PATHOFYSIOLOGIE IV
HOOFDSTUK I: GASTRO-ENTEROLOGIE
1. ALGEMEEN
1.1. FUNCTIES
- Opname voedingssto en (O2) & oraal toegediende GM (niet topicaal/parenteraal)
- Vertering = mechan. afbraak: kauwen & kneden maag + chemische afbraak dr enzymen
- Absorptie ingenomen sto en: grote moleculen —> verwerkt tot kleine moleculen
—> w uit spijsverteringskanaal geabsorbeerd —> nr bloedbaan gebracht
- Uitscheiding onverteerbare resten & afvalsto en: via galvocht in darmlumen geloosd
1.2. STRUCTUUR
- 1 kanaal met klieren als annexen:
- Microscopische klieren:
- Zitten in wand vn spijsverteringskanaal
- Secreteren rechtstreeks in lumen
- Macroscopische klieren:
- Zitten op afstand (lever, pancreas, speekselklieren)
- Lozen secreten via speciale kanalen
1.3. WEEFSELELEMENTEN
1. Mucosa
- Slijmvlies dat lumen vn spijsverteringskanaal bekleedt
2. Submucosa
- Losmazig bindweefsel (steunweefsel & vorm) met haar-, bloed- en lymfevaten
—> daardoor gaan substanties uit spijsverteringskanaal nr algemene circulatie
- Elastische elementen die spijsverteringskanaal uitrekken —> passage vn voedsel
3. Spiercellen
- 2 lagen gladde spiercellen (onwillekeurig): binnenste circulaire & buitenste longitudinale
laag die dr spierbewegingen voedselbrij vn mond nr anus beweegt
- Skeletspieren (willekeurig, onder controle vn wil) komen enkel vr aan:
- Ingang: kauw- & slikspieren
- Uitgang: uitwendige anale s ncter
4. Zenuwcellen
- Spijsverteringskanaal heeft rijke bezenuwing vr secretie vn klieren & motoriek
- Bezenuwing = vooral intrinsiek maar w beïnvloed dr autonoom ZS (vooral dr PS)
A. Intrinsiek zenuwstelsel
= Intramuraal of gastro-enterisch zenuwstelsel
- Functioneert onafhankelijk vn centraal zenuwstelsel
- Bevat sensoriële, motorische & associatieneuronen
- Zenuwcellen vormen doorlopend netwerk vn farynx tot anus
- Cellichamen = verzameld in plexussen:
- Submuceuze plexus (plexus vn Meissner):
- tussen submucosa & circulaire spierlaag
- regelt exocriene & endocriene secreties vn kliercellen
- Myenterische plexus (plexus vn Auerbach):
- tussen circulaire en longitudinale spierlaag
- regelt motoriek van gastro-intestinaal systeem
- Sensoriële neuronen = gevoelig vr versch stimuli uit lumen & wand
spijsverteringskanaal (samenstelling inhoud (glucose, aminozuren), graad vn uitrekking
& tonus vn spijsbuis, …)
1
, - Associatieneuronen = weinig bekend
- Motorische neuronen
- Beïnvloeden spier- & kliercellen
- Aantal stelt acetylcholine vrij: activeren gladde spiercellen en kliercellen
- Aantal zijn NANC (niet adrenerg-niet cholinerg) die stikstofmonoxide (NO) vrijstellen:
relaxeren gladde spieren
- NT w vrijgesteld (vb. serotonine, dopamine...) —> werken in op receptoren die als
farmaco. doelwitten w gebruikt bij behandeling gastro-intestinale pathologieën
(vb. loperamide op opioïde receptoren vr behnadeling vn diarree)
B. Autonoom zenuwstelsel (extrinsiek)
- Dr parasympatische zenuwen —> activatie zorgt vr:
- Contractie vn gladde spiercellen
- ↑ secretie vn klieren
- Orthosympatische invloed = beperkt:
- Postganglionaire neuronen inhiberen vrijstelling acetylcholine dr cholinerge neuronen
—> vrijstelling NOR
- Staan beide o.i.v. limbisch systeem (emoties):
- In rustige, veilige omgeving —> versnellen vertering dr stimulatie PS
- Bij angst, woede, stress —> vertragen vertering dr stimulatie OS
- Aften
- Pijnlijke grijswitte tot gelige erosies aan mondslijmvlies
- Beginnend als blaasjes —> gaat over in oppervlakkige ulcera omgeven dr rode rand
- Prevalentie: 20% vd bevolking
- Risicofactoren: trauma, verandering vn hormonen, stress, overgevoeligheid aan voedsel,
↓ weerstand, slechte mondhygiëne
- Behandeling: spontaan herstel na 1-2 weken vaak met recidieven
- Symptomatische behandeling: lokale pijnstilling met lidocaïne gel (soms ook adrenaline)
- ≠ koortsblaas! —> komt dr virale infectie met herpes virus
2. MOND & SLOKDARM
2.1. KAUWEN
- Afwisselende activiteit kaaksluiters & kaakopeners
- Kaakbewegingen = bewust (willekeurig) / onbewust (re ectoir vb. kauwgom)
- Doel: voedsel verbrokkelen met tanden en mengen met speeksel
- Kauwen = niet levensnoodzakelijk
- Slechte kauwgewoonte —> chronische maag- & darmstoornissen
1. Het gebit
- 3 regio’s:
2) Kroon: zichtbare gedeelte dat boven tandvlees uitsteekt
3) Wortel: in tandkas.
