Klinisch beeld Obsessies en compulsies, ontstaat tussen 7,5-12,5 jaar.
Dimensies dwang zijn symmetrie, verboden gedachtes (agressief/seksueel/religieus), smetvrees en verzameldrang.
Etiologie Biologisch model: genen en hersenanatomie (auto-immuunrespons op infectie PANDAS).
Cognitief model: interpreteren van normale intrusieve gedachten als verantwoordelijk voor schade.
Twee-fasen-model: koppeling angst aan situatie (niet empirisch) en bekrachtiging uitvoeren compulsie (empirisch).
TAF: gedachten en gedrag worden als gelijkwaardig beschouwd.
- Waarschijnlijkheids-TAF: ongewenste gedachten vergroten de kans op nadelige gebeurtenissen.
- Morele-TAF: ongewenste gedachten zijn gelijk aan de actie.
Magisch denken: overtuiging dat gedachten invloed hebben op niet-gerelateerde gebeurtenissen.
Meta-cognitief model: overtuigingen over betekenis en gevolgen van intrusies.
Rol ouders etiologie Geen oorzaak, maar wel invloed via familieaccommodatie (deelname aan compulsies en helpen bij vermijding).
Behandeling + theorie Psycho-educatie bij milde klachten.
CGT + ERP: cognitieve gedragstherapie in combinatie met exposure met responspreventie.
ACT: leren omgaan met obsessies zonder ertegen te vechten.
Medicatie (SSRI).
Interventies/protocollen SPACE (7-14 jaar): ouders leren steun vergroten, grenzen stellen en minder meegaan in problematiek.
Cognitive Bias Modification (CBM; vanaf 7 jaar): computertraining gericht op het veranderen van disfunctionele interpretaties.
Technieken Psycho-educatie, cognitieve herstructurering (disfunctionele gedachten opsporen, uitdagen en vervangen) en inhibitorisch leren
(nieuwe associaties worden belangrijker).
Effectiviteit CGT + ERP: tot wel 18 maanden effectief.
SSRI: matig, maar beter in combinatie met CGT.
SPACE: bewezen effectief.
Rol ouders behandeling Ouders als co-therapeut (hulp bij exposure oefeningen en motivator) en psycho-educatie voor ouders.
Sekse Jongens vroegere onset, maar geen verschil in behandeling.
Transdiagnostiek en Perfectionisme, emotieregulatie en cognitieve stijl.
comorbiditeit Angstproblemen, depressie, ASS, ADHD, tics en eetproblemen.
, Eetproblemen
Klinisch beeld Eetstoornis: emoties, gedachten en gedrag rondom eten, gewicht en lichaamsbeeld (AN; BN; obesitas, binge-eating).
Voedingsstoornis: specifieke voedingspatronen en problemen (selectiviteit/afkeer) rondom eten (Pica, Ruminatie, AFRID).
Etiologie Multifactorieel bepaald middels predisponerende (aanleg), uitlokkende (perfectionisme) en instandhoudende (biologisch,
psychologisch, sociaal) factoren.
Rol ouders etiologie Geen eenduidig bewijs dat opvoeding een directe oorzaak is, maar psychische problematiek en verhoogde emotional expression
(kritiek, vijandigheid, overbescherming) kunnen van invloed zijn. De stress is vergelijkbaar met stress bij een ernstige ziekte.
Behandeling + theorie Altijd eerst (acute) lichamelijke gezondheid verbeteren en compensatiegedrag stoppen.
Family Based Treatment (FBT): poliklinische behandeling gericht op gewichtsherstel, teruggeven autonomie en herstellen
familiedynamiek (externaliseren stoornis, coaching en empowerment).
Multi-Family Treatment (MFT): gezinnen delen ervaringen met elkaar en leren sterke kanten benutten
Systemic Family Therapy (SyFT): verbetering interactiepatronen tussen ouder en kind.
Adolescent-Focused Therapy (AFT): gericht op onderliggende emotionele- en ontwikkelingsproblemen (opbouwen
therapeutische relatie, aanleren nieuwe strategieën en consolidatie).
Parent-Focused Treatment (PFT): behandeling van de ouders alleen.
Intensive Parental Coaching (IPC): veranderen ouderlijke zelfredzaamheid.
Interventies/protocollen -
Technieken Psycho-educatie en maaltijdcoaching.
Effectiviteit FBT: meeste bewijs effectiviteit. Minder klinische bedden, maar veel terugval (eerste keus behandeling adolescenten).
MFT: onderbouwd, na 6 maanden hoger BMI.
SyFT: effectief, maar trager en duurder dan FBT
AFT: effectief (tweede keus behandeling adolescenten).
CGT: lijkt minder effectief.
Rol ouders behandeling Ouders zijn co-therapeut, moeten de regie omtrent eten in handen nemen en spelen een belangrijke rol in herstel
Sekse AN vaker bij meisjes, onduidelijk of er een verschil is in behandeling.
Transdiagnostiek en Transdiagnostisch model: perfectionisme, negatief kern zelfbeeld, stemmingsintolerantie (minder negatieve gevoelens kunnen
comorbiditeit verdragen), interpersoonlijke problemen (sociaal contact) en overevaluatie van lichaamsvormen.
AN vaak comorbiditeit met ASS.
- Ondervoeding beïnvloed denken en doen waardoor kenmerken van ASS kunnen ontstaan.
- Verlate diagnose ASS bij meisjes maakt hen kwetsbaar voor ontwikkeling van AN.
Depressie en angststoornis.