Week 1
JC H1, 3, 5, 9
H1
Verschil tussen wat wel en niet als (jeugd)criminaliteit wordt opgevat. (al dan niet)
geregistreerd en (al dan niet) vervolgd, raakt aan een ander kenmerkend probleem
waar de criminologie voor staat -> dark number, pakkans en selectie.
Enorm verschil tussen werkelijke aard en omvang van de criminaliteit en wat we
daarvan terugzien in de cijfers en in de strafrechtspleging.
- politie niet in staat om alles vast te stellen, op te pakken en te registreren. Meeste
delicten worden niet opgemerkt door politie.
- pakkans is vooral bij jongeren bijzonder gering.
- Relatieve onschuld en het wenig ernstige karakter van de feiten.
-selectie: niet altijd aangifte of melden.
- ander soort selectie: witteboordencriminaliteit komt weinig voor in de cijfers van de
politie -> voor andere ministeries.
- politie richt zich vooral op wangedrag van mensen die ze rekent tot een van haar
‘doelgroepen’. ,igratieachtergrond en jongens vs meisjes.
- daarna selectiemoment in doorsturen naar halt of naar om, daarna selectiemoment
met vervolgen of niet en daarna kan de rechter kiezen. Maar de criminoloog doet ook
aan selectie (kattenkwaad vs misdaad).
1.2 drie bronnen
We krijgen het meest betrouwbare beeld van de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit
als we ons baseren op de cijfers van de politie met mogelijke aanvulling van het OM,
zelfrapportages onder jongeren en slachtofferenquêtes. Op zichzelf zijn deze
bronnen onvoldoende betrouwbare info.
- politiecijfers:
Voor zover de media en politiek zich baseren op cijfers betreft dat doorgaans
uitsluitend cijfers van de politie. Echter, de cijfers van de politie zeggen betrekkelijk
weinig over de vraag of er sprake isvan een toename:
- De cijfers worden niet alleen beïnvloed door de meldingsbereidheid van slachtoffers
en getuigen, die erg kan verschillen naargelang de aard van de criminaliteit.
,- Ze worden ook sterk beïnvloed door beleidsprioriteiten. Bovendien kan slechts een
klein deel van de gerapporteerde delicten van jongeren worden opgehelderd. Het
dark number is hoog.
- Misdrijven die zichtbaar zijn (straatcriminaliteit) of als prioriteit fungeren
(geweldcriminaliteit), of daders met een negatieve prognose (allochtonen) hebben
aanzienlijk meer kans om terecht te komen in de politieregistratie.
- Veranderingen in de wetgeving, die meestal het gevolg zijn van verschuivingen in
de maatschappelijke aandacht voor bepaalde vormen van deviant en storend
gedrag, beïnvloeden eveneens de kwalificaties en procedures en dus de
criminaliteitscijfers. Wisselende prioriteit en selectiviteit van de sociale constructie
van jeugdcriminilaiteit. Ook rekening houden met demografische factoren.
zelfrapportages:
Zelfrapportages kunnen een goed beeld geven van:
- De meest voorkomende en dus typerende jeugddelicten: zwartrijden, iemand
uitschelden vanwege huidskleur, te vroeg vuurwerk afsteken, vechten of slaan
zonder verwondingen en graffiti.
- Ze maken ook kenmerkende aspecten van ‘gezonde’ jeugddelinquentie zichtbaar,
namelijk dat het merendeel ervan samen met andere wordt gepleegd en dat alcohol
en drugs daarbij nauwelijks een rol spelen.
- Ten slotte kunnen ze ook een scherp licht werpen op een van de meest
bediscussieerde kwesties: het verband tussen jeugdcriminaliteit, etniciteit en cultuur.
Nederlandse en Vlaamse zelfrapportageonderzoek laten nauwelijks verschillen zien
tussen autochtone en allochtone jongeren.
Beperkingen zelfrapportage
Aan de andere kant kent zelfrapportage ook belangrijke beperkingen. Een van de
problemen bij dit onderzoek is dat men slechts een beperkt aantal delicten in de
enquête kan opnemen. Bovendien zijn sommige daders moeilijker te bereiken met de
gebruikelijke enquêtemethoden. Het zwaarst weegt echter het feit dat dergelijke
rapportages geen goed beeld geven van de ernst van de delicten, in termen van
schade en gevolgen voor mogelijke slachtoffers. Zelfrapportages zijn waarschijnlijk
het minst betrouwbaar bij geweldsdelicten.
Slachtofferenquêtes
Slachtofferenquêtes geven wel een goede indruk van de ontwikkeling van het aantal
slachtoffers van misdrijven, maar ze hebben eveneens een aantal serieuze
beperkingen.
- Ten eerste geven ze uiteraard geen uitsluitels over de leeftijd van de daders.
,- Ten tweede worden stijgingen en dalingen ervan waarschijnlijk voor een deel
veroorzaakt door toe- of afname van meldingsbereidheid van het publiek.