4) Hals: verbinding tssn kroon & wortel t.h.v. tandvleeslijn
- Samenstelling tand:
- Hoofdzakelijk tandbeen / dentine = Ca²⁺-rijk bindweefsel vr vorm & stevigheid
- Dentine omgeeft tandholte met tandmerg = bindweefsel, zenuwen & bloedvaten
- Cement: bedekt dentine t.h.v. wortel
- Glazuur:
- bedekt dentine t.h.v. kroon & hals
- hardste substantie in lichaam
- 95% Ca²⁺-zouten
- bescherming tegen slijtage
- barrière vr zuren (die dentine kunnen oplossen)
2
, - Volwassen gebit: 32 tanden
8 Snijtanden Dentes incisivi Scherpe kant aan kroon, enkelvoudige wortel
4 Hoektanden Dentes canini Puntige kroon, lange puntige enkelvoudige wortel
Wortel met spitsen & onregelmatig hobbelig
8 Voorkiezen Dentes premolares
plat kauwvlak
12 Kiezen Dentes molares 2- of 3-dubbele wortel en plathobbelig kauwvlak
4 Wijsheidstanden Dentes sapientia Achterste kies van elk kwadrant
- Kindergebit: 20 melktanden
- 8 snijtanden, 4 hoektanden, 8 kiezen
- Komen uit tussen 4-36 maanden
- Wissel nr volwassen gebit tussen 7-12 jaar
- Orthodontie: correctie & preventie vn abnormale alignatie
2. Tandcariës
- Bacteriële ziekte gecalci ëerde weefsels vn tand (gaatjes)
- Demineral. glazuur & dentine —> micro-organismen binnen—> beschadiging tandmerg
- Ontstaan cariës —> verklaard dr acidogene theorie: ontkalking o.i.v. zuren ontstaan bij
bacteriële metabolisatie vn voedingssuikers
- Proper glazuuropp. w snel bedekt met laagje proteïnen uit speeksel —> tijdens volgende
uren: aanhechting bacteriën & eventueel voedselresten aan proteïnen —> tandplaque
- Suikers vn voedsel di underen drheen tandplaque waar ze dr bacteriële metabolisme w
omgezet in zuren —> ↓ pH vn tandplaque —> bij pH vn 5,5 (= kritisch) w Ca²⁺-zouten
vrijgesteld uit glazuuropp. (demineralisatie) die di underen in tandplaque —> pH ↑
- Bij neutrale pH = tandplaque oververzadigd —> deel vn Ca²⁺-zouten slaat opnieuw neer
(remineralisatie glazuur), ander deel dr di usie uit tandplaque via speeksel verloren
- Langdurig aanwezige plaques —> verkalking —> tandsteen
- Erosie = aantasting glazuur vooral dr externe zuren (vb. frisdranken, boulemie)
- Preventie:
1. Poetsen:
- Tandplaque en voedselresten worden verwijderd —> ↓ productie vn zuur
- Dunnere laag tandplaque —> makkelijkere di usie speeksel met bu erende
2. Suikerinname (vooral frequentie) verminderen
3. Blootstelling uoride:
- Aanwezigheid uoride aan contactopp. tssn tandplaque & glazuur bevordert
neerslag uoro-apatiet kristallen in glazuur —> Ca²⁺-zouten = ↓ zuuroplosbaar &
maken glazuur beter bestand tegen acidogene ontkalking
- Fluoride ionen inhiberen bacterieel metabolisme
- Fluoride = top, opgelet vr uorosis = overdreven blootstelling uor tijdens tandvorming
—> permanente witte, krijtachtige vlekken op tanden (tandpasta vr kids minder uoride)
3. Gingivitis
- Ontsteking vn tandvlees —> meestal chronisch
- Acuut zijn = exacerbatie: opstoot / verergering vn chronische gingivitis (vb. zwangerschap)
