1.3. Hoe beschrijf ik een zegel?
In dit hoofdstuk bespreken we een mogelijk analyse-stappenplan om op het examen toe te passen. Mogelijks krijgen we op het
examen een zegel te zien. Maak e. onderscheid tss het ‘veld’ (waar het zegel met tekst en iconografie op staat) en het ‘randschrift’
of ‘legende’ (m.n. het omringende gedeeld, waar de titulatuur v/d zegelaar op wordt afgebeeld). Hoe analyseer je het?
1. Bespreking v/d METADATA v/h ZEGEL en eventueel TEGENZEGEL dat gedrukt staat op de achterkant v/h document: we kijken
dus naar de auteur, datum en archiefverwijzing van het document zelf.
▪ Vermelden de bezitter v/h zegel en de data waarbinnen het zegel (of beter de matrijs) gebruikt werd (indien gekend):
dit zijn de termini ante en post quem.
▪ Bespreking matrijs (als voorhanden) en materiaal waaruit het gemaakt is. Is het bol- of komvormig (scueau of cuvette)?
2. Bespreking v/d UITERLIJKE KENMERKEN v/h ZEGEL, gedrukt met door e. spec. matrijs. M.a.w. gaat het hier over de
eigenschappen die overeenkomstig zijn aan alle zegels gemaakt met die spec. matrijs.
▪ De vorm v/h zegel varieert. De bul is altijd rond. De wassen zegels zijn aanvankelijk rond en ovaal. Vanaf de 11de
eeuw komt voor rechtstaande beeltenissen v. prelaten/lekenvorsten ook de ogivaal of spitsovaal voor. Sinds de 13de
eeuw ook het driekantig/schildvormig zegel.
▪ De legende/omschrift op het zegel. Deze geeft meestal de naam en de hoedanigheid v/d zegelaar en is in
diplomatisch opzicht vergelijkbaar met de intitulatio v/d oorkonde. De legende is meestal gescheiden v/h veld door
een rand, die een parelrand kan zijn.
▪ De beschrijving v/h zegel (evt. de afmetingen) over welk iconografisch beeld er te zien valt. # mogelijkheden…
➢ Portret- of beeldzegels, waar e. man/vrouw/bisschop/abt op afgebeeld staat: borstbeeld, rechtstaand
beeld, zittend beeld of (krijgs/jacht) ridderzegel.
➢ Wapenzegels, zie vooral interessant zijn voor de heraldische informatie die men erop kan terugvinden.
➢ Figuurlijke of verhalende zegels zijn niet aan één persoon gebonden, maar eerder aan e. instelling, stad,
waar e. bepaalde afbeelding te zien valt. Deze afbeelding toonde de essentie v/d stad/instelling.
▪ … economische figuren: schip of kogge, ambacht, nar, wijnzak
▪ … historische- en topografische afbeeldingen: burcht, kasteel, stadsomwalling, stadstorens…
▪ … hagiografische figuren: Petrus en Paulus (paus), patroonheilige v/e stad
2. Bespreking v/h AFDRUKSEL, m.n. de eigenschappen v/h zegel dat aan het document hangt. Dit omvat # aspecten.
▪ De zegelstof en de kleur = Deze was voor de ME hoofdzakelijk kleurloze was, maar kon voorkomen in # kleuren, zoals
rood en groen. Welke betekenis had deze?
➢ … metaal: in Zuid-Europa wordt vooral metaal gebruikt aangezien het beter tegen de warmte kon, zoals
lood, goud, zilver en brons.
➢ … bijenwas, vermengd met harsstof, lijnzaad en haar om het te versterken. Kleurstoffen duiken pas op
begin 12de eeuw. Achteraf werd het zegel nog met vernis afgewerkt.
➢ … zegellak = mengsel v. pijnhars, krijt en kleurstoffen. Dit werd initieel enkel gebruikt voor zegeling v.
brieven, vanaf de 17de eeuw. Vooral in de Spaanse Nederlanden in de 16de eeuw.
➢ … ouwel of oblaat = een dun schijfje gebakken en zuiver tarwemeel (‘hostiezegel’) vanaf de 16 de eeuw
voor het verzegelen v. brieven. Dit luidde de intro in v. de droge stempel in de 17 de eeuw.