- En ten derde worden die voor een belangrijk deel veroorzaakt door toe- of afname
van de bereidheid bij politie om een proces-verbaal op te maken.
Onderzoeker signaleren hier een prestatie-paradox, hoe beter de politie haar werk
doet, des te meer criminaliteit er lijk te zijn.
1.3 toename of afname
Media en politiek creëren een gevoel van urgentie rond jeugd die het verkeerde pad
op dreigt te gaan, daardoor ontstaat er bij het publiek de indruk dat jeugdcriminaliteit
actueel en aan de orde van de dag is en eerder toeneemt dan afneemt. Maar dat
beeld klopt dus niet, de jeugdcriminaliteit is de laatste jaren spectaculair afgenomen
in de lage landen en westerse wereld.
-> afname is te zien in de politieregistraties en in zelfrapportagestudies.
-> een andere fout is de suggestie dat degenen die verontrustend crimineel gedrag
vertonen steeds jonger worden.
-> ten slotte is het eerst geregisterde delict ook niet zwaarder geworden.
Diverse verklaringen voor de daling van jeugdcriminaliteit:
* beveiligingshypothese: sterk toegenomen veiligheidsmaatregelen zouden jongeren
afhouden van relatief eenvoudige instapdelicten.
* invloed van digitalisering: leidt tot grote verschuivingen in de vrijetijdsbesteding van
jongeren, minder op straat en meer op sociale media.
* afname van risicofactoren zoals delinquente vrienden en alcoholgebruik, en een
toename van beschermende factoren zoals betrokkenheid en monitoring van ouders.
Aannemelijk dat de verklaring voor de daling niet in een van deze 3 moet worden
gezocht maar in de combinatie ervan.
1.4 verharding
High impact crimes.
HIC
vaak minderjarigen betrokken
Aantal aangehouden minderjarige verdachte toegenomen
Gewelddadige jonge daders
Omvang groep niet afgenomen
Recidive toegenomen
Gebruik van wapens
, Meer minderjarige verdachten van vuurwapenmisdrijven
Meer incidenten met steekwapens
1.5 de relatie met het strafrecht
De jeugdcriminologie kan niet heen om de discrepanties in de
zelfstandigheidontwikkeling van jongeren, ofwel de spanning tussen hun langduriger
afhankelijkheid en hun toegenomeninbreng en autonomie in allerlei zaken. Dit
verschijnsel wordt in de criminologie aangeduid als de maturity gap. Criminologen
hebben herhaaldelijk gewezen op de beperkingen van strafrechtelijke definities van
criminaliteit. Voorgesteld is om gedragsnormen in het algemeen te bestuderen. Voor
de jeugdcriminaliteit is er echter een onmiskenbaar belang om zich uitdrukkelijk te
richten op gedrag dat valt onder een strafrechtelijke definitie van criminaliteit. Dat
komt omdat er ten aanzien van jongeren ten minste sinds halverwege de 19e eeuw
een krachtige traditie bestaat om allerlei vormen van overlast of hinderlijk, ongepast
ervaren gedrag als aanleiding en legitimatie voor overheidsingrijpen te beschouwen
met een beroep op bescherming van de jeugd.
H3
Aantal jeugdigen in de periode van 2000-2013
Als in de tijd de aantallen jeugdigen in de populatie veranderen dan heeft dat
gevolgen voor de aantallen daders van criminaliteit. Het is daarom van belang om bij
het beschrijven van criminaliteitstrends rekening te houden met deze
bevolkingsontwikkelingen. Tussen 2000 en 2020 zijn de aantallen in beide
leeftijdsgroepen licht veranderd. Het aantal 12-18-jarigen laat vanaf 2000 een lichte
toename zien van ruim 1,1 miljoen tot ruim 1,2 miljoen. De jaren daarna blijft dit
redelijk stabiel.
Leeftijd en criminaliteit
Leeftijd en criminaliteit hangen samen. Onder minderjarigen en jongvolwassenen
bevinden zich naar verhouding meer verdachten en strafrechtelijke daders dan in
oudere leeftijdsgroepen. Bekend is dat het aantal jeugdigen dat wegens het plegen
van een delict met de politie in aanraking komt vanaf het 12e jaar toeneemt logisch is
omdat ze pas vanaf die leeftijd strafrechtelijk schuldig kunnen worden bevonden. Ze
bereiken een piek rond het 18e – 20e levensjaar en daarna neemt het af. Dit
fenomeen noemen we de age-crime curve. Er is wel variatie in het verloop van de
curves als er naar specifieke subgroepen wordt gekeken.
Bronnen om criminaliteit te meten
De omvang van de werkelijke jeugdcriminaliteit en het aantal werkelijke jeugdige
daders is onbekend. Dader worden liever niet gesignaleerd als ze delicten plegen. Er