- Symptomen: zwelling, roodheid & snel bloeden bij aanraken
- Oorzaken: accumulatie tandplaque (met micro-organismen)
—> bij slechte mondhygiëne, roken, slecht aansluitende vullingen
- Behandeling: verwijderen vn tandsteen & goede tandhygiëne
3
, 4. Paradontitis
- Ontsteking in tandvleesrand breidt zich uit nr bot vn tandkas
- Oorzaak: bij onbehandelde gingivitis
- Symptomen: tandvlees komt los —> pockets (ruimten) met tandplaque ontstaan
—> diepere ontsteking
- Behandeling: eliminatie tandplaque & tandsteen, eventueel chirurgie om ziek weefsel te
verwijderen & pockets te elimineren
5. Halitose
- Slecht ruikende adem
- Oorzaak: slechte mondhygiëne, gingivitis, paradontitis, tongbeslag, NKO infecties, GI-
problemen, bij gebruik vn GM die speekseltekort veroorzaken:
anticholinergica (tiotropium), TCA (tricyclische antidepressiva: amytriptilline)
2.2. SPEEKSELSECRETIE
- 1,5 L speeksel / dag gesecreteerd —> dr:
- Kleine speekselkliertjes in mondmucosa via continue basale secretie.
- Grote (echte) speekselklieren (buiten mondholte) via speciale speekselkanalen:
- Glandulae parotideae: oorspeekselklieren
- Glandulae submandibulares: onderkaakspeekselklieren
- Glandulae sublinguales: ondertongspeekselklieren
1. Samenstelling vn speeksel
- Water & elektrolyten (bicarbonaat: HCO3-)
- Speci eke proteinen
- Speekselamylase (afbraak zetmeel)
- Mucine (glijmiddel)
- Immunoglobuline A (IgA) en lysozyme (immuniteit)
2. Functies van speeksel
- Vertering: afbraak zetmeel dr amylase (beperkt dr korte verblijfsduur vn voedsel in mond +
dr snelle activatie vn amylase dr zure maagsap)
- Preventie tandbederf: HCO3- bu ert zuren gevormd dr mondbacteriën
- Passage voedsel: w vergemakkelijkt dr mucine
- Smaakperceptie: enkel opgeloste moleculen prikkelen smaakpapillen
- Smeren mond en slokdarm —> beweging vn tong w vergemakkelijkt
- Regeling vochtbalans: bij uitdroging ↓ speekselsecretie —> dorstgevoel —> drinken
- Afweer: IgA verhindert indringen vn micro-organismen & lysozyme doodt bacteriën
(beiden niet voldoende aanwezig om alle bacteriën te doden in mond)
3. Regeling van speekselsecretie
- Volledig onder controle vn autonoom ZS
- PS (>) & OS impulsen hebben dezelfde invloed: stimulatie vn speekselsecretie
- Anticholinergica (atropine, tiotropium) —> monddroogte
4. Fysiologische stimuli voor speekselsecretie
- Mechanische prikkeling vn mondslijmvlies (kauwen, tandarts...).
- Sensoriële stimuli: geur, visuele prikkels, denken aan voedsel (water in mond): Pavlov
- Prikkeling vn slokdarm (voedsel blijft steken)
5. Hyposialie
- ↓ speekselsecretie
- Symptomen: droge mond (xerostomie) & gescheurde tong
- Oorzaken: inname bepaalde GM (anticholinergica, TCA), radiotherapie vn hoofd & hals,
auto-immuunziekten (syndroom van Sjögren) & bij dehydratatie
- Gepaarde aandoeningen: tandcariës, candidose (schimmelinfectie) + slik- & kauwprob.
