FISCAAL RECHT: PERSONENBELASTING
INLEIDING
Het fiscaal recht hoort thuis onder het publiek recht. Het gaat hier over een relatie tussen de overheid en
personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen omtrent het betalen van belastingen.
Belastingen worden opgesplitst in 2 grote groepen:
Directe belastingen: Belastingen op het inkomen van een persoon. Iedereen wordt geacht een inkomen/
vermogen te hebben. (Kan ook niets of zelfs negatief zijn). Deze wordt jaarlijks aan de fiscus overgemaakt via
een aangiftebiljet.
Directe belastingen (inkomstenbelasting) kent 4 takken:
2 GROTEN
1. Personenbelastingen: Belasting op inkomen van natuurlijke personen.
2. Vennootschapsbelastingen: Belasting op inkomen van vennootschappen (rechtspersonen)
2KLEINTJES
3. Rechtspersoonbelasting: Belasting op inkomen van personen zonder rechtspersoonlijkheid (bv
VZW’s)
4. Belasting niet-inwoner: Belasting op inkomen voor personen die in België handel drijven maar
er niet wonen.
Indirecte belastingen: Belastingen op juridische gebeurtenissen/ rechtsfeiten die taksabel zijn. De overheid
beslist op welke feiten ze belastingen gaan heffen. (Bv: Belastingen op het uitbaten van ‘ontuchthuizen’ op de
Luikersteenweg in Sint-Truiden)
SOORTEN:
1. BTW : leveringen goederen / diensten
2. erfbelasting : belasting op erfenis
3. accijnzen : taks op “schadelijke producten” (tabak, alcohol,…)
4. registratierecht: belasting op overdracht op onroerende goederen
5. verkeersbelasting: belasting voertuig
6. BIV: belasting op de inverkeersstelling
Indirecte belastingen zijn in tegenstelling tot directe belastingen niet jaarlijks worden pas geint als je een
bepaald feit verricht. Het ‘als…dan’ verhaal
bv: ALS je rookt en sigaretten koopt DAN wordt je dmv accijnzen belastALS je een
auto hebt DAN betaal je verkeersbelastingen. Etc…
1
,1
2
,BASISBEGINSELEN
HOOFDSTUK 1: BEGRIP EN KENMERKEN VAN DE BELASTING
BEGRIP
Belasting= Een bijdrage die volgens bepaalde rechtsregels door de overheid wordt opgelegd met het oog op
het verzamelen van financiële middelen die nodig zijn om uitgaven te doen in het algemeen belang en voor
zover die bijdrage bij wet of decreet als belasting wordt erkend. (Cassatierechtspraak, staat niet in de wet)
KENMERKEN
Om een belasting te zijn met het voldoen aan 2 voorwaarden:
HET FINANCIEEL DOEL:
Belastingen worden gebruikt voor het dekken van overheidsuitgaven. Hier ligt de nadruk op de algemene
draagwijdte van die belastingen. Ze worden gebruikt voor financiering van diensten van openbaar nut en er
bestaat dus geen rechtstreekse tegenprestatie voor de betaler. Hij weet niet wat er met zijn belastinggeld zal
gefinancierd worden.
Als een heffing bestemd is om een door de overheid verstrekte dienst te laten vergoeden door degene die
de dienst heeft gebruikt is er geen sprake van belasting maar wel van een retributie. Bij een retributie is er
wel sprake van een rechtstreekse tegenprestatie en de betaler weet ook wat er met zijn bijdrage gebeurd.
Vb retributie: Een parkeerboete (retributiebon). Hier weet de betaler wat de overheid met de boete zal doen:
Het parkeerbeleid te voeren zoals parkeerwachters betalen. (Tip: Enkel een retributiebon betalen als je
aangetekende brief in de bus krijgt.)
HET DWINGEND KARAKTER:
Belastingen worden eenzijdig door een overheid opgelegd. Dit moet gebeuren volgens afdwingbare
rechtsregels. Bij niet- naleving kan de belastingplichtige gesanctioneerd kunnen worden. Er bestaan zo twee
soorten sancties: Administratief (Fod. Financiën) en strafrechtelijke sancties (parket).
Ontvangsten van de overheid die niet voldoen aan beide kenmerken worden niet beschouwd als
belasting.
Voorbeelden: Retributies, inkomsten uit vervreemding of verpachting, inkomgelden van musea, parafiscale
heffingen…
Retributies zijn geen belastingen! Waar een belasting een verplichte betaling aan de overheid is met het doel
uitgaven van algemeen nut te financieren, is een retributie meer een vergoeding voor een geïndividualiseerde
dienstverlening vanwege de overheid die daarbij over een juridisch of feitelijke monopolie beschikt.
