The VOC as a Company State: Debating Seventeenth-Century Dutch
Colonial Expansion
Arthur Weststeijn
De VOC is een multinationale onderneming en niet-statelijke koloniale actor. Burk en Cooper
definiëren rijken als ‘grote politieke eenheden, expansionistisch of met een geheugen van
macht die zich over de ruimte uitstrekt, politieke systemen die onderscheid en hiërarchie in
stand houden terwijl ze nieuwe mensen opnemen’. Het VOC-systeem is ontwikkeld in een
hybride handelsconglomeraat van vele verschillende en verspreide nederzettingen,
factorijen en handelsposten verspreid over de kusten van Afrika en Azië. Het bestaat uit
drie verschillende soorten handelsactiviteiten:
1. De VOC bezat het recht van verovering.
2. De VOC genoot een monopolie.
3. De VOC opereerde naast lokale en Europese handelaren.
Pieter van Dam verdeelde de activiteiten in drie categorieën. Ten eerste de plaatsen die de
VOC in bezit had en innam. Ten tweede waren dat alle handelsposten van de compagnie.
Ten derde waren dat de regio's waar de VOC handel dreef zonder een factorij te bezitten.
Van Dam claimde dat de VOC mogelijkheden voor vrije handel aan kolonisten zou moeten
geven. Zij zouden de omgeving cultiveren die nu verlaten waren. Deze free-Asian handel
heeft wel restricties volgens Van Dam. De monopolies van de VOC zouden behouden
moeten worden en handel met andere Europese landen was ten strengste verboden. Door
de handel zo open te gooien zou de Engelse compagnie helemaal vernield worden.
Pieter de la Court stelt dat het programma van kolonisatie onder de hoede van de staat zou
moeten zijn. Dit zou de monopolie van de VOC met betrekking tot kolonies stichten
schorten en kolonisten een vrije handel toestaan. Volgens De la Court was het bestaan van
een handelsmonopolie, zoals dat van de VOC, in strijd met de handelsvrijheid die nodig was
voor economische bloei.
Pieter van Hoorn adviseerde een verdere kolonisatie van Batavia. Hij introduceerde een
tweede categorie die passender zou zijn voor de Nederlandse situatie: commerciële
kolonies. Een vrije kolonie die plaatsvindt uit het individuele initiatief, en een kolonie onder
iemands hoede. Hij bekritiseerde de Nederlandse kolonies als zijnde niet vrij. Hij benadrukte
dat succesvolle kolonies lange termijninvesteringen, hoogwaardige immigratie en
handelsvrijheid nodig hadden. Volgens Van Hoorn zou de VOC zijn oorspronkelijke
commerciële principes moeten herzien om meer te lijken op het Romeinse model van
kolonisatie, dat meer gericht was op lange termijn koloniale stabiliteit en minder op directe
winsten.
In de conclusie van het artikel wordt de VOC gekarakteriseerd als een bedrijf dat
gaandeweg evolueerde naar een staat: een “company-state.” Deze ontwikkeling was het
onderwerp van veel debat. Pieter van Dam, die van binnenuit de VOC bekeek, prees de VOC
als een koloniaal verlengstuk van de Nederlandse Republiek, maar bekritiseerde
tegelijkertijd het rigide monopoliesysteem dat volgens hem leidde tot een dreigende
"imperiale overbelasting." Pieter de la Court, een criticus van buitenaf, zag de VOC als een
bedreiging voor de soevereiniteit van de Republiek en stelde voor om het monopolie van de
VOC volledig af te schaffen ten gunste van kolonies onder direct staatsbestuur. Pieter van
Hoorn, daarentegen, stelde dat de VOC alleen kon overleven als koloniale staat door het
monopolie binnen Azië op te geven en zich te concentreren op de ontwikkeling van Batavia.
Ondanks hun verschillende visies, waren ze het eens over de noodzaak van kolonisatie en
vrije handel. Bovendien gebruikten ze een soortgelijk vocabulaire waarin de spanningen
tussen “handel” en “verovering” werden benadrukt. Hoewel hun pogingen om het
monopolie van de VOC uit te dagen geen direct effect hadden, waren ze het erover eens
dat de belangrijkste doelstelling van de Nederlandse expansie was om de macht van
Nederland ten koste van andere koloniale machten, vooral Engeland, uit te breiden.