- Behandeling: regelmatig water drinken, suikervrije kauwgom, speekselvervangers & goede
mondhygiëne ter preventie vn cariës
4
HOOFDSTUK I: GASTRO-ENTEROLOGIE
1. ALGEMEEN
1.1. FUNCTIES
- Opname voedingssto en (O2) & oraal toegediende GM (niet topicaal/parenteraal)
- Vertering = mechan. afbraak: kauwen & kneden maag + chemische afbraak dr enzymen
- Absorptie ingenomen sto en: grote moleculen —> verwerkt tot kleine moleculen
—> w uit spijsverteringskanaal geabsorbeerd —> nr bloedbaan gebracht
- Uitscheiding onverteerbare resten & afvalsto en: via galvocht in darmlumen geloosd
1.2. STRUCTUUR
- 1 kanaal met klieren als annexen:
- Microscopische klieren:
- Zitten in wand vn spijsverteringskanaal
- Secreteren rechtstreeks in lumen
- Macroscopische klieren:
- Zitten op afstand (lever, pancreas, speekselklieren)
- Lozen secreten via speciale kanalen
1.3. WEEFSELELEMENTEN
1. Mucosa
- Slijmvlies dat lumen vn spijsverteringskanaal bekleedt
2. Submucosa
- Losmazig bindweefsel (steunweefsel & vorm) met haar-, bloed- en lymfevaten
—> daardoor gaan substanties uit spijsverteringskanaal nr algemene circulatie
- Elastische elementen die spijsverteringskanaal uitrekken —> passage vn voedsel
3. Spiercellen
- 2 lagen gladde spiercellen (onwillekeurig): binnenste circulaire & buitenste longitudinale
laag die dr spierbewegingen voedselbrij vn mond nr anus beweegt
- Skeletspieren (willekeurig, onder controle vn wil) komen enkel vr aan:
- Ingang: kauw- & slikspieren
- Uitgang: uitwendige anale s ncter
4. Zenuwcellen
- Spijsverteringskanaal heeft rijke bezenuwing vr secretie vn klieren & motoriek
- Bezenuwing = vooral intrinsiek maar w beïnvloed dr autonoom ZS (vooral dr PS)
A. Intrinsiek zenuwstelsel
= Intramuraal of gastro-enterisch zenuwstelsel
- Functioneert onafhankelijk vn centraal zenuwstelsel
- Bevat sensoriële, motorische & associatieneuronen
- Zenuwcellen vormen doorlopend netwerk vn farynx tot anus
- Cellichamen = verzameld in plexussen:
- Submuceuze plexus (plexus vn Meissner):
- tussen submucosa & circulaire spierlaag
- regelt exocriene & endocriene secreties vn kliercellen
- Myenterische plexus (plexus vn Auerbach):
- tussen circulaire en longitudinale spierlaag
- regelt motoriek van gastro-intestinaal systeem
- Sensoriële neuronen = gevoelig vr versch stimuli uit lumen & wand
spijsverteringskanaal (samenstelling inhoud (glucose, aminozuren), graad vn uitrekking
& tonus vn spijsbuis, …)
1
, - Associatieneuronen = weinig bekend
- Motorische neuronen
- Beïnvloeden spier- & kliercellen
- Aantal stelt acetylcholine vrij: activeren gladde spiercellen en kliercellen
- Aantal zijn NANC (niet adrenerg-niet cholinerg) die stikstofmonoxide (NO) vrijstellen:
relaxeren gladde spieren
- NT w vrijgesteld (vb. serotonine, dopamine...) —> werken in op receptoren die als
farmaco. doelwitten w gebruikt bij behandeling gastro-intestinale pathologieën
(vb. loperamide op opioïde receptoren vr behnadeling vn diarree)
B. Autonoom zenuwstelsel (extrinsiek)
- Dr parasympatische zenuwen —> activatie zorgt vr:
- Contractie vn gladde spiercellen
- ↑ secretie vn klieren
- Orthosympatische invloed = beperkt:
- Postganglionaire neuronen inhiberen vrijstelling acetylcholine dr cholinerge neuronen
—> vrijstelling NOR
- Staan beide o.i.v. limbisch systeem (emoties):
- In rustige, veilige omgeving —> versnellen vertering dr stimulatie PS
- Bij angst, woede, stress —> vertragen vertering dr stimulatie OS
- Aften
- Pijnlijke grijswitte tot gelige erosies aan mondslijmvlies
- Beginnend als blaasjes —> gaat over in oppervlakkige ulcera omgeven dr rode rand
- Prevalentie: 20% vd bevolking
- Risicofactoren: trauma, verandering vn hormonen, stress, overgevoeligheid aan voedsel,
↓ weerstand, slechte mondhygiëne
- Behandeling: spontaan herstel na 1-2 weken vaak met recidieven
- Symptomatische behandeling: lokale pijnstilling met lidocaïne gel (soms ook adrenaline)
- ≠ koortsblaas! —> komt dr virale infectie met herpes virus
2. MOND & SLOKDARM
2.1. KAUWEN
- Afwisselende activiteit kaaksluiters & kaakopeners
- Kaakbewegingen = bewust (willekeurig) / onbewust (re ectoir vb. kauwgom)
- Doel: voedsel verbrokkelen met tanden en mengen met speeksel
- Kauwen = niet levensnoodzakelijk
- Slechte kauwgewoonte —> chronische maag- & darmstoornissen
1. Het gebit
- 3 regio’s:
2) Kroon: zichtbare gedeelte dat boven tandvlees uitsteekt
3) Wortel: in tandkas.