-rechtstreekse tegenprestatie van openbare instelling
-persoonlijk voordeel voor gebruiker
Voorbeelden: Tolgelden, parkeerboetes, taksen inzake uitvindingsoctrooien…
3
, 2
4
INLEIDING
Het fiscaal recht hoort thuis onder het publiek recht. Het gaat hier over een relatie tussen de overheid en
personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen omtrent het betalen van belastingen.
Belastingen worden opgesplitst in 2 grote groepen:
Directe belastingen: Belastingen op het inkomen van een persoon. Iedereen wordt geacht een inkomen/
vermogen te hebben. (Kan ook niets of zelfs negatief zijn). Deze wordt jaarlijks aan de fiscus overgemaakt via
een aangiftebiljet.
Directe belastingen (inkomstenbelasting) kent 4 takken:
2 GROTEN
1. Personenbelastingen: Belasting op inkomen van natuurlijke personen.
2. Vennootschapsbelastingen: Belasting op inkomen van vennootschappen (rechtspersonen)
2KLEINTJES
3. Rechtspersoonbelasting: Belasting op inkomen van personen zonder rechtspersoonlijkheid (bv
VZW’s)
4. Belasting niet-inwoner: Belasting op inkomen voor personen die in België handel drijven maar
er niet wonen.
Indirecte belastingen: Belastingen op juridische gebeurtenissen/ rechtsfeiten die taksabel zijn. De overheid
beslist op welke feiten ze belastingen gaan heffen. (Bv: Belastingen op het uitbaten van ‘ontuchthuizen’ op de
Luikersteenweg in Sint-Truiden)
SOORTEN:
1. BTW : leveringen goederen / diensten
2. erfbelasting : belasting op erfenis
3. accijnzen : taks op “schadelijke producten” (tabak, alcohol,…)
4. registratierecht: belasting op overdracht op onroerende goederen
5. verkeersbelasting: belasting voertuig
6. BIV: belasting op de inverkeersstelling
Indirecte belastingen zijn in tegenstelling tot directe belastingen niet jaarlijks worden pas geint als je een
bepaald feit verricht. Het ‘als…dan’ verhaal
bv: ALS je rookt en sigaretten koopt DAN wordt je dmv accijnzen belastALS je een
auto hebt DAN betaal je verkeersbelastingen. Etc…
1
,1
2
,BASISBEGINSELEN
HOOFDSTUK 1: BEGRIP EN KENMERKEN VAN DE BELASTING
BEGRIP
Belasting= Een bijdrage die volgens bepaalde rechtsregels door de overheid wordt opgelegd met het oog op
het verzamelen van financiële middelen die nodig zijn om uitgaven te doen in het algemeen belang en voor
zover die bijdrage bij wet of decreet als belasting wordt erkend. (Cassatierechtspraak, staat niet in de wet)
KENMERKEN
Om een belasting te zijn met het voldoen aan 2 voorwaarden:
HET FINANCIEEL DOEL:
Belastingen worden gebruikt voor het dekken van overheidsuitgaven. Hier ligt de nadruk op de algemene
draagwijdte van die belastingen. Ze worden gebruikt voor financiering van diensten van openbaar nut en er
bestaat dus geen rechtstreekse tegenprestatie voor de betaler. Hij weet niet wat er met zijn belastinggeld zal
gefinancierd worden.
Als een heffing bestemd is om een door de overheid verstrekte dienst te laten vergoeden door degene die
de dienst heeft gebruikt is er geen sprake van belasting maar wel van een retributie. Bij een retributie is er
wel sprake van een rechtstreekse tegenprestatie en de betaler weet ook wat er met zijn bijdrage gebeurd.
Vb retributie: Een parkeerboete (retributiebon). Hier weet de betaler wat de overheid met de boete zal doen:
Het parkeerbeleid te voeren zoals parkeerwachters betalen. (Tip: Enkel een retributiebon betalen als je
aangetekende brief in de bus krijgt.)
HET DWINGEND KARAKTER:
Belastingen worden eenzijdig door een overheid opgelegd. Dit moet gebeuren volgens afdwingbare
rechtsregels. Bij niet- naleving kan de belastingplichtige gesanctioneerd kunnen worden. Er bestaan zo twee
soorten sancties: Administratief (Fod. Financiën) en strafrechtelijke sancties (parket).
Ontvangsten van de overheid die niet voldoen aan beide kenmerken worden niet beschouwd als
belasting.
Voorbeelden: Retributies, inkomsten uit vervreemding of verpachting, inkomgelden van musea, parafiscale
heffingen…
Retributies zijn geen belastingen! Waar een belasting een verplichte betaling aan de overheid is met het doel
uitgaven van algemeen nut te financieren, is een retributie meer een vergoeding voor een geïndividualiseerde
dienstverlening vanwege de overheid die daarbij over een juridisch of feitelijke monopolie beschikt.
-rechtstreekse tegenprestatie van openbare instelling
-persoonlijk voordeel voor gebruiker
Voorbeelden: Tolgelden, parkeerboetes, taksen inzake uitvindingsoctrooien…
3
, 2
4