Les 1: De Franse revolutie (1789-1799)
Fase 1
Het Ancien Regime: De Standenmaatschappij
1. De Standenmaatschappij
In Frankrijk vóór de revolutie (18e eeuw) was de samenleving verdeeld in drie standen:
1. De geestelijkheid (1e stand) – priesters, bisschoppen, enz.
2. De adel (2e stand) – edellieden met privileges.
3. De derde stand – iedereen die niet tot de adel of geestelijkheid behoorde (boeren, arbeiders, burgers).
Je werd in een stand geboren en kon daar niet uit ontsnappen. Je afkomst bepaalde dus je rechten, plichten en kansen in het leven.
M
2. De Vorst is de staat
De koning (zoals Lodewijk XIV) had absolute macht. Hij besliste alles: “L’État, c’est moi” — “De staat, dat ben ik.”
Er was geen democratie en geen rechten voor de burgers.
- Er was één staatsgodsdienst (het katholicisme).
→ Geen vrijheid van geloof of mening.
- Wetten waren niet gelijk voor iedereen: elke stand had eigen regels en straffen.
M
3. Privatisering van maatschappelijke taken
De overheid deed niet alles zelf. Veel zaken werden lokaal geregeld (privaat gereguleerd), door de kerk of door ambachten:
- Reizen kon alleen met aanbevelingsbrieven van bijvoorbeeld je pastoor.
- Werken mocht alleen via corporaties (beroepsverenigingen).
→ Zij bepaalden wie een beroep mocht uitoefenen, hoeveel loon je kreeg, enz.
De staat besteedt overheidstaken uit aan de kerk
Er was een nauwe samenwerking (‘verstrengeling’) tussen kerk en staat:
- De kerk gaf de koning legitimiteit (ze zei dat zijn macht van God kwam).
- In ruil kreeg de kerk macht en verantwoordelijkheden, zoals:
o Onderwijs
o Ziekenzorg en armenzorg
o Burgerlijke stand (huwelijken, geboortes, overlijdens)
Maar de kerk sloot anderen uit:
- Andersgelovigen (protestanten, joden, ongelovigen) werden slechts getolereerd.
- Gemengde huwelijken waren verboden.
- Begraafplaatsen waren gescheiden:
o Katholieken op gewijde grond.
o “Verdoemden” (zelfmoordenaars, ongelovigen) in aparte kuilen.
o Joden hadden hun eigen begraafplaatsen.
De staat besteedt overheidstaken uit aan het dorp, ambachten…
De koning kende zijn onderdanen niet persoonlijk. De lokale gemeenschap (het dorp, de pastoor, het ambacht) wist wie je was.
• Er bestonden geen identiteitsbewijzen of paspoorten zoals nu.
→ Men herkende elkaar via familie, kerk of beroep.
• “Vreemden” vielen op en werden met wantrouwen bekeken.
1
,Louis XIV: L’état c’est moi (maar zonder veel (fiscale) macht)
Lodewijk XIV had absolute politieke macht, maar weinig fiscale (belasting)macht.
• De belastingen waren indirect, zoals de zoutbelasting (gabelle).
• Hoeveel je moest betalen hing af van:
o je stand (adel en geestelijkheid betaalden vaak minder),
o je regio,
o en de belastingpachters die het geld inden voor de koning.
De koning benoemde zijn ambtenaren zelf, waardoor hij het bestuur strak in de hand hield — maar corruptie en ongelijkheid bleven groot.
Fase 2
De neergang van het Ancien Regime
1. De Zevenjarige Oorlog (1756–1763)
Frankrijk verloor deze dure oorlog tegen Engeland.
→ Gevolg: het land had een enorme schuldenberg.
Koning Lodewijk XVI wilde de schulden aflossen door nieuwe belastingen in te voeren. Maar:
- De adel en geestelijkheid weigerden te betalen.
- Daardoor moest de koning het parlement (États Généraux) bijeenroepen in 1789.
→ Dit parlement bestond uit de drie standen (adel, geestelijkheid en de derde stand).
2. De Franse Revolutie (1789)
Het begin van de revolutie
De Derde Stand (het gewone volk) voelde zich onderdrukt en eiste inspraak.
Zij riepen zichzelf uit tot de Nationale Vergadering, die wetten wilde maken en de koning beperken.
→ Er ontstond een constitutionele monarchie (de koning deelt de macht met het volk).
Van monarchie naar democratie
De Nationale Vergadering stelde een systeem van democratie in:
- Directe inspraak: burgers beslissen zelf (bijv. via volksstemmen).
- Indirecte inspraak: burgers kiezen vertegenwoordigers.
3. De Franse republiek (1793)
- De koning probeerde te vluchten en een contrarevolutie te beginnen.
→ Hij werd gearresteerd en onthoofd.
- De Rooms-Katholieke Kerk verzette zich tegen de revolutie.
→ De staat nationaliseerde (onteigende) al haar bezittingen.
De revolutie breidde ook de rechten van burgers uit:
- Iedereen kreeg gelijke rechten.
- Sociale rechten werden belangrijker (recht op werk, onderwijs, verdediging via de Levée en Masse = volksleger).
2
, Iedereen gelijk voor de wet, maar politieke rechten enkel voor onafhankelijke mannen
De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (1789)
“La Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen”
M
De kern van de nieuwe samenleving:
- De wet is de uitdrukking van het algemeen belang.
- Iedereen mag meebeslissen over die wet.
- Iedereen is gelijk voor de wet.
Nieuwe, eerlijke belastingen
De revolutie verving oneerlijke indirecte belastingen (zoals de zoutbelasting) door directe belastingen:
M
Soort belasting Uitleg
Grondbelasting gebaseerd op eigendom van grond (met kadaster als register)
Personele belasting gebaseerd op inkomen of bezit
Patentbelasting belasting op beroepen of handelsactiviteiten
Erfenisrecht erfgenamen verdelen eerlijker; niet enkel de oudste zoon krijgt alles – vrouwen kregen ook meer rechten
Controle en organisatie
- Paspoorten (1793) ingevoerd: staatscontrole op mobiliteit.
- Frankrijk werd hervormd in 83 gelijke departementen in plaats van het oude, ongelijk verdeelde lappendeken.
De staat en zijn ambtenaren
- Ambtenaren werden voortaan verkozen door het volk, niet benoemd door de koning.
- De overheid begon zelf bankbiljetten uit te geven (1789–1796), omdat geld dringend nodig was.
o Deze biljetten waren gedekt door kerkelijke goederen.
o De overheid drukte echter te veel geld, wat leidde tot inflatie (geld werd minder waard).
De Staat maakt de vrije markt mogelijk
De revolutie wilde vrije concurrentie en individuele vrijheid in de economie.
Afschaffing van de oude ambachten en corporaties
- Wet d’Allarde (1791) → Afschaffing van de corporaties (beroepsverenigingen).
- Wet Le Chapelier (1791) → Verbod op beroepsorganisaties die vrije concurrentie beperkten.
→ Vakbonden waren dus verboden.
Gevolg: de arbeidsmarkt werd gebaseerd op individuele contracten tussen werknemer en werkgever, zonder overheidsinmenging.
Directe juridische relatie tussen individu en staat
De revolutie wilde af van het oude idee van standen.
Iedereen moest een gelijk staatsburger worden binnen één natie.
Nieuwe instellingen:
- Burgerlijke stand opgericht: officiële registratie van geboorte, huwelijk en overlijden (voor iedereen, niet via de kerk).
- Nationaliteit (burgerschap) werd de basis van je identiteit.
3