4) Hals: verbinding tssn kroon & wortel t.h.v. tandvleeslijn
- Samenstelling tand:
- Hoofdzakelijk tandbeen / dentine = Ca²⁺-rijk bindweefsel vr vorm & stevigheid
- Dentine omgeeft tandholte met tandmerg = bindweefsel, zenuwen & bloedvaten
- Cement: bedekt dentine t.h.v. wortel
- Glazuur:
- bedekt dentine t.h.v. kroon & hals
- hardste substantie in lichaam
- 95% Ca²⁺-zouten
- bescherming tegen slijtage
- barrière vr zuren (die dentine kunnen oplossen)
2
, - Volwassen gebit: 32 tanden
8 Snijtanden Dentes incisivi Scherpe kant aan kroon, enkelvoudige wortel
4 Hoektanden Dentes canini Puntige kroon, lange puntige enkelvoudige wortel
Wortel met spitsen & onregelmatig hobbelig
8 Voorkiezen Dentes premolares
plat kauwvlak
12 Kiezen Dentes molares 2- of 3-dubbele wortel en plathobbelig kauwvlak
4 Wijsheidstanden Dentes sapientia Achterste kies van elk kwadrant
- Kindergebit: 20 melktanden
- 8 snijtanden, 4 hoektanden, 8 kiezen
- Komen uit tussen 4-36 maanden
- Wissel nr volwassen gebit tussen 7-12 jaar
- Orthodontie: correctie & preventie vn abnormale alignatie
2. Tandcariës
- Bacteriële ziekte gecalci ëerde weefsels vn tand (gaatjes)
- Demineral. glazuur & dentine —> micro-organismen binnen—> beschadiging tandmerg
- Ontstaan cariës —> verklaard dr acidogene theorie: ontkalking o.i.v. zuren ontstaan bij
bacteriële metabolisatie vn voedingssuikers
- Proper glazuuropp. w snel bedekt met laagje proteïnen uit speeksel —> tijdens volgende
uren: aanhechting bacteriën & eventueel voedselresten aan proteïnen —> tandplaque
- Suikers vn voedsel di underen drheen tandplaque waar ze dr bacteriële metabolisme w
omgezet in zuren —> ↓ pH vn tandplaque —> bij pH vn 5,5 (= kritisch) w Ca²⁺-zouten
vrijgesteld uit glazuuropp. (demineralisatie) die di underen in tandplaque —> pH ↑
- Bij neutrale pH = tandplaque oververzadigd —> deel vn Ca²⁺-zouten slaat opnieuw neer
(remineralisatie glazuur), ander deel dr di usie uit tandplaque via speeksel verloren
- Langdurig aanwezige plaques —> verkalking —> tandsteen
- Erosie = aantasting glazuur vooral dr externe zuren (vb. frisdranken, boulemie)
- Preventie:
1. Poetsen:
- Tandplaque en voedselresten worden verwijderd —> ↓ productie vn zuur
- Dunnere laag tandplaque —> makkelijkere di usie speeksel met bu erende
2. Suikerinname (vooral frequentie) verminderen
3. Blootstelling uoride:
- Aanwezigheid uoride aan contactopp. tssn tandplaque & glazuur bevordert
neerslag uoro-apatiet kristallen in glazuur —> Ca²⁺-zouten = ↓ zuuroplosbaar &
maken glazuur beter bestand tegen acidogene ontkalking
- Fluoride ionen inhiberen bacterieel metabolisme
- Fluoride = top, opgelet vr uorosis = overdreven blootstelling uor tijdens tandvorming
—> permanente witte, krijtachtige vlekken op tanden (tandpasta vr kids minder uoride)
3. Gingivitis
- Ontsteking vn tandvlees —> meestal chronisch
- Acuut zijn = exacerbatie: opstoot / verergering vn chronische gingivitis (vb. zwangerschap)
