Hoofdstuk 1: Basisaspecten vhet burgerlijk recht
Hoofdstuk 2: Goederenrecht
2.1 Voorwerpen, goederen, zaken en dieren
2.2 Indeling van goederen
2.3 Eigendom
2.4 Erfdienstbaarheden
2.5 Vruchtgebruik
2.6 Erfpact en opstal (veel gebruikt do overheid)
2.7 Zekerheden
2.8 Hypotheek
Hoofdstuk 3: Verbintenissenrecht
3.1 Begrip verbintenis
3.2 Modaliteiten van de verbintenis
3.3 Verbintenissen met meerdere schuldenaars
3.4 Uitdoving (tenietgaan) van verbintenissen
3.5 Contracten (=overeenkomsten)
3.6 Geldigheidsvereisten
3.7 Interpretatie van het contract
3.8 Niet-nakoming en remedies (uitwerking tssn partijen)
3.9 Gevolgen vhet contract vo derden
3.10 Bewijs
3.11 Aansprakelijkheid
Hoofdstuk 4: Bijzondere overeenkomsten
4.1 Koopcontract
4.2 Huurcontract
4.3 Aannemingscontract
4.4 Lastgeving
4.5 Dading
1
,Hoofdstuk 1: Basisaspecten vhet burgerlijk recht
Vermogen:
Definitie vermogen Art. 3.35. BW: alle goederen, rechten en plichten die aan een persoon op een
bepaald moment toebehoren, en in geld waardeerbaar zijn. Elke natuurlijke persoon of
rechtspersoon heeft een vermogen, en slechts één vermogen.
• Dat vermogen fluctueert Vb. Ik kan vandaag een villa hebben in mijn vermogen, maar
morgen kan dat weg zijn.
DUS vermogen kan je verhandelen vb auto weggeven, geld weggeven; we doen ermee wat
we willen
Natuurlijke persoon Rechtspersoon
= alle levende mensen, van vlees = juridische constructies, onlichamelijk, abstracte
en bloed entiteiten zijn ook drager van subjectieve rechten +
hebben eigen vermogen bv venootschap, NV, VZW
Vermogensrechten = patrimoniale rechten:
Definitie vermogensrechten: de rechten die een economische waarde hebben. Ze zijn in geld
waardeerbaar, verdwijnen niet uit bij een overlijden (want erfenis en als geen erfgename dan nr
Belgische staat) en kunnen verhandeld worden.
• Wanneer een persoon overlijdt, dan gaat men kijken wie de erfgenamen zijn. Zij zullen alles
op hen krijgen; zowel activa (vb. een huis) maar ook passiva (schulden). Vb. de dode heeft
een lening van over 10 jaar, dan zullen de erfgenamen dit verder moeten afbetalen aan de
klant.
• Ook de openstaande vorderingen gaan de naar de erfgenamen. Vb. jouw overleden vader
heeft nog een vordering tegenover een klant. Dan kan jij naar die klant gaan en zeggen van:
jij moet nog zo veel geld.
Vermogensrechten vallen uiteen in zakelijke rechten, vorderingsrechten en intellectuele rechten.
1) Zakelijke rechten → recht op zaak of goed
Vb. het eigendomsrecht
2) Vorderingsrechten → recht ten aanzien van een persoon op een bepaalde prestatie
Vb. huurovereenkomst. De huurder heeft een vorderingsrecht tegenover de verhuurder,
namelijk dat hij het gehuurde goed mag bewonen. Omgekeerd heeft de verhuurder ook een
vorderingsrecht op de huurder, namelijk de betaling van de huurprijs.
3) Intellectuele rechten → recht op een idee
Vb. het auteursrecht, octrooirecht en het merkenrecht.
Extra-patrimoniale rechten:
• = hebben geen economische waarde, ze zijn niet verhandelbaar, niet in geld waardeerbaar
en eindigen wel bij overlijden.
• De persoonlijkheidsrechten en familierechten
2
, • Persoonlijkheidsrechten → recht op leven, recht op afbeelding en het recht op
privacy…
• Familierechten → recht om te trouwen, het recht om te scheiden en het recht om
een kind te erkennen…
Aanvullend recht, dwingend recht of openbare orde? -> niet alle artikels zijn even sterk
• Alle rechtsregels (in of buiten BW) zijn aanvullend/dwingend of openbare orde.
• Geeft “sterkte” van de rechtsregel weer: kan ik in een contract geldig afwijken van de regel?