,
, Being "Dutch" in the Indies: A History of Creolisation and Empire, 1500-
1920
Remco Raben en Ulbe Bosma
Hoofdstuk 1: Scheiding en fusie
Het eerste hoofdstuk van Being "Dutch" in the Indies: A History of Creolisation and
Empire, 1500-1920 richt zich op de vroege Nederlandse koloniale expansie in de
Oost en hoe deze leidde tot een unieke mix van culturen, wat bekend staat als
creolisering. De Nederlanders kwamen oorspronkelijk naar de Oost vooral voor
handel. Ze hadden in eerste instantie geen intentie om permanente kolonies te
stichten. De interacties tussen Nederlandse kolonisten en de lokale bevolking
leidden uiteindelijk tot de ontwikkeling van een creoolse samenleving. Dit gebeurde
vaak via huwelijken tussen Europese mannen en lokale vrouwen. Deze huwelijken
en relaties tussen Europeanen en lokale inwoners speelden een belangrijke rol in
het creëren van een creoolse elite die zowel Europese als lokale culturele
kenmerken had. Deze elite speelde een sleutelrol in het stabiliseren van de
Nederlandse koloniale controle en invloed. In het hoofdstuk wordt besproken hoe
"Nederlands zijn" in de koloniën werd gedefinieerd, niet alleen door afkomst, maar
door deelname aan de koloniale machtsstructuren. Creolisering betekende dat de
koloniale identiteit dynamischer was dan puur Europese normen en waarden, en dat
lokale invloeden hierin waren geïntegreerd. Hoewel handel aanvankelijk de
belangrijkste reden voor Nederlandse aanwezigheid in de Oost was, werd in het
hoofdstuk ook benadrukt dat permanente vestiging en landbouwkolonies uiteindelijk
werden aangemoedigd om de Nederlandse positie in de regio te versterken. De
processen van creolisering creëerden spanningen over wat het betekende om
“Nederlands” te zijn in een multi-etnische samenleving. Deze spanningen waren
inherent aan de ambiguïteit van een koloniale samenleving waar Europese normen
vermengd raakten met lokale gewoontes en praktijken.
Hoofdstuk 2: De bagage van het kolonialisme
In hoofdstuk 2 van Being "Dutch" in the Indies: A History of Creolisation and Empire,
1500-1920 ligt de focus op de verdere ontwikkeling van de Nederlandse koloniale
aanwezigheid in de Oost en hoe deze zich verdiepte in creolisering en de
vermenging van culturen. De Nederlandse koloniale overheid begon zich meer te
richten op permanente vestiging en het opzetten van stabiele koloniale structuren.
Dit proces ging gepaard met de consolidatie van hun aanwezigheid in belangrijke
handelsposten en plantages. Er ontstond een duidelijke sociale en raciale
hiërarchie, waarbij Europeanen bovenaan stonden en de lokale bevolking en
gemengde creoolse groepen lagere posities innamen. Deze hiërarchie was
essentieel voor het handhaven van de Nederlandse koloniale orde en het
waarborgen van hun controle over de lokale bevolking en de kolonie. Creolisering
werd een centraal thema, waarbij Europese en lokale elementen zich vermengden
in de cultuur, taal en gewoonten. Deze culturele vermenging leidde tot de opkomst
van een nieuwe identiteit onder de kolonisten, die zich wel als Nederlands
beschouwden, maar in feite een hybride identiteit ontwikkelden door hun
langdurige verblijf en interactie met de inheemse bevolking. De Nederlandse
expansie werd steeds meer gedreven door economische belangen, met een sterke
nadruk op handel in specerijen, suiker, en andere gewassen. De koloniën speelden
een cruciale rol in het Nederlandse handelsnetwerk, en de VOC werd een machtige
commerciële en politieke entiteit in de regio. Het handhaven van controle over deze
verre kolonies bracht conflicten met zich mee, zowel intern tussen verschillende
Colonial Expansion
Arthur Weststeijn
De VOC is een multinationale onderneming en niet-statelijke koloniale actor. Burk en Cooper
definiëren rijken als ‘grote politieke eenheden, expansionistisch of met een geheugen van
macht die zich over de ruimte uitstrekt, politieke systemen die onderscheid en hiërarchie in
stand houden terwijl ze nieuwe mensen opnemen’. Het VOC-systeem is ontwikkeld in een
hybride handelsconglomeraat van vele verschillende en verspreide nederzettingen,
factorijen en handelsposten verspreid over de kusten van Afrika en Azië. Het bestaat uit
drie verschillende soorten handelsactiviteiten:
1. De VOC bezat het recht van verovering.
2. De VOC genoot een monopolie.
3. De VOC opereerde naast lokale en Europese handelaren.
Pieter van Dam verdeelde de activiteiten in drie categorieën. Ten eerste de plaatsen die de
VOC in bezit had en innam. Ten tweede waren dat alle handelsposten van de compagnie.
Ten derde waren dat de regio's waar de VOC handel dreef zonder een factorij te bezitten.
Van Dam claimde dat de VOC mogelijkheden voor vrije handel aan kolonisten zou moeten
geven. Zij zouden de omgeving cultiveren die nu verlaten waren. Deze free-Asian handel
heeft wel restricties volgens Van Dam. De monopolies van de VOC zouden behouden
moeten worden en handel met andere Europese landen was ten strengste verboden. Door
de handel zo open te gooien zou de Engelse compagnie helemaal vernield worden.
Pieter de la Court stelt dat het programma van kolonisatie onder de hoede van de staat zou
moeten zijn. Dit zou de monopolie van de VOC met betrekking tot kolonies stichten
schorten en kolonisten een vrije handel toestaan. Volgens De la Court was het bestaan van
een handelsmonopolie, zoals dat van de VOC, in strijd met de handelsvrijheid die nodig was
voor economische bloei.
Pieter van Hoorn adviseerde een verdere kolonisatie van Batavia. Hij introduceerde een
tweede categorie die passender zou zijn voor de Nederlandse situatie: commerciële
kolonies. Een vrije kolonie die plaatsvindt uit het individuele initiatief, en een kolonie onder
iemands hoede. Hij bekritiseerde de Nederlandse kolonies als zijnde niet vrij. Hij benadrukte
dat succesvolle kolonies lange termijninvesteringen, hoogwaardige immigratie en
handelsvrijheid nodig hadden. Volgens Van Hoorn zou de VOC zijn oorspronkelijke
commerciële principes moeten herzien om meer te lijken op het Romeinse model van
kolonisatie, dat meer gericht was op lange termijn koloniale stabiliteit en minder op directe
winsten.
In de conclusie van het artikel wordt de VOC gekarakteriseerd als een bedrijf dat
gaandeweg evolueerde naar een staat: een “company-state.” Deze ontwikkeling was het
onderwerp van veel debat. Pieter van Dam, die van binnenuit de VOC bekeek, prees de VOC
als een koloniaal verlengstuk van de Nederlandse Republiek, maar bekritiseerde
tegelijkertijd het rigide monopoliesysteem dat volgens hem leidde tot een dreigende
"imperiale overbelasting." Pieter de la Court, een criticus van buitenaf, zag de VOC als een
bedreiging voor de soevereiniteit van de Republiek en stelde voor om het monopolie van de
VOC volledig af te schaffen ten gunste van kolonies onder direct staatsbestuur. Pieter van
Hoorn, daarentegen, stelde dat de VOC alleen kon overleven als koloniale staat door het
monopolie binnen Azië op te geven en zich te concentreren op de ontwikkeling van Batavia.
Ondanks hun verschillende visies, waren ze het eens over de noodzaak van kolonisatie en
vrije handel. Bovendien gebruikten ze een soortgelijk vocabulaire waarin de spanningen
tussen “handel” en “verovering” werden benadrukt. Hoewel hun pogingen om het
monopolie van de VOC uit te dagen geen direct effect hadden, waren ze het erover eens
dat de belangrijkste doelstelling van de Nederlandse expansie was om de macht van
Nederland ten koste van andere koloniale machten, vooral Engeland, uit te breiden.