- Symptomen: zwelling, roodheid & snel bloeden bij aanraken
- Oorzaken: accumulatie tandplaque (met micro-organismen)
—> bij slechte mondhygiëne, roken, slecht aansluitende vullingen
- Behandeling: verwijderen vn tandsteen & goede tandhygiëne
3
, 4. Paradontitis
- Ontsteking in tandvleesrand breidt zich uit nr bot vn tandkas
- Oorzaak: bij onbehandelde gingivitis
- Symptomen: tandvlees komt los —> pockets (ruimten) met tandplaque ontstaan
—> diepere ontsteking
- Behandeling: eliminatie tandplaque & tandsteen, eventueel chirurgie om ziek weefsel te
verwijderen & pockets te elimineren
5. Halitose
- Slecht ruikende adem
- Oorzaak: slechte mondhygiëne, gingivitis, paradontitis, tongbeslag, NKO infecties, GI-
problemen, bij gebruik vn GM die speekseltekort veroorzaken:
anticholinergica (tiotropium), TCA (tricyclische antidepressiva: amytriptilline)
2.2. SPEEKSELSECRETIE
- 1,5 L speeksel / dag gesecreteerd —> dr:
- Kleine speekselkliertjes in mondmucosa via continue basale secretie.
- Grote (echte) speekselklieren (buiten mondholte) via speciale speekselkanalen:
- Glandulae parotideae: oorspeekselklieren
- Glandulae submandibulares: onderkaakspeekselklieren
- Glandulae sublinguales: ondertongspeekselklieren
1. Samenstelling vn speeksel
- Water & elektrolyten (bicarbonaat: HCO3-)
- Speci eke proteinen
- Speekselamylase (afbraak zetmeel)
- Mucine (glijmiddel)
- Immunoglobuline A (IgA) en lysozyme (immuniteit)
2. Functies van speeksel
- Vertering: afbraak zetmeel dr amylase (beperkt dr korte verblijfsduur vn voedsel in mond +
dr snelle activatie vn amylase dr zure maagsap)
- Preventie tandbederf: HCO3- bu ert zuren gevormd dr mondbacteriën
- Passage voedsel: w vergemakkelijkt dr mucine
- Smaakperceptie: enkel opgeloste moleculen prikkelen smaakpapillen
- Smeren mond en slokdarm —> beweging vn tong w vergemakkelijkt
- Regeling vochtbalans: bij uitdroging ↓ speekselsecretie —> dorstgevoel —> drinken
- Afweer: IgA verhindert indringen vn micro-organismen & lysozyme doodt bacteriën
(beiden niet voldoende aanwezig om alle bacteriën te doden in mond)
3. Regeling van speekselsecretie
- Volledig onder controle vn autonoom ZS
- PS (>) & OS impulsen hebben dezelfde invloed: stimulatie vn speekselsecretie
- Anticholinergica (atropine, tiotropium) —> monddroogte
4. Fysiologische stimuli voor speekselsecretie
- Mechanische prikkeling vn mondslijmvlies (kauwen, tandarts...).
- Sensoriële stimuli: geur, visuele prikkels, denken aan voedsel (water in mond): Pavlov
- Prikkeling vn slokdarm (voedsel blijft steken)
5. Hyposialie
- ↓ speekselsecretie
- Symptomen: droge mond (xerostomie) & gescheurde tong
- Oorzaken: inname bepaalde GM (anticholinergica, TCA), radiotherapie vn hoofd & hals,
auto-immuunziekten (syndroom van Sjögren) & bij dehydratatie
- Gepaarde aandoeningen: tandcariës, candidose (schimmelinfectie) + slik- & kauwprob.
- Behandeling: regelmatig water drinken, suikervrije kauwgom, speekselvervangers & goede
mondhygiëne ter preventie vn cariës
4