen de twee bovenstaande zit hem in het bewijsrecht. De
aanwezigheid van elementen wordt in beginsel bij een strafbaar feit verondersteld. Het vervullen
hiervan hoeft niet bewezen te worden, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat dit niet is
gebeurd.
2.5 Wederrechtelijkheid als bestanddeel: een moeilijk geval
In een aantal wetten is de wederrechtelijkheid als bestanddeel opgenomen in de wet.
Voorbeeld: vernieling van de autoruit omdat de autosleutels in de auto zitten.
Er wordt een strafbaar feit gepleegd maar dit is niet in strijd met het recht
rechtvaardigheidsgrond.
2
,2.6 Soorten delicten
Misdrijven en overtredingen
Strafbare feiten zijn onder te verdelen in misdrijven en overtredingen. Of het een misdrijf of een
overtreding is hangt af van de ernst van het strafbare feit. Meestal zijn misdrijven het ernstigere feit.
In het wetboek van strafrecht:
Boek twee misdrijf
Boek drie overtreding
Het onderscheid is om verschillende redenen van belang:
Procesrechtelijke reden: de indeling naar misdrijven en overtredingen bepaalt welk soort
rechter bevoegd is om kennis te nemen van een zaak. (Absolute competentie)
Poging tot overtreding en medeplichtigheid aan overtreding zijn niet strafbaar, beide zijn wel
strafbaar als het om een misdrijf gaat.
Toepassing van dwangmiddelen (aftappen telefoon) mogen enkel in het geval van een
verdenking van een misdrijf.
Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten
In beide situatie wordt er een extra deel toegevoegd aan delictsomschrijvingen bijzondere
strafbepaling. Deze heeft dan een extra bestanddeel:
Gekwalificeerde delicten een strafverzwarend bestanddeel
Geprivilegieerde delicten à een strafverlichtend bestanddeel
Hoofdstuk 3 Opzet en schuld
3
, 3.2 opzet
Met opzet wordt bedoeld dat de dader zich bewust is geweest van zijn handeling en dit ook heeft
gewild. Bij opzet handelt men willens en wetens.
Er zijn drie gradaties van opzet:
1. Oogmerk
2. Opzet bij zekerheidsbewustzijn
3. Voorwaardelijke opzet
Oogmerk (willens en wetens, opzet met bedoeling)
Het oogmerk is de zwaarste schuldvorm; het uitvoeren van een bepaalde handeling omdat men
ervan overtuigd is dat een beoogd gevolg vervolgens ook daadwerkelijk zal intreden. Men doet dat
met het volle besef van zijn eigen wil en de strekking van zijn handelen.
Opzet met zekerheidsbewustzijn
Men heeft een ander doel, maar weet dat het andere gevolg kan gebeuren en accepteert dit. (Wil 1
leraar te grazen nemen, maar accepteert dat de andere leraren ook de dupe zullen zijn.
Voorwaardelijke opzet (287 doodslag, vaak is dat voorwaardelijke opzet)
Het aanvaarden van de kans dat het gevolg intreedt, het op de koop toenemen (toets) (naar
beneden laten vallen)
De situatie waarin iemand kon inzien dat het gevolg dat hij niet beoogde wel zou intreden en hij
desondanks zijn handeling voortzette. De dader gaat onverschillig om met het mogelijke gevolg. Of
er daadwerkelijk sprake is van deze vorm van opzet is afhankelijk van de specifieke feiten en
omstandigheden van het geval. Het volgende wordt hoe dan ook geïmpliceerd:
Voorwaardelijke opzet kent 3 componenten (onderdelen):
1. Een aanmerkelijke kans op een bepaald strafbaar gevolg of strafbare omstandigheid.
(Risicocomponent, een onverschillige of cynische houding ten opzichte van het
gevolg)
2. De dader heeft wetenschap van deze aanmerkelijke kans. (Kenniscomponent,
willens en wetens handelen)
3. De dader heeft deze aanmerkelijke kans aanvaard/ op de koop toegenomen.
(Wilscomponent, aanvaarden dat er een aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg
intreedt)
De aanmerkelijke kans
De hoge raad oordeelt dat de vraag of er sprake is van een aanmerkelijke kans dat een bepaalde
gedraging een gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval waarbij
de betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is
verricht.
Oogmerk ziet op het naastgelegen doel
Oogmerk ziet op het naastgelegen doel en niet op het uiteindelijke doel. (Vrouw die kleed steelt
omdat ze niet mag ruilen).
4