,
, Being "Dutch" in the Indies: A History of Creolisation and Empire, 1500-
1920
Remco Raben en Ulbe Bosma
Hoofdstuk 1: Scheiding en fusie
Het eerste hoofdstuk van Being "Dutch" in the Indies: A History of Creolisation and
Empire, 1500-1920 richt zich op de vroege Nederlandse koloniale expansie in de
Oost en hoe deze leidde tot een unieke mix van culturen, wat bekend staat als
creolisering. De Nederlanders kwamen oorspronkelijk naar de Oost vooral voor
handel. Ze hadden in eerste instantie geen intentie om permanente kolonies te
stichten. De interacties tussen Nederlandse kolonisten en de lokale bevolking
leidden uiteindelijk tot de ontwikkeling van een creoolse samenleving. Dit gebeurde
vaak via huwelijken tussen Europese mannen en lokale vrouwen. Deze huwelijken
en relaties tussen Europeanen en lokale inwoners speelden een belangrijke rol in
het creëren van een creoolse elite die zowel Europese als lokale culturele
kenmerken had. Deze elite speelde een sleutelrol in het stabiliseren van de
Nederlandse koloniale controle en invloed. In het hoofdstuk wordt besproken hoe
"Nederlands zijn" in de koloniën werd gedefinieerd, niet alleen door afkomst, maar
door deelname aan de koloniale machtsstructuren. Creolisering betekende dat de
koloniale identiteit dynamischer was dan puur Europese normen en waarden, en dat
lokale invloeden hierin waren geïntegreerd. Hoewel handel aanvankelijk de
belangrijkste reden voor Nederlandse aanwezigheid in de Oost was, werd in het
hoofdstuk ook benadrukt dat permanente vestiging en landbouwkolonies uiteindelijk
werden aangemoedigd om de Nederlandse positie in de regio te versterken. De
processen van creolisering creëerden spanningen over wat het betekende om
“Nederlands” te zijn in een multi-etnische samenleving. Deze spanningen waren
inherent aan de ambiguïteit van een koloniale samenleving waar Europese normen
vermengd raakten met lokale gewoontes en praktijken.
Hoofdstuk 2: De bagage van het kolonialisme
In hoofdstuk 2 van Being "Dutch" in the Indies: A History of Creolisation and Empire,
1500-1920 ligt de focus op de verdere ontwikkeling van de Nederlandse koloniale
aanwezigheid in de Oost en hoe deze zich verdiepte in creolisering en de
vermenging van culturen. De Nederlandse koloniale overheid begon zich meer te
richten op permanente vestiging en het opzetten van stabiele koloniale structuren.
Dit proces ging gepaard met de consolidatie van hun aanwezigheid in belangrijke
handelsposten en plantages. Er ontstond een duidelijke sociale en raciale
hiërarchie, waarbij Europeanen bovenaan stonden en de lokale bevolking en
gemengde creoolse groepen lagere posities innamen. Deze hiërarchie was
essentieel voor het handhaven van de Nederlandse koloniale orde en het
waarborgen van hun controle over de lokale bevolking en de kolonie. Creolisering
werd een centraal thema, waarbij Europese en lokale elementen zich vermengden
in de cultuur, taal en gewoonten. Deze culturele vermenging leidde tot de opkomst
van een nieuwe identiteit onder de kolonisten, die zich wel als Nederlands
beschouwden, maar in feite een hybride identiteit ontwikkelden door hun
langdurige verblijf en interactie met de inheemse bevolking. De Nederlandse
expansie werd steeds meer gedreven door economische belangen, met een sterke
nadruk op handel in specerijen, suiker, en andere gewassen. De koloniën speelden
een cruciale rol in het Nederlandse handelsnetwerk, en de VOC werd een machtige
commerciële en politieke entiteit in de regio. Het handhaven van controle over deze
verre kolonies bracht conflicten met zich mee, zowel intern tussen verschillende