▪ De wijze v. aanhechting met vermelding v/d zegelaars. Er kunnen immers # methodes toegepast worden waarop e.
zegel vastgehecht kan worden aan de oorkonde, mandement etc. De ereplaats is uiterst links. Bij een zeer groot
aantal zegels worden 3 of 4 zijden van de oorkonde gebruikt.
➢ … opgedrukt zegel (sceau plaqué) spreekt voor zich: het is gedrukt op het document, waarin eerst
insnijdingen gemaakt werden. Vooral in de vroege ME (Karolingers); later toepassing v. ouwelzegels.
➢ … aanhangend zegel (sceau attaché) is vastgemaakt aan uitgeknipt deel v/d drager in enkele staart (zoals
mandamenten. Dit is niet duurzaam (i.t.t. dubbele staart) want scheurt snel af.
➢ … uithangend zegel (sceau pendant) is vastgemaakt aan de drager via leder, zijde, hennep en uiteindelijk
perkament (vanaf 12de eeuw); kleur volgens vaste afspraken.
▪ Het eventueel tegenzegel (contre-sceau) aanvankelijk waren wassen zegels enkel op één zijde gedrukt. Dit was
logischerwijs het geval bij de opgedrukte zegels.
o … dubbelzijdige zegel met zowel e. hoofd- als rugbeeld (contre-sceau) is typisch voor de 13de eeuw. Het
hoofdzegel is groter. Het doel v/h tegenzegel: namaken moeilijker maken, en verleende e. garantie v.
authenticiteit, en liet de zegeldrager toe het gebruik v. z’n zegel te controleren.
o … onder-zegel (sous-sceau) is e. afdruk v/e kleiner type vanwege e. rechter aangebracht op dezelfde staart
als het hoofdzegel (o.a. v/e rechtbank).
Als laatste moet je steeds de staat van bewaring bespreken en afsluiten met de referenties: het eventuele afgietsel (moulage),
een foto en de gebruikte literatuur.
In dit hoofdstuk bespreken we een mogelijk analyse-stappenplan om op het examen toe te passen. Mogelijks krijgen we op het
examen een zegel te zien. Maak e. onderscheid tss het ‘veld’ (waar het zegel met tekst en iconografie op staat) en het ‘randschrift’
of ‘legende’ (m.n. het omringende gedeeld, waar de titulatuur v/d zegelaar op wordt afgebeeld). Hoe analyseer je het?
1. Bespreking v/d METADATA v/h ZEGEL en eventueel TEGENZEGEL dat gedrukt staat op de achterkant v/h document: we kijken
dus naar de auteur, datum en archiefverwijzing van het document zelf.
▪ Vermelden de bezitter v/h zegel en de data waarbinnen het zegel (of beter de matrijs) gebruikt werd (indien gekend):
dit zijn de termini ante en post quem.
▪ Bespreking matrijs (als voorhanden) en materiaal waaruit het gemaakt is. Is het bol- of komvormig (scueau of cuvette)?
2. Bespreking v/d UITERLIJKE KENMERKEN v/h ZEGEL, gedrukt met door e. spec. matrijs. M.a.w. gaat het hier over de
eigenschappen die overeenkomstig zijn aan alle zegels gemaakt met die spec. matrijs.
▪ De vorm v/h zegel varieert. De bul is altijd rond. De wassen zegels zijn aanvankelijk rond en ovaal. Vanaf de 11de
eeuw komt voor rechtstaande beeltenissen v. prelaten/lekenvorsten ook de ogivaal of spitsovaal voor. Sinds de 13de
eeuw ook het driekantig/schildvormig zegel.
▪ De legende/omschrift op het zegel. Deze geeft meestal de naam en de hoedanigheid v/d zegelaar en is in
diplomatisch opzicht vergelijkbaar met de intitulatio v/d oorkonde. De legende is meestal gescheiden v/h veld door
een rand, die een parelrand kan zijn.