• Definitie dwingend/imperatief recht: een rechtsregel waarvan de partijen vhet contract niet
kunnen afwijken bij overeenkomst. Ze beschermen vaak de zwakkere partij (minderjarigen,
consument, werknemer, huurder…)
-> sterkte vde regel: sterk
• Definitie aanvullend recht: een rechtsregel waarvan de partijen vhet contract bij
overeenkomst kunnen afwijken. Als beide partijen vhet contract het willen kunnen ze
awijken vdeze regel
-> sterkte vde regel: zwak
• Definitie openbaar recht: dit zijn de fundamentele regels die de basis vormen van het
juridische systeem en de samenleving. Ze gaan over zaken die essentieel zijn voor het
functioneren van de maatschappij (gezondheid, veiligheid, goede zeden…)
-> sterkte vde regel: het strengste
Relatieve nietigheid = een partij kan de nietigheid (ongeldigheid) inroepen.
Absolute nietigheid = het contract is sowieso ongeldig
Tijd en recht (verjaring)
Er zijn 2 vormen van verjaring:
• Bevrijdende verjaring of uitdovende verjaring: door de tijd -> rehten verliezen
De wederpartij verliest zijn recht om dit van jou te eisen.
Vb. Als je als verkoper opmerkt dat een klant nog een factuur van 30 jaar geleden nog niet
betaald heeft dan ben je uw recht kwijt en is de klant bevrijdt van uw plicht. Er geldt hier
namelijk een verjaringstermijn van 10 jaar.
• Verkrijgende verjaring: door de tijd -> rechten krijgen
Omdat je gedurende een bepaalde periode onbetwist een goed in jouw bezit had
Beide hangen af ve tijdsverloop
Hoofstuk 2: Goederenrecht
2.1 Voorwerpen, goederen, zaken en dieren
Zakelijke rechten vs vorderingsrechten
1. Zakelijke rechten
• = Zakelijke rechten geven iemand directe zeggenschap (je kan ermee doen wat je
wil) over een zaak (band persoon-zaak).
3
, → Horen thuis in het deel goederenrecht.
2. Vorderingsrechten of persoonlijk recht
• = Een vorderingsrecht is een recht dat je hebt tegen een andere persoon. Het gaat
dus om een verbintenis tssn jou en iemand anders (band persoon-persoon:
schuldeiser-schuldenaar).
→ Horen thuis in het verbintenissenrecht.
• Vorderingsrechten kleven niet aan goederen. Zo kleeft, bijvoorbeeld, het huurrecht
niet aan het huurhuis. Als de verhuurder het huis verkoopt, moet de nieuwe
eigenaar, behalve bij huurregistratie, de huur niet respecteren.
Onderscheid zakelijke- en vorderingsrechten
1) Numerus clausus vs. Wilsautonomie:
• Zakelijke rechten: Er is een numerus clausus (beperkt aantal) van zakelijke rechten. Dit
betekent dat het wetboek precies bepaalt welke zakelijke rechten er bestaan (bv eigendom,
hypotheek). Je kunt geen nieuwe zakelijke rechten creëren die niet in de wet staan -> art. 3.3
BW
• Vorderingsrechten: Er is wilsautonomie en contractvrijheid. Dit betekent dat je zelf kunt
bepalen welke afspraken (verbintenissen) je aangaat met anderen, zolang het maar niet in
strijd is met de wet.
2) Publiciteitsregels:
• Zakelijke rechten: Er zijn publiciteitsregels voor goederenrecht. Bijvoorbeeld, als je een huis
verkoopt, moet je dit registreren in het hypotheekkantoor om het recht openbaar te maken.
• Vorderingsrechten: Voor vorderingsrechten zijn er geen publiciteitsregels. Je hebt geen
verplichting om het recht zichtbaar te maken voor anderen, zoals bij een schuld of contract.
3) Verjaring:
• Zakelijke rechten: verjaren na 30 jaar (bv eigendom) -> art. 2262 BW
• Vorderingsrechten: verjaren meestal na 10 jaar, maar er zijn kortere termijnen voor
sommige vorderingen (bv 5 jaar voor huurgeld, 3 jaar voor verzekeringen) -> art. 2262 bis
BW
Voorbeeld: Jan leent aan zijn buurvrouw Kelly 2500 euro. Ze zetten alles mooi op papier. Kelly moet
Jan voor het einde van het jaar terugbetalen. Kelly doet dit echter niet. Jan heeft, vanaf het einde van
het jaar (datum waarop de prestatie eisbaar is) 10 jaar de tijd om het geleende geld terug te eisen.
Doet hij dit niet (en wacht hij bijvoorbeeld 12 jaar), dan mag hij het geld niet meer terugvorderen. De
vordering is dan verjaard.
2 categorieën binnen het zakelijk recht:
1) Zelfstandige zakelijke rechten:
- geen noodzakelijke band met een ander recht
- zijn eigendomsrechten + afgeleide rechten (vruchtgebruik, erfdienstbaarheden, …)
2) Zakelijke zekerheidsrechten:
- zijn onzelfstandige rechten, want het is een bijkomend recht bij een vorderingsrecht (bv. uit
4