▪ De beschrijving v/h zegel (evt. de afmetingen) over welk iconografisch beeld er te zien valt. # mogelijkheden…
➢ Portret- of beeldzegels, waar e. man/vrouw/bisschop/abt op afgebeeld staat: borstbeeld, rechtstaand
beeld, zittend beeld of (krijgs/jacht) ridderzegel.
➢ Wapenzegels, zie vooral interessant zijn voor de heraldische informatie die men erop kan terugvinden.
➢ Figuurlijke of verhalende zegels zijn niet aan één persoon gebonden, maar eerder aan e. instelling, stad,
waar e. bepaalde afbeelding te zien valt. Deze afbeelding toonde de essentie v/d stad/instelling.
▪ … economische figuren: schip of kogge, ambacht, nar, wijnzak
▪ … historische- en topografische afbeeldingen: burcht, kasteel, stadsomwalling, stadstorens…
▪ … hagiografische figuren: Petrus en Paulus (paus), patroonheilige v/e stad
2. Bespreking v/h AFDRUKSEL, m.n. de eigenschappen v/h zegel dat aan het document hangt. Dit omvat # aspecten.
▪ De zegelstof en de kleur = Deze was voor de ME hoofdzakelijk kleurloze was, maar kon voorkomen in # kleuren, zoals
rood en groen. Welke betekenis had deze?
➢ … metaal: in Zuid-Europa wordt vooral metaal gebruikt aangezien het beter tegen de warmte kon, zoals
lood, goud, zilver en brons.
➢ … bijenwas, vermengd met harsstof, lijnzaad en haar om het te versterken. Kleurstoffen duiken pas op
begin 12de eeuw. Achteraf werd het zegel nog met vernis afgewerkt.
➢ … zegellak = mengsel v. pijnhars, krijt en kleurstoffen. Dit werd initieel enkel gebruikt voor zegeling v.
brieven, vanaf de 17de eeuw. Vooral in de Spaanse Nederlanden in de 16de eeuw.
➢ … ouwel of oblaat = een dun schijfje gebakken en zuiver tarwemeel (‘hostiezegel’) vanaf de 16 de eeuw
voor het verzegelen v. brieven. Dit luidde de intro in v. de droge stempel in de 17 de eeuw.
▪ De wijze v. aanhechting met vermelding v/d zegelaars. Er kunnen immers # methodes toegepast worden waarop e.
zegel vastgehecht kan worden aan de oorkonde, mandement etc. De ereplaats is uiterst links. Bij een zeer groot
aantal zegels worden 3 of 4 zijden van de oorkonde gebruikt.
➢ … opgedrukt zegel (sceau plaqué) spreekt voor zich: het is gedrukt op het document, waarin eerst
insnijdingen gemaakt werden. Vooral in de vroege ME (Karolingers); later toepassing v. ouwelzegels.
➢ … aanhangend zegel (sceau attaché) is vastgemaakt aan uitgeknipt deel v/d drager in enkele staart (zoals
mandamenten. Dit is niet duurzaam (i.t.t. dubbele staart) want scheurt snel af.
➢ … uithangend zegel (sceau pendant) is vastgemaakt aan de drager via leder, zijde, hennep en uiteindelijk
perkament (vanaf 12de eeuw); kleur volgens vaste afspraken.
▪ Het eventueel tegenzegel (contre-sceau) aanvankelijk waren wassen zegels enkel op één zijde gedrukt. Dit was
logischerwijs het geval bij de opgedrukte zegels.
o … dubbelzijdige zegel met zowel e. hoofd- als rugbeeld (contre-sceau) is typisch voor de 13de eeuw. Het
hoofdzegel is groter. Het doel v/h tegenzegel: namaken moeilijker maken, en verleende e. garantie v.
authenticiteit, en liet de zegeldrager toe het gebruik v. z’n zegel te controleren.
o … onder-zegel (sous-sceau) is e. afdruk v/e kleiner type vanwege e. rechter aangebracht op dezelfde staart
als het hoofdzegel (o.a. v/e rechtbank).
Als laatste moet je steeds de staat van bewaring bespreken en afsluiten met de referenties: het eventuele afgietsel (moulage),
een foto en de gebruikte literatuur.